Deze week maar één foto>>>>

COULEUR LOCALE ZARIA ( september 1997)

Regen in Lagos leidt onvermijdelijk tot een enorme chaos op de weg, zoiets als in Nederland gebeurt bij plotseling opkomende mist of ijzel. De maand augustus is zo'n beetje halverwege de regentijd maar juist dan regent het meestal niet, dat heet hier dus de "August Break". Maar op de laatste vrijdag van augustus was het afgelopen met de droogte en viel de regen met bakken uit de hemel, net op de dag dat ik via Kaduna naar het zo'n duizend kilometer naar het noorden gelegen Zaria wilde reizen. Het ontbreken van een goede regenwaterafvoer in Lagos en het slecht bijhouden van wat er wel is, heeft bij een tropische regenbui het onmiddelijke onderlopen van straten en wegen tot gevolg. Daardoor en door de wegens de al jaren durende economische crises slecht onderhouden auto's, die spontaan stil vallen zodra ze een flinke plas water tegenkomen, ontstaan er enorme "go slows" een heel wat toepasselijker woord voor een opstopping dan file eigenlijk.
Door het slechte weer arriveren mijn reisgenoot Ahmed Bamalli en ik vijf minuten voor het vertrek van het laatste vliegtuig naar Kaduna op het vliegveld. Op veel vliegvelden in Europa krijgt de reiziger dan aan de incheckbalie te horen dat de vlucht is gesloten, wat in ons geval wachten tot de volgende dag zou betekenen, maar in Nigeria gaat de verkoop van de tickets gewoon door. Wie het vliegtuig alsnog haalt boft, wie het mist heeft pech gehad. Wij boffen en zitten een kwartier later in het vliegtuig, maar een uur daarna staat het vliegtuig nog op de grond en komen er nog steeds passagiers binnen druppelen. Pas als het vliegtuig vol is vertrekken we, anderhalf uur te laat.
De luchtvaartmaatschappij die ons vervoert heet Chanchangi Airlines, een naam te mooi om niet te vermelden. Chanchangi is de achternaam van de uit Kaduna afkomstige eigenaar, maar we worden gevlogen door de door hem gehuurde Captain Radovic en zijn Joegoslavische bemanning in een in Joegoslavië geregistreerde Boeing 737. In een land met één van de slechtste reputaties ter wereld op het gebied luchtverkeersveiligheid geeft dit een waarschijnlijk geheel onterecht gevoel dat het met deze club wel goed zal zitten. Inclusief een tussenlanding in Abuja, landen we twee uur later veilig in Kaduna, de voormalige hoofdstad van het Protectoraat van Noordelijk Nigeria.

Kaduna, ruim 900 kilometer ten noorden van Lagos, is een in 1913 tijdens het Britse koloniale bewind gestichte stad die werd vernoemd naar de ter plaatse stromende rivier. De naam van de rivier geeft aan dat die vol met krokodillen moet hebben gezeten, want Kadunna is het Hausa woord voor krokodillen. De stad diende als garnizoensstad voor de WAFF, de West African Frontier Force het Britse koloniale equivalent in Afrika van het KNIL, en was de administratieve hoofdstad voor het Protectoraat van Noord Nigeria. Het huidige Nigeria ontstond in 1914 toen dit Protecoraat min of meer werd samengevoegd met het tot dan als een afzonderlijke kolonie geadministeerde zuidelijk deel van Nigeria door de benoeming van Lord Lugard als de goeverneur voor beide kolonies. Naar verluidt werd de naam voor het nieuwe land bedacht door zijn maitresse. De feitelijke samenvoeging tot één kolonie zou enige jaren later volgen. Kaduna is nog steeds een garnizoensstad, maar is in de loop van de tijd gedegradeerd van hoofstad van een hele kolonie tot slechts de hoofstad van de gelijknamige Nigeriaanse deelstaat.
Het noorden en het zuiden van Nigeria, gescheiden door de rivieren de Niger en de Benue, zijn eigenlijk nog steeds twee verschillende landen. In tegenstelling tot het zuiden, heeft het noorden van het land al eeuwenlang een redelijk coherente vorm van bestuur, met een gezamenlijke taal: het Hausa en een gezamenlijke godsdienst: de Islam. Het gebied bestaat grotendeels uit savannen die onderdeel vormen van de West Afrikaanse savannengordel die van Senegal doorloopt tot aan het Tsjaad Meer. Het savannengebied wordt aan de noordkant begrenst door de Sahara en in het zuiden door de bossen langs de Atlantische Oceaan.
In het donker, de duisternis valt hier iedere dag van het jaar rond zeven uur 's avonds, zie je niet veel van de landschappelijke verschillen, maar ervaar je het verschil tussen de twee landsdelen slechts door het ontbreken van het altijd aanwezige geroezemoes van mensen en het verkeerslawaai van het veel dichter bevolkte zuidelijke deel van het land.

Ik overnacht in Kaduna, Ahmed reist door naar Zaria om de laatste voorbereidingen voor mijn bezoek te treffen. Niet alleen het landschap en de taal zijn tussen Lagos en Kaduna veranderd, maar ook Ahmed zelf. In Lagos is hij de medewerker van een financiële instelling, in Zaria is hij echter de telg uit een van de drie "Ruling Houses", de families die bij toerbeurt de Emir van Zaria leveren. De metamorfose begint zodra wij op het vliegveld van Lagos aankomen waar hij met veel respect wordt begroet door "his people" die ogenblikkelijk zijn koffer overnemen en de tickets voor ons gaan kopen, een prins hoeft immers voor zoiets niet in de rij te gaan staan! Ahmed zal verder het hele weekend de prins uit Zaria zijn en beslist geen loonslaaf uit Lagos.


Zaria ligt bijna tachtig kilometer van Kaduna en zo'n duizend kilometer ten noorden van Lagos en is een van de oudste steden in het noorden van Nigeria. De stad is waarschijnlijk gesticht tegen het einde van de vijftiende eeuw en is vernoemd naar één van de dochters van de stichter van de stad. De naam van een andere dochter, Amina, leeft voort in de naam die werd gegeven aan de bijna zestien kilometer lange stadsmuur die Zaria eeuwen lang tegen vreemde indringers beschermende. Zaria is de hoofdstad van het Emiraat dat vele namen heeft: Zazzau, Zekzek of Zegzeg. De regerende Emir van Zaria, Alhaji Shehu Idris heeft op zijn visitekaartje "His Highness the Emir of Zazzau" staan. Zazzau is de Hausanaam van Zaria. Het Emiraat behoort binnnen de pré-koloniale staatsinrichting van noordelijk Nigeria tot het eens machtige Kalifaat van Sokoto. Het tijdens een golf van moslim fundamentalisme aan begin van de vorige eeuw gestichte Kalifaat, dat was opgezet volgens de de ideeën van de Profeet zelf met betrekking tot de Islamitische staatsinrichting, bestond uit een dertiental aan de Sultan van Sokoto, de kalief, schatplichtige Emiraten. Maar sinds 1903, het jaar waarin de Engelsen hun kolonisatie van het Protectoraat voltooiden, is het niet langer de Sultan die de nieuwe Emir in zijn ambt bevestigt. Nadat de Engelsen zich deze bevoegdheid tijdens de koloniale periode toeëigenden door de Emir trouw aan de Engelse kroon te laten zweren, is het sedert de onafhankelijk van Nigeria in 1960 de Goeverneur van de deelstaat waarin het Emiraat ligt die de keuze van de "kingmakers" dient goed te keuren. De "kingmakers", plaatselijke notabelen, vormen de selectiecommissie die de voordracht voor de nieuwe Emir doet. De keuze is echter niet onbeperkt, uitsluitend de islam belijdende mannen die tot een van de lokale "ruling houses" behoren komen voor de post in aanmerking, waarbij in sommige emiraten het emirschap bij toerbeurt wordt vervuld door een representant van een van deze families. Erfopvolging komt vrijwel nergens voor binnen de traditionele strukturen in Nigeria.

Mijn bezoek aan Zaria begint met een privé audiëntie met de Emir, maar zoals niet geheel ongebruikelijk in Nigeria moet er eerst langdurig worden geantichambreerd. De charme van het zitten in een wachtkamer is dat het de mogelijkheid biedt om kennis te maken met een aantal lokale gewoonten. Wat direkt opvalt is dat de rangen en standen strikt worden gerespekteerd, de plaatselijke elite neemt op de stoelen plaats, het "gewone volk" zit ten teken van respekt aan hun voeten op de grond. Er is ook een strikte scheiding tussen mannen en vrouwen, hoewel de Emir een keur aan echtgenotes schijnt te hebben zijn er geen vrouwen zichtbaar aanwezig in het paleis. De manier van groeten bestaat uit het tot op schouderhoogte brengen van een geheven rechtervuist, de voertaal is Hausa.
Er is een sterfgeval en er wordt in groepjes gebeden voor het zieleheil van de overledene alvorens een kort condoleancebezoek aan zijn weduwe te gaan brengen. De oudste aanwezige geeft aan welke soera moet worden geciteerd en hoe vaak, waarna alle aanwezigen zachtjes voor zich uit bidden en hun vingers aftellen hoever ze zijn. De paleiswachten zijn herkenbaar aan hun uniform is uitgevoerd in de mooie rode en blauwzwarte kleuren van de Emir, ben je kleurenblind maar kun je wel lezen (de helft van de Nigeriaanse bevolking is analfabeet) dan herken je de wachters aan de tekst op hun borst "Dogarin Zazzau oftewel Lijfwacht van de Emir van Zaria". Sommige medewachtenden hebben een tulband op hun hoofd, dit zijn de dragers van de traditionele eretitels die worden verleend aan hen die in de loop van hun leven een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van het Emiraat hebben geleverd, een soort koninklijke onderscheiding dus. Eén van de tulbanddragers wordt mij later uitgelegd is de "senior slave" van de Emir, want het feodale tijdperk is hier nog in volle gang. Het herinnert mij aan een uitspraak van een wat cynische collega die lange tijd in Saoedi Arabië had gewoond en met enige regelmaat zei dat het volgens de islamitisch jaartelling de moslims in de 15e eeuw leven en dat dit goed te zien is aan de manier waarop ze leven.
Ruim een uur na de afgesproken tijd komt de privé sekretaris van de Emir melden dat ik zo dadelijk door Zijne Hoogheid zal worden ontvangen. De ontvangstzaal is mijn eerste kennismaking met het interieur van een geheel uit leem geconstrueerd Hausa gebouw. De ontvangst is uiterst hartelijk, ik mag naast de Emir komen zitten terwijl de sekretaris en Ahmed, die is getrouwd met een dochter van de Emir, blootsvoets op de vloer gaan zitten. Voor de gelegenheid draag ik een van Guinea-brocade gemaakt en met noordelijke motieven geborduurd ruim en lang vallend hemd en een broek die aan de bovenkant met een koord wordt aangesnoerd en jaren zestig smalle pijpen heeft. Dat ik een aan de omgeving aangepast kostuum draag wordt zeer op prijs gesteld.
De Emir vraagt naar het doel van mijn bezoek en ik vertel hem over mijn interesse voor de klassieke Hausa architectuur die in Zaria in nog zo ruime mate aanwezig is. Ik doe alle moeite om de Engelse term "mud buildings" te vermijden, een wat denigrerende term die eerder naar de toegepaste bouwmaterialen verwijst dan naar de bouwstijl. De ontvangstzaal van het paleis is een mooi voorbeeld van de Hausa bouwwijze, het is een enigszins afgeplatte koepelvormige ruimte van ongeveer tien bij vijf meter en is op het hoogste punt niet meer dan drie meter hoog. De ruimte doet een beetje denken aan de wat in elkaar gedrukte versie van een kapel in een middeleeuwse Europese kathedraal, maar dan een kapel waarvan de pilaren zijn vergeten. De steunbogen zijn aan de voorkant over dwars gekarteld en verder niet gedekoreerd, op de vloer liggen tapijten. De muren, plafonds en steunbogen zijn met een koel aandoende lichtgroen-blauwe verf afgesteken. De audiëntie duurt ongeveer een kwartier en na afloop begeleiden de lijfwachten, die op de foto willen, en een aantal leden van de hofhouding mij naar de uitgang van het paleis. Andere ruimten van het paleis blijven voor mij gesloten " want daar zijn de vrouwenverblijven".

In de wachtkamer was ik al voorgesteld aan de Sarkin Tambàri, de opper-trommelspeler. Het is een oudere man die geen woord Engels spreekt en die mij meeneemt naar een klein rond gebouwtje voor het paleis waar de trommels - de tamburà (het meervoud van tambàri) - worden bewaard. Volgens mijn woordenboek Hausa - Engels is een tambàri een grote schaalvormige trommel, die door musici in dienst van een Emir wordt bespeeld. Midden op de betonnen vloer van het gebouwtje liggen de resten van een houtvuur en langs de wanden staan houten rekken waaraan de trommelstellen hangen. De Sarkin Tambàri is niet alleen de belangrijkste trommelspeler van het Emiraat, hij is ook verantwoordelijk voor het onderhoud van de instrumenten. Anderhalf jaar geleden zag ik hem al eens tijdens een feestelijk defilé ter gelegenheid van het einde van de Ramadan, de islamitische vastenperiode, trots gezeten op zijn kameel de op beide zijden van de rug van het dier hangende trommels bespelen. De trommels bestaan uit naar de onderzijde taps afgewerkte stukken hout van zo'n 40 à 45 centimeter hoog en met een doorsnede van ongeveer dertig centimeter. Dit houten vat is bespannen met een dierenhuid (van een geit?) die langs de zijkant met repen huid strak wordt gespannen. Op sommige trommels zijn deze repen vastgespijkerd terwijl op andere trommels er ook een stuk huid aan de onderkant is bevestigd en de twee huiden elkaar strak aangetrokken in evenwicht houden. Alvorens te worden opgespannen worden de huiden boven een houtvuur verwarmd, hetgeen het oprekken bevordert. Als de trommels niet worden gebruikt, is het de taak van de Sarkin Tambàri om de velle n van tijd tot tijd met vet in te smeren om barsten te voorkomen. Ondanks alle voorzorgen, zo wordt mij verzekerd, moeten de trommels gemiddeld ieder jaar van een nieuw vel worden voorzien.

Nu mag er eindelijk wat tijd worden besteed aan de buitenkant van het paleis, dat bestaat uit een opvallende en kleurrijke facade die geheel is gedekoreerd met voor de voor het noorden van Nigeria zo karakteristieke zwierige geometrische motieven. Zijn de geveldekoraties van de huizen die ik later zal zien vrijwel altijd naturel gehouden, die van het paleis en ook die op de gevel van het huis van de Waziri, de hoogste ambtenaar van het Emiraat, zijn met vrolijke kleuren beschilderd. Aan de hand van niet al te oude foto's kan echter worden vastgesteld dat er in de afgelopen 20 jaar behoorlijk wat is verbouwd aan het paleis. Zo heeft het gebouw niet langer één verdieping, maar twee en omdat er een verdieping is opgebouwd en is het fraaie oorspronkelijk gevelelement dat een van de twee ingangen sierde gesloopt. Het enige raam(pje) op de begane grond is vervangen door vier ramen op de eerste verdieping, lelijk dichtgeschilderd in de nationale kleuren van Nigeria die, net als die van Rotterdam, groen-wit-groen zijn. Ook is de gehele geveldekoratie vervangen, maar dat schijnt niet ongebruikelijk te zijn want foto's van de gevel uit verschillende jaren laten ook verschillende motieven op de voorgevel van het paleis zien. Aangebouwd in moderne stijl en uitgevoerd in beton is een overdekte tribune vanwaar gasten van de Emir de feestelijke parades die tijdens islamitische hoogtijdagen plaatsvinden kunnen bewonderen. Helaas vind ik dat het paleis er niet mooier uitziet dan voorheen, maar dit is naar ik later zal ontdekken nog maar het begin.

Schuin tegenover het paleis zou zich de bijna honderenzestg jaar oude Masallaci Juma'a, de centrale moskee, moeten bevinden. In plaats van een gebouw dat een schoolvoorbeeld van de klassieke Hausa bouwkunst zou zijn, zie ik niets anders dan een saai modern aandoend gebouw. Mijn begeleiders lachen als ik ze vraag waar de oude moskee is, want we blijken er voor te staan, met dien verstande dat het nieuwe gebouw als een doos over de oude moskee blijkt te zijn heen gebouwd en deze dus geheel aan het oog onttrekt! Dit is gebeurd tijdens de ambtsperiode van de huidige Emir, dus nog geen vijftien jaar geleden, over het vernietigen van het culturele erfgoed gesproken! Mijn teleurstelling is compleet als mij wordt verteld dat het vreemdelingen helaas is verboden de moskee binnen te gaan en dat alle pogingen om toestemming te krijgen voor mijn bezoek op niets zijn uitgelopen. Aminu, een lector geschiedenis aan de Universiteit van Zaria en een goede vriend van Ahmed, wil wel foto's van het interieur voor mij gaan maken "zeg maar wat je wilt dat ik fotografeer". Gelukkig heb ik ter voorbereiding van mijn bezoek "An introduction to Nigerian traditional architecture" gelezen en kan derhalve gerichte aanwijzigingen geven. Pas als de film een paar weken later is ontwikkeld, zie ik wat ik heb gemist en dat is heel wat. Het gebouw is aan de binnenzijde fraai gedekoreerd met een veelheid van geometrische motieven. Net als in het paleis zijn de steunbogen verticaal gekarteld en is er overwegend lichtgroene verf gebruikt. Hoog in één van de wanden staat een grote handafdruk: de signatuur van de bouwmeester Mallam Mikhaila. De moskee werd in ongeveer 1837 voltooid, in de eerste periode nadat de Fulani jihadisten de macht in het Emiraat hadden overgenomen. Onder leiding van de uit Sokoto afkomstige bouwmeester, zijn zonen en kleinzonen leverden ruim honderd slaven, volgens bronnen uit die tijd althans, een bijna perfekt bouwwerk af. Bij de inwijding zou de Sultan van Sokoto hebben opgemerkt "dat er niets aan verbeterd, noch aan toegevoegd hoefde te worden". Een advies dat helaas door de huidige Emir van Zaria in de wind werd geslagen.

De nazaten van de bouwmeester, de Sarkin Magina, wonen nog steeds in wijk Babban Gwani op de grond die destijds door de Emir aan hun illustere voorvader werd geschonken. Eenmaal van de geasfalteerde weg af, wandelen we terug in de tijd want gemotoriseerd verkeer is hier niet mogelijk. De hele wijk bestaat uit lemen huizen en net als in op dezelfde manier opgebouwde steden Ségou en Djenné in Mali zijn de huizen naar binnen gericht en loopt men door straatjes met vrijwel alleen door deuropeningen en zelden door ramen onderbroken muren. Riolering is er ook niet, dat is goed te zien aan het huishoudelijke afvalwater dat als een beekje door de smalle straten naar het laagste punt in de wijk stroomt alwaar het een stinkende plas vormt en een ideale broedplaats van malaria verspreidende muggen. Volwassen vrouwen en huwbare dochters blijven ook hier uit het gezicht, maar het aantal kinderen dat uit het niets opduikt bij het verschijnen van een Bature, een blanke, en een aantal mensen van het paleis is zoals overal in Afrika overweldigend. Het doel van ons bezoek is het huis van de huidige Sarkin Magina, wiens huis een pronkstuk van Hausa architektuur zou zijn. Boven de deur van het huis is een bord besvestigd waarop "Gidan Sarkan Magina - Balaraba Zaria" - huis van de Sarkin Magina (opperbouwmeester) - Balaraba Zaria. Het blijkt dat de eigenaar zelf inmiddels niet meer in zijn voorouderlijk huis woont, maar elders in de wijk. Het duurt even voordat hij geheel in stijl aangekleed met tulband op het hoofd en al verschijnt, want dit ruikt naar een officieel bezoek. Hoewel wij hier naar toe zijn gekomen om rond te kijken, worden we zelf uitgebreid bekeken door de verzamelde kinderen die natuurlijk op de foto moeten. Ik kan me maar met moeite inhouden als ik mijn geliefde verzamelobjekt de islamitische schrijfplank, de àllo, weer eens in gebruik zie. Ik maak een paar foto's van het jongetje van wie de plank is terwijl hij de tekst die er op is geschreven voor zich uit murmelt. Het verzamelen van gebruiksvoorwerpen, wat deze planken zijn, krijgt voor mij een extra dimensie door de foto's waarop ik kan vastleggen hoe deze dagelijks worden gebruikt.
De Sarkin Magina is een zeer vriendelijke man van middelbare leeftijd die geen woord Engels spreekt. Gelukkig ken ik de eenvoudige Hausa begroetingen, zoals kana lafiyà of yàyà de - hoe gaat het met u?, yàyà màta - hoe gaat het met uw vrouw?, yàyà yâra - hoe gaat het met uw kinderen?, yàyà aiki - hoe gaat het met uw werk?. Het antwoord is steeds hetzelfde: lafiyà of lafiyà kalau - het gaat goed, want net als in het Yoruba is het antwoord op deze uitgebreide begroeting altijd: "het gaat goed, dank u".

Natuurlijk mag ik het huis bekijken en er foto's van maken, maar veel verder dan de hal van het huis zullen wij niet komen "want hierachter zijn de vrouwenverblijven". De zaurè - de ontvangstruimte van de woning of liever het complex, want het huis bestaat uit een groep zelfstandige verblijven binnen een ommuurd erf en niet uit een enkelvoudig huis zoals in Nederland gebruikelijk is, de zaurè alleen al is een bezoek waard. Terwijl de buitenkant van het gebouw er vierkant stoer uitziet en de facade in het geheel niet is gedekoreerd is de zaurè een ruimte van ruim vier meter hoog, kleiner van afmetingen dan de ontvangstzaal van het paleis en daardoor vele malen eleganter, ergo een meesterwerk! De koepel wordt ondersteund door achtal steunbogen die op het hoogste punt samenkomen in een blauw en oranje gekleurde op een rozet lijkende dekoratie. De steunbogen zijn niet gedekoreerd met het gekartelde motief zoals in het paleis en de moskee. Als een dubbele lijst zijn er aan de bovenzijde met elkaar verbonden en langs de binnenkant van iedere twee bogen lopende gekleurde lijnen aangebracht, een blauwe lijn aan de buitenkant en een oranje lijn aan de binnenkant. De steunbogen zijn verder over de hele lengte gedekoreerd met direkt in de leem aangebrachte motieven. Elders in het huis schijnt nog wel een kamer te zijn met gekartelde steunbogen, een foto van deze kamer staat in het eerder genoemde architectuur boek. Of deze kamer nog bestaat is onzeker, want bij navraag blijken ook de unieke uit leem vervaardigde en fraai gedekoreerde ledikanten inmiddels te zijn verdwenen. Als ik teleurgesteld reageer wanneer de Sarkin Magina verteld dat de ledikanten zijn afgebroken, biedt hij spontaan aan om er een voor mij te bouwen zodat ik kan zien hoe deze er hebben uitgezien. Ik hoef alleen maar te laten weten wanneer ik weer in Zaria zal zijn!
Boven de doorgangen naar de aan de zaurè grenzende ruimten zijn eenvoudige, maar sierlijke dekoraties aangebracht die nog het meest op een op de kant liggend sterk uitvergrote schuine drop lijken. In een van deze ruimten is het plafond door de regen naar beneden gekomen en de reparatie is in volle gang. Hier is goed te zien hoe een samenstel van in de muren verankerderde stokken en stammetjes de basis vormt voor het dak. Het ziet er allemaal niet al te stevig uit, maar er is inmiddels al eeuwenlang bewezen dat het systeem wel werkt.

De Sarkin Magina begeleidt ons terug naar de auto en onderweg bekijken we nog een paar mooi gedekoreerde gevels. Er zijn gelukkig genoeg slecht onderhouden huizen en half vervallen bouwsels die onthullen hoe muren en daken door de Hausa bouwmeesters worden gebouwd en zo word ik al wandelend in de Hausa bouwkunst ingewijd.
De basis voor ieder bouwwerk is de tubali, de handgevormde en in de zon gedroogde baksteen. De basismaterialen voor ieder bouwwerk bestaan hoofdzakelijk uit leem (birji) en grassen, bomen en struiken en daarvan afkomstige materialen zoals bladeren maar ook de as die bij verbranding van hout en bladeren ontstaat en soms metalen. De birji wordt zowel gebruikt als basisgrondstof voor het maken van de bakstenen als voor de funkties die in Nederland door mortel worden vervuld: het samenvoegen van stenen en het pleisterwerk.
Het verwerken van de grondstoffen gebeurt nog immer geheel met handen en voeten, leem wordt uit een put gegraven, nat gemaakt en zoals bij het klassieke wijnpersen met de voeten bewerkt totdat er een dikke pasta ontstaat. Nadat deze leempasta enige tijd - tot een paar dagen - heeft gedroogd, volgt de tweede bewerkingsgang. De pasta wordt opnieuw natgemaakt en met de voeten gekneed waarna de tubali met de hand worden gevormd. Afhankelijk van de kwaliteit van de leem wordt de massa verstevigd met stukjes datsi, een strokleurige grassoort.
Voor het maken van tubali zijn er volgens mijn zegsman minstens drie personen nodig: één voor het aanleveren van de grondstof, één voor het vormen van de churi en de tubalimaker. De leempasta die klaar is voor verdere bewerking wordt in grote koeken aangeleverd bij de churi maker. Zittend op de grond neemt deze keer op keer een stuk leem met een diameter van een ongeveer dertig centimeter uit de massa en rolt dit een aantal malen heen en weer tussen zijn gespreide benen en vormt door het aan de zijkanten stevig in te drukken een soort broodje. De aldus gevormde churi gooit hij naar de nabij hurkende tubalimaker, die de churi bewerkt als een bakker die deeg voor een brood aan het kneden is. Hij rolt de churi uit tot een cilinder en vormt door het uitrollen van de uiteinden een soort dubbelzijdige conus, dik in het midden en puntig uitlopend aan de uiteinden. Aan het eind van deze bewerking wordt de tubali in wording opgetild en met kracht tegen de grond geklapt, waarna de conische tubari klaar is. Deze vorm van de tubali is het best te vergelijken met een suikerbiet, waarvan het loof en de bovenkant met een stevige klap van een kapmes is verwijderd.
De tubali worden nu in hopen in de open lucht gedroogd en zijn na een week of twee klaar om te worden verwerkt in het bouwwerk in wording. Voor het bouwen van muren heb je tubali en mortel nodig. Mortel dat wordt bereid uit dezelfde leemachtige pasta die de basis voor de tubali vormt, maar afhankelijk van de toepassing ergo metselen of pleisteren verder wordt bewerkt want voor metselwerk is een dikkere en steviger massa nodig. Aan de leem wordt ter versteviging over het algemeen niet alleen gras toegevoegd maar vaak ook paardenmest. Deze massa wordt natgemaakt en met de voeten gekneed, dit proces wordt dagelijks gedurende ongeveer een week herhaald voordat de mortel kan worden gebruikt.
Het bouwen van huizen vindt normaliter plaats op de ongebroken keiharde grond, het breken van de aarde zou de ondergrond immers onnodig verzwakken. Afhankelijk van hoe dik een muur moet worden, worden er rijen tubali uitgezet, die vervolgens met mortel worden overdekt. De mortel wordt met de handen tussen de tubali gedrukt en aan de bovenzijde afgevlakt, waarna de volgende laag tubali wordt geplaatst. Dit wordt herhaald totdat het bouwwerk de gewenste hoogte heeft bereikt. Voor het maken van steunbogen of steunberen, daken en deurposten wordt hout gebruikt dat afkomstig is van de lokaal groeiende palmbomen. De stukken hout die worden verwerkt heten azara, maar zijn na verwerking onzichtbaar omdat ze uitsluitend ter versteviging van de struktuur dienen. Zo worden om een deurpost te maken bundels hout in de nog zachte mortel van de zijkanten van een deuropening geplaatst, die vervolgens met mortel worden afgestreken om de gewenste verdikking of ondersteuning te verkrijgen. Voor de versteviging van de bovenzijde van de deurposten of ramen worden de azara op de twee op hoogte gebrachte muren van de te maken opening gelegd en vervolgengs met mortel afgewerkt. Hetzelfde principe wordt ook gevolgd voor de andere verstevigende of ondersteunende elementen in het gebouw, wil je een boog bouwen of een gewelfd dak dan worden er bundels azaro schuin in de zachte mortel van de muren bevestigd en naderhand met mortel afgewerkt. Wat mij betreft is het palmbomenhout gewoon de Hausa versie van betonijzer.
Azara vervult tenslotte ook nog een rol bij de afvoer van het hemelwater. Hoog in de gevels steken er paarsgewijs schuin tegen elkaar geplaatste stukken azara naar buiten die als afvoergoot dienst doen, hoewel er tegenwoordig ook vaak stukken ijzer of uit klei gebakken pijp wordt toegepast. De regenwaterafvoer is erg essentieel omdat het dak meestal lager ligt dan de gevelmuur en er bij gebrek aan goede waterafvoer een last kan ontstaan die tot lekkage of zelfs instorting van het dak kan leiden, zoals ik net tevoren nog in het huis van de Sarkin Magina had gezien.
Het pleisterwerk van een eenmaal gereed gebouw en ook andere uiterlijke verfraaingen zijn "the icing on the cake". Een veel voorkomende geveldekoratie is de zanko, een puntig uitsteeksel op hoeken van een gebouw of uitstekende onderdelen van de gevel, zoals bijvoorbeeld vaak het geveldeel waar zich de ingang tot het gebouw bevindt. De zanko is een soort uitroepteken dat bepaalde elementen van het gebouw accentueert.
Hoewel de overgrote meerderheid van de gebouwen gewoon glad is afgepleisterd, laten degenen die zich dit kunnen permiteren de buitenkant van hun huis verfraaien door in het pleisterwerk dekoraties aan te laten brengen. Dit zijn niet altijd de gangbare geometrische motieven. Zo zie ik een aantal woningen waar halverwege de de buitenmuren, aan de bovenkant daarvan, op hoeken en rond de raam- en deuropeningen een brede band pleister in een lichtere kleur is aangebracht die de buitenkant van het huis in vierkante vlakken verdeelt. In de zelfde kleur zijn er dan binnen die vlakken soms strakke bloem- of stermotieven als het ware op de muur geschilderd. Maar ook de negatieve manier van dekoreren komt voor, het aanbrengen van een donkere pleisterop de lichtere lemen ondergrond, waarna door het verwijderen van een deel van de donkere deklaag de motieven zichtbaar worden gemaakt. In tegenstelling tot de met de hand op de gevel aangebrachte geometrische motieven die veel ronde speelsheid kennen en er uitzien als slagroom dat op een taart is gespoten, zijn de andere motieven niet alleen geheel vlak maar ook veel strakker van vormgeving.

Terug in de auto bekent Ahmed dat hij nog nooit eerder in Babban Gwani is geweest en dat het bezoek aan de Sarkin Magina voor hem net zo leerzaam was als voor mij. Nu we toch aan het bekijken zijn wat er uit leem kan worden gemaakt, wil ik op zoek gaan naar lokaal gemaakt aardewerk. Waar ik ook ga in West Afrika is dit een vast onderdeel van mijn programma, maar in Zaria valt het allemaal wat tegen. Ik word meegenomen naar een plek waar in grote hoeveelheden potten tegen de buitenkant van een huis zijn opgestapeld, maar het zijn saaie lompe en in het geheel niet gedekoreerde potten. Pas later kom ik er achter dat het hier om potten gaat die in Zaria worden gebruikt voor het begraven van de doden en daarbij een soort doodskist-funktie vervullen. Moslims begraven hun doden gekleed in bij voorkeur witte kleding direkt in het gedolven graf, stukgeslagen potten worden gebruikt om het lichaam af te dekken alvorens het graf wordt dichtgemaakt. Andere potten zal ik niet zien, hoewel ik zeker weet dat die wel ergens te koop moeten zijn. Het overkomt me vaker dat als ik naar lokaal aardewerk vraag, men zich niet kan voorstellen dat ik aardewerk bedoel dat ter plaatse voor huishoudelijk gebruik dient, want een blanke heeft zoiets toch niet nodig. In Benin City duurde het ook een aantal bezoeken voordat ik uiteindelijk op de markt terecht kwam waar de water- en kookpotten werden verkocht en zo zal het in Zaria ook wel gaan.

Overnachten doe ik weer in Kaduna en 's avonds ga ik met een bevriend echtpaar naar de kleinste bioscoop die ik ooit bezocht. Achter een videoteek is een bioscoopzaal met een dertigtal stoelen gebouwd en voor iets meer dan een dollar zie ik "Forget Paris" met Woody Allen. Een onderhoudende film waarvan me slechts de daarin gegeven definitie van nymfomaan is bijgebleven. Wanneer een nogal hoogfrequent vreemdgaande ex-vriendin van de hoofdpersoon in de film wordt aangeduid als zijnde nymfomaan, wordt dat door Allen afgedaan met "hoe durven jullie dat nou nymfomaan gedrag te noemen, ze heeft het hooguit wat moeilijk met het trouw zijn aan één enkele partner!"

De volgende dag vroeg in de ochtend weer naar Zaria waarbij het opnieuw opvalt hoe goed, in tegenstelling tot het zuiden van Nigeria, de wegen zijn onderhouden, terwijl er veel minder verkeer is. Langs de weg geen bebossing, maar wel zeer vruchtbaar landbouwgebied. Overal kleine dorpen en volop mais op de akkers. In veel van de dorpjes zijn nieuwe huizen gebouwd, geheel in de traditie van de streek uit koperrode leem. De vol met water staande leemputten buiten de dorpjes zijn de stille getuigen waar de bouwmaterialen zijn gewonnen. Langs de weg en bij de tolhuisjes worden de produkten van de streek aangeboden: guava, tomaten, uien en aardappels in overvloed. Ook de nomadische Fulani herders met hun kuddes vormen hier een onderdeel van het landschap, zoals in de hele savannengordel die tot aan Senegal loopt het geval is. De Fulani of Peul zijn makkelijk te herkennen aan hun karakteristieke puntige met leer beklede hoofddeksels, maar ook aan de haardracht van de vrouwen - kleine vlechtjes- en hun ranke lichaamsbouw.

De heersende klasse in het Sokoto kalifaat zijn ook Fulani's, die nu bijna tweehonderd jaar geleden de macht overnamen in de voornamelijk door de Hausa bewoonde en geregeerde koninkrijken. Ahmed's familie, de Bamalli's behoort tot deze heersende klasse, met de Barri Barri, de Katsina en de Sulubawa families leveren zij in principe bij toerbeurt de Emir voor het Emiraat van Zaria, hoewel de Sulubawa's om onduidelijke reden tegenwoordig niet meer mee mogen doen. De huidige Emir, Alhaji Shehu Idris behoort tot de Katsina familie.
De dag begint met een bezoek aan Ahmed's vader die toen Nigeria onafhankelijk werd de eerste Minister van Buitenlandse Zaken van de nieuwe republiek werd. Hij is inmiddels 80 jaar oud, maar nog buitengewoon bij de pinken. In tegenstelling tot gisteren, toen ik hem een kort beleefdheidsbezoek bracht en hij nogal wat last had van zijn door reuma aangetaste benen, zit hij vandaag op zijn praatstoel en vertelt over het ontstaan van het Sokoto Kalifaat, over het Emiraat van Zaria en de plaats van zijn familie in de geschiedenis. Dit is heel aparte ervaring en natuurlijk vele malen leuker dan al die verhalen in een boek te moeten lezen.

Het Kalifaat van Sokoto ontstond aan het begin van de vorige eeuw in een periode dat in de gehele toenmalige moslimwereld, met uitzondering van het Ottomaanse rijk, sprake was van grote onvrede onder de moslims over de neergang van de invloed van hun geloof. Naast het Arabisch schiereiland was dit met name het geval in de Soedan, een gebied in Afrika dat zich ten zuiden van de Arabische Noord-Afrikaanse landen uitstrekt van Senegal aan de Atlantische Oceaankust tot aan de Rode Zeekust. In het westen van de Soedan (in het huidige Senegal) hadden hervormingsgezinde Fulanis in de tweede helft van de 18e eeuw al een drietal op strikt islamitische leest geschoeide staten gevestigd die een voorbeeldfunktie zouden gaan vervullen voor vele andere nog te stichten staten. Dit gebeurde allereerst in de voornamelijk door Hausas bewoonde en geregeerde koninkrijken gelegen in een gebied dat in het noorden van het huidige Nigeria en Benin en het zuiden van Niger ligt en waar de Fulanis een bestuurlijke elite vormden. Hoewel de Fulanis een nomadisch volk waren, en deels nog zijn, dat rondtrok door de gehele westelijke Soedan, zette hun islamitische geloofovertuiging ook aan tot het vergaren van kennis. Beter opgeleide Fulanis vestigden zich in de steden waar religieuze centra waren gevestigd of traden als ambtenaar in dienst in een van de vele koninkrijken en vormden zo een volledig geassimileerde bestuurlijke bovenlaag in de Hausa staten. Hoewel in deze koninkrijken veel moslims woonden, was er geen sprake van volgens de islamitische principes ingerichte staten, doch veeleer van staten waar de traditionele godsdiensten naast of vermengd met de islam een belangrijke rol vervulden. Het slechts in naam beleiden van de islam door de Hausa aristocratie was een doorn in het oog van de streng gelovige fundamentalisten van het eerste uur, in West Afrika beter bekend als jihadisten.

Het koninkrijk Gobir was tegen het einde van de 18e eeuw de machtigste Hausa staat. Het koninkrijk dat kan worden gesitueerd in een gebied dat ligt tussen de steden Sokoto in noord-west Nigeria en Agadez in midden-Niger. Snel verslechterende economische en politieke omstandigheden binnen het koninkrijk speelden de jihadisten in de kaart. Steeds zwaardere belastingen op zowel handelsgoederen als op vee, het verkopen van broeders in het geloof als slaven, het ten oorlog moeten trekken tegen geloofsgenoten, willekeur in de rechtstspraak en toenemende corruptie leidde tot een stemming die zowel de stadsbewoners als de plattelandsbevolking rijp maakten voor de revolutionaire ideeën van de rondtrekkende islamitische predikers.
De uit Gobir afkomstige, maar tot het Fulanivolk behorende, rondtrekkende prediker Malam Usman Dan Fodio verklaarde zowel het gedrag van de regerende elite als het heffen van belastingen in strijd met het geloof. Dat deze boodschap zowel bij moslims als niet-moslims aansloeg behoeft geen verder betoog en Usman Dan Fodio verwierf aldus veel aanhang onder de bevolking voor het vestigen van een islamitische staat. Hij leek dit doel aanvankelijk geweldloos te zullen bereiken nadat via onderhandelingen met Sultan Barwa van Gobir volledige godsdienstvrijheid voor de moslims was bedongen en de belastingen waren verlaagd. Na het overlijden van Barwa maakte diens opvolger Nafata alle met zijn vader gemaakte afspraken ongedaan en ging zelfs zover burgers die zich tot de islam hadden bekeerd te dwingen dit geloof weer af te zweren. Nafata regeerde maar zes jaar en werd in 1802 opgevolgd door zijn zoon Yunfa. Deze liet een aanslag op het leven van Usman Dan Fodio plegen en de deling van de bevolking in een pro Yunfa kamp en een pro fundamentalisten kamp begon zich hierna steeds sterker af te tekenen. Usman Dan Fodio trok zich terug uit de hoofdstad van Gobir naar het grensgebied van de staat, waar zich al spoedig volgelingen uit de heel west Soedan rond hem verzamelden. Eén van deze volgelingen moet dus Malam Musa Bamalle, de betovergrootvader van Ahmed, zijn geweest. Tegen zijn zin werd Usman Dan Fodio door zijn volgelingen tot Amir al Muminin - commandant van de gelovigen - uitgeroepen en aldus gedwongen de strijd met andere middelen aan te gaan. Aldus werd de jihad, de strijd voor het vestigen van een staat gebaseerd op de islamitische principes zoals die eertijds waren ontworpen en toegepast door de profeet Mohammed, werd uitgeroepen tegen Gobir. Na jaren strijd viel de hoofdstad van Gobir in 1808 in handen van de Jihadisten, die echter een nieuwe hoofdstad bouwden: Sokoto. Usman Dan Fodio werd de eerste Kalief van het Kalifaat Sokoto. Medestrijders van Usman Dan Fodio begonnen met zijn toestemming jihads tegen andere Hausa staten die niet zuiver in de islamitische leer waren en die weigerden tot de traditionele godsdienst behorende (heidense) gebruiken af te zweren. Tot hen behoorde wederom Malam Musa Bamalle die de strijd aanbond tegen de Emir van Zaria, die er van werd beschuldigd afgoden te aanbidden. Hij werd voor de keus gesteld deze gewoonte op te geven of de stad te verlaten en verkoos het laatste. Hij en zijn medestanders verlieten de stad zonder tegenstand te bieden en vervolgens werd Malam Musa Bamalle de eerste Emir van Zaria die wél recht in de leer was en die Zaria onder het gezag van het Kalifaat van Sokoto bracht.

Het recht in de leer zijn en blijven speelde ook een rol toen de Engelsen in 1903 hun protectoraat van Noord Nigeria vestigden en de administratie van het Kalifaat van Sokoto overnamen. Een nadrukkelijk onderdeel van de overeenkomst tussen Lord Lugard, de eerste gouverneur, en de Waziri, de groot vizier van het Kalifaat, was dat de Engelsen de islamitische instellingen ongemoeid zouden laten. Dit ging zelfs zover dat het onderwijzen van de Engelse taal, de taal van de christenen, actief werd ontmoedigd totdat het duidelijk werd dat dit de noordelijke bevolking op achterstand plaatste in vergelijking met de bevolking van zuid Nigeria. Ambtenaren gerekruteerd voor de koloniale dienst dienden de Engelse taal te beheersen en om te voorkomen dat het Noorden door "vreemdelingen" zou worden geregeerd, vond er een geleidelijke omslag plaats naar onderwijs van en in de Engelse taal. Alhaji Bamali, Ahmed's vader, was een van de eersten die als gevolg hiervan tijdens het voortgezet onderwijs Engels taalonderricht kreeg. Dit leidde er uiteindelijk zelfs toe dat hij boeken vanuit het Engels in het Hausa ging vertalen waar ik achter kom als we het over mijn belangstelling voor de Hausa architectuur hebben en ik hem vertel over hoezeer Zaria mij doet denken aan Ségou en Djenné in Mali. Hij haakt direkt in op Ségou en begint over de Britse ontdekkingsreiziger Mungo Park. Waarop ik hem vertel dat ik op de plek in Ségou heb gestaan waar Mungo Park, beroofd en van zijn kleren ontdaan toestemming vroeg om Ségou binnen te mogen, maar omdat men daar nooit eerder een blanke had gezien hem die toegang wiegerde daar de bewoners dachten dat hij een duivel was. Alhaji Bamali lacht instemmend, hij kent het hele verhaal want hij heeft in de dertiger jaren het boek dat Mungo Park over zijn ontdekkingsreis schreef vanuit het Engels in het Hausa heeft vertaald!

We rijden Zaria in om het atelier van de kleermaker van Ahmed te gaan bezoeken. Ook hier weer een wijk zoals waar de Opper Bouwmeester woont. Een volkomen onopvallend vierkant gebouwtje aan de ingang van de wijk met de omvang van niet meer dan een forse eenkamer woning wordt mij terloops als moskee aangewezen. Op mijn vraag hoe je dat nu kunt zien, komt als reaktie "dat kan je toch wel zien!" Ik moet mijzelf toch maar eens beter in de moskeeherkenningstechnieken verdiepen, want dit gebouwtje heeft geen minaret en geen luidsprekers die de stem van de ten gebed oproepende iman dusdanig versterken dat niemand in de hele wijk kan ontkennen de gebedstijd te hebben gemist. Net zoals gisteren plassen stilstaand afvalwater en kinderen die met een stok of stuk betonijzer afgedankte pannendeksels als een soort kleine hoepels door de buurt rollen. Na de zilveren capsules van melkflessen en de afgedragen kleding uit de zak van Max wellicht een leuk alternatief ideetje voor een eigentijdse inzamelingsaktie "Deksels voor Afrika!".
Het kleermakersatelier bestaat uit een niet al te best verlichte ruimte waar een zestal jonge mannen op de grond gezeten kleding aan het borduren zijn. Zwart-Afrikaanse kleding en borduren horen bij elkaar en aan de patronen en hoeveelheid borduurwerk op de kleding op het ruim vallende bovenkleed, de babariga, herkent men de standing of de gewenste standing van de drager ervan in de maatschappij. Toen ik jaren geleden mijn eerste Nigeriaanse "kostuum" liet aanmeten, was de babariga zowel aan de voorkant als aan de rugzijde bijna van de schouders tot op de schoenen zwaar geborduurd. Zelf vond ik het heel fraai, maar wellicht wat te veel van het goede. Toen ik dit uitsprak, werd ik streng terecht gewezen, want als blanke (en dus rijk) was dit toch wel het minste dat ik kon dragen om te voorkomen als een beetje zielig te worden beschouwd. Want "wie het breed heeft, laat het breed hangen" gaat in Nigeria letterlijk op. Het vinden van kleermakers die nieuw zijn of van buiten Nigeria komen en die dus nieuwe patronen meebrengen is een voortdurende uitdaging, zelf liet ik zo een tijdje mijn kleding in de Togolese hoofdstad Lomé maken door de voormalige kleermaker van de Senegalese president Diouf. Unieke patronen en zeker niet goedkoop, maar tot grote tevredenheid van mijn omgeving die dit volkomen bij mijn vermeende status vond passen.
In Lagos wordt er machinaal geborduurd, in het Noorden, waar nauwelijks industrie en werk is, gebeurt dit met de hand. De patronen worden met een potlood of viltstift op de stof getekend, waarna er dagen achtereen geborduurd wordt. Duizenden kleine steekjes, zeven dagen in de week in een bedompte en slecht verlichte ruimte.

Tot slot een bezoek aan de Queen Amina Wall, de stadsmuur die Zaria eeuwenlang tegen vreemde indringers heeft beschermd. Zestien kilometer lang, op acht plaatsen onderbroken door stadspoorten en een schoolvoorbeeld van militaire Hausa bouwkunst. Maar helaas zoals van zoveel dat ik in Zaria verwachte te zien is ook van de muur niet meer over dan resten van een zwaar in verval verkerend verdedigingswerk en een dichtgegroeide verdedigingsgracht. Hoe gek het ook klinkt, de erosie heeft hier zwaar toegeslagen, regen en gebrek aan onderhoud hebben duidelijk hun sporen achtergelaten. De originele stadspoorten zijn ook verdwenen en vervangen door moderne betonnen poorten van het fantasieloze type dat je overal in Nigeria tegenkomt, want een stad behoort nu eenmaal een stadspoort te hebben. De vervallen muur is eigenlijk symbolisch voor alles wat hier vroeger was maar er nu niet meer is: door verbouwing verdween de originele gevel van het paleis van de Emir, als een soort Afrikaanse Christo verpakte de Emir de klassieke moskee in een betonnen doos, het Bicycle House vernoemd naar de fiets afgebeeld in de geveldekoratie is verdwenen, de indigo verfputten zijn niet meer in gebruik, de lemen ledikanten in het huis van de opperbouwmeester zijn afgebroken, de oude lemen stadspoorten vervangen door betonnen en ditzelfde geldt voor steeds meer klassieke lemen gebouwen.

Uiteindelijk heb ik mijn allerleukste ervaring van de reis als wij al weer terug zijn in Lagos. Onderweg van het vliegveld naar kantoor gaat de telefoon en wordt geïnformeerd naar het verloop van de trip naar Zaria. Ahmed neemt het gesprek over en begint uitgebreid te vertellen hoe dankbaar iedereen in Zaria wel was omdat ik helemaal naar het noorden ben gereisd om hun stad te bezoeken en zoveel belangstelling heb getoond voor hun historie en hun cultuur. Mij wordt slechts toegestaan mijn dankbaarheid voor de genoten gastvrijheid te tonen door mijn reiservaringen met mijn vrienden te delen, hetgeen bij deze is geschied.

 


© Jacques de Rhoter

Printversie