|
COULEUR LOCALE ZARIA ( september
1997)
Regen in Lagos leidt onvermijdelijk tot
een enorme chaos op de weg, zoiets als in
Nederland gebeurt bij plotseling opkomende
mist of ijzel. De maand augustus is zo'n
beetje halverwege de regentijd maar juist
dan regent het meestal niet, dat heet hier
dus de "August Break". Maar op
de laatste vrijdag van augustus was het
afgelopen met de droogte en viel de regen
met bakken uit de hemel, net op de dag dat
ik via Kaduna naar het zo'n duizend kilometer
naar het noorden gelegen Zaria wilde reizen.
Het ontbreken van een goede regenwaterafvoer
in Lagos en het slecht bijhouden van wat
er wel is, heeft bij een tropische regenbui
het onmiddelijke onderlopen van straten
en wegen tot gevolg. Daardoor en door de
wegens de al jaren durende economische crises
slecht onderhouden auto's, die spontaan
stil vallen zodra ze een flinke plas water
tegenkomen, ontstaan er enorme "go
slows" een heel wat toepasselijker
woord voor een opstopping dan file eigenlijk.
Door het slechte weer arriveren mijn reisgenoot
Ahmed Bamalli en ik vijf minuten voor het
vertrek van het laatste vliegtuig naar Kaduna
op het vliegveld. Op veel vliegvelden in
Europa krijgt de reiziger dan aan de incheckbalie
te horen dat de vlucht is gesloten, wat
in ons geval wachten tot de volgende dag
zou betekenen, maar in Nigeria gaat de verkoop
van de tickets gewoon door. Wie het vliegtuig
alsnog haalt boft, wie het mist heeft pech
gehad. Wij boffen en zitten een kwartier
later in het vliegtuig, maar een uur daarna
staat het vliegtuig nog op de grond en komen
er nog steeds passagiers binnen druppelen.
Pas als het vliegtuig vol is vertrekken
we, anderhalf uur te laat.
De luchtvaartmaatschappij die ons vervoert
heet Chanchangi Airlines, een naam te mooi
om niet te vermelden. Chanchangi is de achternaam
van de uit Kaduna afkomstige eigenaar, maar
we worden gevlogen door de door hem gehuurde
Captain Radovic en zijn Joegoslavische bemanning
in een in Joegoslavië geregistreerde
Boeing 737. In een land met één
van de slechtste reputaties ter wereld op
het gebied luchtverkeersveiligheid geeft
dit een waarschijnlijk geheel onterecht
gevoel dat het met deze club wel goed zal
zitten. Inclusief een tussenlanding in Abuja,
landen we twee uur later veilig in Kaduna,
de voormalige hoofdstad van het Protectoraat
van Noordelijk Nigeria.
Kaduna, ruim 900 kilometer ten noorden
van Lagos, is een in 1913 tijdens het Britse
koloniale bewind gestichte stad die werd
vernoemd naar de ter plaatse stromende rivier.
De naam van de rivier geeft aan dat die
vol met krokodillen moet hebben gezeten,
want Kadunna is het Hausa woord voor krokodillen.
De stad diende als garnizoensstad voor de
WAFF, de West African Frontier Force het
Britse koloniale equivalent in Afrika van
het KNIL, en was de administratieve hoofdstad
voor het Protectoraat van Noord Nigeria.
Het huidige Nigeria ontstond in 1914 toen
dit Protecoraat min of meer werd samengevoegd
met het tot dan als een afzonderlijke kolonie
geadministeerde zuidelijk deel van Nigeria
door de benoeming van Lord Lugard als de
goeverneur voor beide kolonies. Naar verluidt
werd de naam voor het nieuwe land bedacht
door zijn maitresse. De feitelijke samenvoeging
tot één kolonie zou enige
jaren later volgen. Kaduna is nog steeds
een garnizoensstad, maar is in de loop van
de tijd gedegradeerd van hoofstad van een
hele kolonie tot slechts de hoofstad van
de gelijknamige Nigeriaanse deelstaat.
Het noorden en het zuiden van Nigeria, gescheiden
door de rivieren de Niger en de Benue, zijn
eigenlijk nog steeds twee verschillende
landen. In tegenstelling tot het zuiden,
heeft het noorden van het land al eeuwenlang
een redelijk coherente vorm van bestuur,
met een gezamenlijke taal: het Hausa en
een gezamenlijke godsdienst: de Islam. Het
gebied bestaat grotendeels uit savannen
die onderdeel vormen van de West Afrikaanse
savannengordel die van Senegal doorloopt
tot aan het Tsjaad Meer. Het savannengebied
wordt aan de noordkant begrenst door de
Sahara en in het zuiden door de bossen langs
de Atlantische Oceaan.
In het donker, de duisternis valt hier iedere
dag van het jaar rond zeven uur 's avonds,
zie je niet veel van de landschappelijke
verschillen, maar ervaar je het verschil
tussen de twee landsdelen slechts door het
ontbreken van het altijd aanwezige geroezemoes
van mensen en het verkeerslawaai van het
veel dichter bevolkte zuidelijke deel van
het land.
Ik overnacht in Kaduna, Ahmed reist door
naar Zaria om de laatste voorbereidingen
voor mijn bezoek te treffen. Niet alleen
het landschap en de taal zijn tussen Lagos
en Kaduna veranderd, maar ook Ahmed zelf.
In Lagos is hij de medewerker van een financiële
instelling, in Zaria is hij echter de telg
uit een van de drie "Ruling Houses",
de families die bij toerbeurt de Emir van
Zaria leveren. De metamorfose begint zodra
wij op het vliegveld van Lagos aankomen
waar hij met veel respect wordt begroet
door "his people" die ogenblikkelijk
zijn koffer overnemen en de tickets voor
ons gaan kopen, een prins hoeft immers voor
zoiets niet in de rij te gaan staan! Ahmed
zal verder het hele weekend de prins uit
Zaria zijn en beslist geen loonslaaf uit
Lagos.
Zaria ligt bijna tachtig kilometer van Kaduna
en zo'n duizend kilometer ten noorden van
Lagos en is een van de oudste steden in
het noorden van Nigeria. De stad is waarschijnlijk
gesticht tegen het einde van de vijftiende
eeuw en is vernoemd naar één
van de dochters van de stichter van de stad.
De naam van een andere dochter, Amina, leeft
voort in de naam die werd gegeven aan de
bijna zestien kilometer lange stadsmuur
die Zaria eeuwen lang tegen vreemde indringers
beschermende. Zaria is de hoofdstad van
het Emiraat dat vele namen heeft: Zazzau,
Zekzek of Zegzeg. De regerende Emir van
Zaria, Alhaji Shehu Idris heeft op zijn
visitekaartje "His Highness the Emir
of Zazzau" staan. Zazzau is de Hausanaam
van Zaria. Het Emiraat behoort binnnen de
pré-koloniale staatsinrichting van
noordelijk Nigeria tot het eens machtige
Kalifaat van Sokoto. Het tijdens een golf
van moslim fundamentalisme aan begin van
de vorige eeuw gestichte Kalifaat, dat was
opgezet volgens de de ideeën van de
Profeet zelf met betrekking tot de Islamitische
staatsinrichting, bestond uit een dertiental
aan de Sultan van Sokoto, de kalief, schatplichtige
Emiraten. Maar sinds 1903, het jaar waarin
de Engelsen hun kolonisatie van het Protectoraat
voltooiden, is het niet langer de Sultan
die de nieuwe Emir in zijn ambt bevestigt.
Nadat de Engelsen zich deze bevoegdheid
tijdens de koloniale periode toeëigenden
door de Emir trouw aan de Engelse kroon
te laten zweren, is het sedert de onafhankelijk
van Nigeria in 1960 de Goeverneur van de
deelstaat waarin het Emiraat ligt die de
keuze van de "kingmakers" dient
goed te keuren. De "kingmakers",
plaatselijke notabelen, vormen de selectiecommissie
die de voordracht voor de nieuwe Emir doet.
De keuze is echter niet onbeperkt, uitsluitend
de islam belijdende mannen die tot een van
de lokale "ruling houses" behoren
komen voor de post in aanmerking, waarbij
in sommige emiraten het emirschap bij toerbeurt
wordt vervuld door een representant van
een van deze families. Erfopvolging komt
vrijwel nergens voor binnen de traditionele
strukturen in Nigeria.
Mijn bezoek aan Zaria begint met een privé
audiëntie met de Emir, maar zoals niet
geheel ongebruikelijk in Nigeria moet er
eerst langdurig worden geantichambreerd.
De charme van het zitten in een wachtkamer
is dat het de mogelijkheid biedt om kennis
te maken met een aantal lokale gewoonten.
Wat direkt opvalt is dat de rangen en standen
strikt worden gerespekteerd, de plaatselijke
elite neemt op de stoelen plaats, het "gewone
volk" zit ten teken van respekt aan
hun voeten op de grond. Er is ook een strikte
scheiding tussen mannen en vrouwen, hoewel
de Emir een keur aan echtgenotes schijnt
te hebben zijn er geen vrouwen zichtbaar
aanwezig in het paleis. De manier van groeten
bestaat uit het tot op schouderhoogte brengen
van een geheven rechtervuist, de voertaal
is Hausa.
Er is een sterfgeval en er wordt in groepjes
gebeden voor het zieleheil van de overledene
alvorens een kort condoleancebezoek aan
zijn weduwe te gaan brengen. De oudste aanwezige
geeft aan welke soera moet worden geciteerd
en hoe vaak, waarna alle aanwezigen zachtjes
voor zich uit bidden en hun vingers aftellen
hoever ze zijn. De paleiswachten zijn herkenbaar
aan hun uniform is uitgevoerd in de mooie
rode en blauwzwarte kleuren van de Emir,
ben je kleurenblind maar kun je wel lezen
(de helft van de Nigeriaanse bevolking is
analfabeet) dan herken je de wachters aan
de tekst op hun borst "Dogarin Zazzau
oftewel Lijfwacht van de Emir van Zaria".
Sommige medewachtenden hebben een tulband
op hun hoofd, dit zijn de dragers van de
traditionele eretitels die worden verleend
aan hen die in de loop van hun leven een
belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling
van het Emiraat hebben geleverd, een soort
koninklijke onderscheiding dus. Eén
van de tulbanddragers wordt mij later uitgelegd
is de "senior slave" van de Emir,
want het feodale tijdperk is hier nog in
volle gang. Het herinnert mij aan een uitspraak
van een wat cynische collega die lange tijd
in Saoedi Arabië had gewoond en met
enige regelmaat zei dat het volgens de islamitisch
jaartelling de moslims in de 15e eeuw leven
en dat dit goed te zien is aan de manier
waarop ze leven.
Ruim een uur na de afgesproken tijd komt
de privé sekretaris van de Emir melden
dat ik zo dadelijk door Zijne Hoogheid zal
worden ontvangen. De ontvangstzaal is mijn
eerste kennismaking met het interieur van
een geheel uit leem geconstrueerd Hausa
gebouw. De ontvangst is uiterst hartelijk,
ik mag naast de Emir komen zitten terwijl
de sekretaris en Ahmed, die is getrouwd
met een dochter van de Emir, blootsvoets
op de vloer gaan zitten. Voor de gelegenheid
draag ik een van Guinea-brocade gemaakt
en met noordelijke motieven geborduurd ruim
en lang vallend hemd en een broek die aan
de bovenkant met een koord wordt aangesnoerd
en jaren zestig smalle pijpen heeft. Dat
ik een aan de omgeving aangepast kostuum
draag wordt zeer op prijs gesteld.
De Emir vraagt naar het doel van mijn bezoek
en ik vertel hem over mijn interesse voor
de klassieke Hausa architectuur die in Zaria
in nog zo ruime mate aanwezig is. Ik doe
alle moeite om de Engelse term "mud
buildings" te vermijden, een wat denigrerende
term die eerder naar de toegepaste bouwmaterialen
verwijst dan naar de bouwstijl. De ontvangstzaal
van het paleis is een mooi voorbeeld van
de Hausa bouwwijze, het is een enigszins
afgeplatte koepelvormige ruimte van ongeveer
tien bij vijf meter en is op het hoogste
punt niet meer dan drie meter hoog. De ruimte
doet een beetje denken aan de wat in elkaar
gedrukte versie van een kapel in een middeleeuwse
Europese kathedraal, maar dan een kapel
waarvan de pilaren zijn vergeten. De steunbogen
zijn aan de voorkant over dwars gekarteld
en verder niet gedekoreerd, op de vloer
liggen tapijten. De muren, plafonds en steunbogen
zijn met een koel aandoende lichtgroen-blauwe
verf afgesteken. De audiëntie duurt
ongeveer een kwartier en na afloop begeleiden
de lijfwachten, die op de foto willen, en
een aantal leden van de hofhouding mij naar
de uitgang van het paleis. Andere ruimten
van het paleis blijven voor mij gesloten
" want daar zijn de vrouwenverblijven".
In de wachtkamer was ik al voorgesteld
aan de Sarkin Tambàri, de opper-trommelspeler.
Het is een oudere man die geen woord Engels
spreekt en die mij meeneemt naar een klein
rond gebouwtje voor het paleis waar de trommels
- de tamburà (het meervoud van tambàri)
- worden bewaard. Volgens mijn woordenboek
Hausa - Engels is een tambàri een
grote schaalvormige trommel, die door musici
in dienst van een Emir wordt bespeeld. Midden
op de betonnen vloer van het gebouwtje liggen
de resten van een houtvuur en langs de wanden
staan houten rekken waaraan de trommelstellen
hangen. De Sarkin Tambàri is niet
alleen de belangrijkste trommelspeler van
het Emiraat, hij is ook verantwoordelijk
voor het onderhoud van de instrumenten.
Anderhalf jaar geleden zag ik hem al eens
tijdens een feestelijk defilé ter
gelegenheid van het einde van de Ramadan,
de islamitische vastenperiode, trots gezeten
op zijn kameel de op beide zijden van de
rug van het dier hangende trommels bespelen.
De trommels bestaan uit naar de onderzijde
taps afgewerkte stukken hout van zo'n 40
à 45 centimeter hoog en met een doorsnede
van ongeveer dertig centimeter. Dit houten
vat is bespannen met een dierenhuid (van
een geit?) die langs de zijkant met repen
huid strak wordt gespannen. Op sommige trommels
zijn deze repen vastgespijkerd terwijl op
andere trommels er ook een stuk huid aan
de onderkant is bevestigd en de twee huiden
elkaar strak aangetrokken in evenwicht houden.
Alvorens te worden opgespannen worden de
huiden boven een houtvuur verwarmd, hetgeen
het oprekken bevordert. Als de trommels
niet worden gebruikt, is het de taak van
de Sarkin Tambàri om de velle n van
tijd tot tijd met vet in te smeren om barsten
te voorkomen. Ondanks alle voorzorgen, zo
wordt mij verzekerd, moeten de trommels
gemiddeld ieder jaar van een nieuw vel worden
voorzien.
Nu mag er eindelijk wat tijd worden besteed
aan de buitenkant van het paleis, dat bestaat
uit een opvallende en kleurrijke facade
die geheel is gedekoreerd met voor de voor
het noorden van Nigeria zo karakteristieke
zwierige geometrische motieven. Zijn de
geveldekoraties van de huizen die ik later
zal zien vrijwel altijd naturel gehouden,
die van het paleis en ook die op de gevel
van het huis van de Waziri, de hoogste ambtenaar
van het Emiraat, zijn met vrolijke kleuren
beschilderd. Aan de hand van niet al te
oude foto's kan echter worden vastgesteld
dat er in de afgelopen 20 jaar behoorlijk
wat is verbouwd aan het paleis. Zo heeft
het gebouw niet langer één
verdieping, maar twee en omdat er een verdieping
is opgebouwd en is het fraaie oorspronkelijk
gevelelement dat een van de twee ingangen
sierde gesloopt. Het enige raam(pje) op
de begane grond is vervangen door vier ramen
op de eerste verdieping, lelijk dichtgeschilderd
in de nationale kleuren van Nigeria die,
net als die van Rotterdam, groen-wit-groen
zijn. Ook is de gehele geveldekoratie vervangen,
maar dat schijnt niet ongebruikelijk te
zijn want foto's van de gevel uit verschillende
jaren laten ook verschillende motieven op
de voorgevel van het paleis zien. Aangebouwd
in moderne stijl en uitgevoerd in beton
is een overdekte tribune vanwaar gasten
van de Emir de feestelijke parades die tijdens
islamitische hoogtijdagen plaatsvinden kunnen
bewonderen. Helaas vind ik dat het paleis
er niet mooier uitziet dan voorheen, maar
dit is naar ik later zal ontdekken nog maar
het begin.
Schuin tegenover het paleis zou zich de
bijna honderenzestg jaar oude Masallaci
Juma'a, de centrale moskee, moeten bevinden.
In plaats van een gebouw dat een schoolvoorbeeld
van de klassieke Hausa bouwkunst zou zijn,
zie ik niets anders dan een saai modern
aandoend gebouw. Mijn begeleiders lachen
als ik ze vraag waar de oude moskee is,
want we blijken er voor te staan, met dien
verstande dat het nieuwe gebouw als een
doos over de oude moskee blijkt te zijn
heen gebouwd en deze dus geheel aan het
oog onttrekt! Dit is gebeurd tijdens de
ambtsperiode van de huidige Emir, dus nog
geen vijftien jaar geleden, over het vernietigen
van het culturele erfgoed gesproken! Mijn
teleurstelling is compleet als mij wordt
verteld dat het vreemdelingen helaas is
verboden de moskee binnen te gaan en dat
alle pogingen om toestemming te krijgen
voor mijn bezoek op niets zijn uitgelopen.
Aminu, een lector geschiedenis aan de Universiteit
van Zaria en een goede vriend van Ahmed,
wil wel foto's van het interieur voor mij
gaan maken "zeg maar wat je wilt dat
ik fotografeer". Gelukkig heb ik ter
voorbereiding van mijn bezoek "An introduction
to Nigerian traditional architecture"
gelezen en kan derhalve gerichte aanwijzigingen
geven. Pas als de film een paar weken later
is ontwikkeld, zie ik wat ik heb gemist
en dat is heel wat. Het gebouw is aan de
binnenzijde fraai gedekoreerd met een veelheid
van geometrische motieven. Net als in het
paleis zijn de steunbogen verticaal gekarteld
en is er overwegend lichtgroene verf gebruikt.
Hoog in één van de wanden
staat een grote handafdruk: de signatuur
van de bouwmeester Mallam Mikhaila. De moskee
werd in ongeveer 1837 voltooid, in de eerste
periode nadat de Fulani jihadisten de macht
in het Emiraat hadden overgenomen. Onder
leiding van de uit Sokoto afkomstige bouwmeester,
zijn zonen en kleinzonen leverden ruim honderd
slaven, volgens bronnen uit die tijd althans,
een bijna perfekt bouwwerk af. Bij de inwijding
zou de Sultan van Sokoto hebben opgemerkt
"dat er niets aan verbeterd, noch aan
toegevoegd hoefde te worden". Een advies
dat helaas door de huidige Emir van Zaria
in de wind werd geslagen.
De nazaten van de bouwmeester, de Sarkin
Magina, wonen nog steeds in wijk Babban
Gwani op de grond die destijds door de Emir
aan hun illustere voorvader werd geschonken.
Eenmaal van de geasfalteerde weg af, wandelen
we terug in de tijd want gemotoriseerd verkeer
is hier niet mogelijk. De hele wijk bestaat
uit lemen huizen en net als in op dezelfde
manier opgebouwde steden Ségou en
Djenné in Mali zijn de huizen naar
binnen gericht en loopt men door straatjes
met vrijwel alleen door deuropeningen en
zelden door ramen onderbroken muren. Riolering
is er ook niet, dat is goed te zien aan
het huishoudelijke afvalwater dat als een
beekje door de smalle straten naar het laagste
punt in de wijk stroomt alwaar het een stinkende
plas vormt en een ideale broedplaats van
malaria verspreidende muggen. Volwassen
vrouwen en huwbare dochters blijven ook
hier uit het gezicht, maar het aantal kinderen
dat uit het niets opduikt bij het verschijnen
van een Bature, een blanke, en een aantal
mensen van het paleis is zoals overal in
Afrika overweldigend. Het doel van ons bezoek
is het huis van de huidige Sarkin Magina,
wiens huis een pronkstuk van Hausa architektuur
zou zijn. Boven de deur van het huis is
een bord besvestigd waarop "Gidan Sarkan
Magina - Balaraba Zaria" - huis van
de Sarkin Magina (opperbouwmeester) - Balaraba
Zaria. Het blijkt dat de eigenaar zelf inmiddels
niet meer in zijn voorouderlijk huis woont,
maar elders in de wijk. Het duurt even voordat
hij geheel in stijl aangekleed met tulband
op het hoofd en al verschijnt, want dit
ruikt naar een officieel bezoek. Hoewel
wij hier naar toe zijn gekomen om rond te
kijken, worden we zelf uitgebreid bekeken
door de verzamelde kinderen die natuurlijk
op de foto moeten. Ik kan me maar met moeite
inhouden als ik mijn geliefde verzamelobjekt
de islamitische schrijfplank, de àllo,
weer eens in gebruik zie. Ik maak een paar
foto's van het jongetje van wie de plank
is terwijl hij de tekst die er op is geschreven
voor zich uit murmelt. Het verzamelen van
gebruiksvoorwerpen, wat deze planken zijn,
krijgt voor mij een extra dimensie door
de foto's waarop ik kan vastleggen hoe deze
dagelijks worden gebruikt.
De Sarkin Magina is een zeer vriendelijke
man van middelbare leeftijd die geen woord
Engels spreekt. Gelukkig ken ik de eenvoudige
Hausa begroetingen, zoals kana lafiyà
of yàyà de - hoe gaat het
met u?, yàyà màta -
hoe gaat het met uw vrouw?, yàyà
yâra - hoe gaat het met uw kinderen?,
yàyà aiki - hoe gaat het met
uw werk?. Het antwoord is steeds hetzelfde:
lafiyà of lafiyà kalau - het
gaat goed, want net als in het Yoruba is
het antwoord op deze uitgebreide begroeting
altijd: "het gaat goed, dank u".
Natuurlijk mag ik het huis bekijken en
er foto's van maken, maar veel verder dan
de hal van het huis zullen wij niet komen
"want hierachter zijn de vrouwenverblijven".
De zaurè - de ontvangstruimte van
de woning of liever het complex, want het
huis bestaat uit een groep zelfstandige
verblijven binnen een ommuurd erf en niet
uit een enkelvoudig huis zoals in Nederland
gebruikelijk is, de zaurè alleen
al is een bezoek waard. Terwijl de buitenkant
van het gebouw er vierkant stoer uitziet
en de facade in het geheel niet is gedekoreerd
is de zaurè een ruimte van ruim vier
meter hoog, kleiner van afmetingen dan de
ontvangstzaal van het paleis en daardoor
vele malen eleganter, ergo een meesterwerk!
De koepel wordt ondersteund door achtal
steunbogen die op het hoogste punt samenkomen
in een blauw en oranje gekleurde op een
rozet lijkende dekoratie. De steunbogen
zijn niet gedekoreerd met het gekartelde
motief zoals in het paleis en de moskee.
Als een dubbele lijst zijn er aan de bovenzijde
met elkaar verbonden en langs de binnenkant
van iedere twee bogen lopende gekleurde
lijnen aangebracht, een blauwe lijn aan
de buitenkant en een oranje lijn aan de
binnenkant. De steunbogen zijn verder over
de hele lengte gedekoreerd met direkt in
de leem aangebrachte motieven. Elders in
het huis schijnt nog wel een kamer te zijn
met gekartelde steunbogen, een foto van
deze kamer staat in het eerder genoemde
architectuur boek. Of deze kamer nog bestaat
is onzeker, want bij navraag blijken ook
de unieke uit leem vervaardigde en fraai
gedekoreerde ledikanten inmiddels te zijn
verdwenen. Als ik teleurgesteld reageer
wanneer de Sarkin Magina verteld dat de
ledikanten zijn afgebroken, biedt hij spontaan
aan om er een voor mij te bouwen zodat ik
kan zien hoe deze er hebben uitgezien. Ik
hoef alleen maar te laten weten wanneer
ik weer in Zaria zal zijn!
Boven de doorgangen naar de aan de zaurè
grenzende ruimten zijn eenvoudige, maar
sierlijke dekoraties aangebracht die nog
het meest op een op de kant liggend sterk
uitvergrote schuine drop lijken. In een
van deze ruimten is het plafond door de
regen naar beneden gekomen en de reparatie
is in volle gang. Hier is goed te zien hoe
een samenstel van in de muren verankerderde
stokken en stammetjes de basis vormt voor
het dak. Het ziet er allemaal niet al te
stevig uit, maar er is inmiddels al eeuwenlang
bewezen dat het systeem wel werkt.
De Sarkin Magina begeleidt ons terug naar
de auto en onderweg bekijken we nog een
paar mooi gedekoreerde gevels. Er zijn gelukkig
genoeg slecht onderhouden huizen en half
vervallen bouwsels die onthullen hoe muren
en daken door de Hausa bouwmeesters worden
gebouwd en zo word ik al wandelend in de
Hausa bouwkunst ingewijd.
De basis voor ieder bouwwerk is de tubali,
de handgevormde en in de zon gedroogde baksteen.
De basismaterialen voor ieder bouwwerk bestaan
hoofdzakelijk uit leem (birji) en grassen,
bomen en struiken en daarvan afkomstige
materialen zoals bladeren maar ook de as
die bij verbranding van hout en bladeren
ontstaat en soms metalen. De birji wordt
zowel gebruikt als basisgrondstof voor het
maken van de bakstenen als voor de funkties
die in Nederland door mortel worden vervuld:
het samenvoegen van stenen en het pleisterwerk.
Het verwerken van de grondstoffen gebeurt
nog immer geheel met handen en voeten, leem
wordt uit een put gegraven, nat gemaakt
en zoals bij het klassieke wijnpersen met
de voeten bewerkt totdat er een dikke pasta
ontstaat. Nadat deze leempasta enige tijd
- tot een paar dagen - heeft gedroogd, volgt
de tweede bewerkingsgang. De pasta wordt
opnieuw natgemaakt en met de voeten gekneed
waarna de tubali met de hand worden gevormd.
Afhankelijk van de kwaliteit van de leem
wordt de massa verstevigd met stukjes datsi,
een strokleurige grassoort.
Voor het maken van tubali zijn er volgens
mijn zegsman minstens drie personen nodig:
één voor het aanleveren van
de grondstof, één voor het
vormen van de churi en de tubalimaker. De
leempasta die klaar is voor verdere bewerking
wordt in grote koeken aangeleverd bij de
churi maker. Zittend op de grond neemt deze
keer op keer een stuk leem met een diameter
van een ongeveer dertig centimeter uit de
massa en rolt dit een aantal malen heen
en weer tussen zijn gespreide benen en vormt
door het aan de zijkanten stevig in te drukken
een soort broodje. De aldus gevormde churi
gooit hij naar de nabij hurkende tubalimaker,
die de churi bewerkt als een bakker die
deeg voor een brood aan het kneden is. Hij
rolt de churi uit tot een cilinder en vormt
door het uitrollen van de uiteinden een
soort dubbelzijdige conus, dik in het midden
en puntig uitlopend aan de uiteinden. Aan
het eind van deze bewerking wordt de tubali
in wording opgetild en met kracht tegen
de grond geklapt, waarna de conische tubari
klaar is. Deze vorm van de tubali is het
best te vergelijken met een suikerbiet,
waarvan het loof en de bovenkant met een
stevige klap van een kapmes is verwijderd.
De tubali worden nu in hopen in de open
lucht gedroogd en zijn na een week of twee
klaar om te worden verwerkt in het bouwwerk
in wording. Voor het bouwen van muren heb
je tubali en mortel nodig. Mortel dat wordt
bereid uit dezelfde leemachtige pasta die
de basis voor de tubali vormt, maar afhankelijk
van de toepassing ergo metselen of pleisteren
verder wordt bewerkt want voor metselwerk
is een dikkere en steviger massa nodig.
Aan de leem wordt ter versteviging over
het algemeen niet alleen gras toegevoegd
maar vaak ook paardenmest. Deze massa wordt
natgemaakt en met de voeten gekneed, dit
proces wordt dagelijks gedurende ongeveer
een week herhaald voordat de mortel kan
worden gebruikt.
Het bouwen van huizen vindt normaliter plaats
op de ongebroken keiharde grond, het breken
van de aarde zou de ondergrond immers onnodig
verzwakken. Afhankelijk van hoe dik een
muur moet worden, worden er rijen tubali
uitgezet, die vervolgens met mortel worden
overdekt. De mortel wordt met de handen
tussen de tubali gedrukt en aan de bovenzijde
afgevlakt, waarna de volgende laag tubali
wordt geplaatst. Dit wordt herhaald totdat
het bouwwerk de gewenste hoogte heeft bereikt.
Voor het maken van steunbogen of steunberen,
daken en deurposten wordt hout gebruikt
dat afkomstig is van de lokaal groeiende
palmbomen. De stukken hout die worden verwerkt
heten azara, maar zijn na verwerking onzichtbaar
omdat ze uitsluitend ter versteviging van
de struktuur dienen. Zo worden om een deurpost
te maken bundels hout in de nog zachte mortel
van de zijkanten van een deuropening geplaatst,
die vervolgens met mortel worden afgestreken
om de gewenste verdikking of ondersteuning
te verkrijgen. Voor de versteviging van
de bovenzijde van de deurposten of ramen
worden de azara op de twee op hoogte gebrachte
muren van de te maken opening gelegd en
vervolgengs met mortel afgewerkt. Hetzelfde
principe wordt ook gevolgd voor de andere
verstevigende of ondersteunende elementen
in het gebouw, wil je een boog bouwen of
een gewelfd dak dan worden er bundels azaro
schuin in de zachte mortel van de muren
bevestigd en naderhand met mortel afgewerkt.
Wat mij betreft is het palmbomenhout gewoon
de Hausa versie van betonijzer.
Azara vervult tenslotte ook nog een rol
bij de afvoer van het hemelwater. Hoog in
de gevels steken er paarsgewijs schuin tegen
elkaar geplaatste stukken azara naar buiten
die als afvoergoot dienst doen, hoewel er
tegenwoordig ook vaak stukken ijzer of uit
klei gebakken pijp wordt toegepast. De regenwaterafvoer
is erg essentieel omdat het dak meestal
lager ligt dan de gevelmuur en er bij gebrek
aan goede waterafvoer een last kan ontstaan
die tot lekkage of zelfs instorting van
het dak kan leiden, zoals ik net tevoren
nog in het huis van de Sarkin Magina had
gezien.
Het pleisterwerk van een eenmaal gereed
gebouw en ook andere uiterlijke verfraaingen
zijn "the icing on the cake".
Een veel voorkomende geveldekoratie is de
zanko, een puntig uitsteeksel op hoeken
van een gebouw of uitstekende onderdelen
van de gevel, zoals bijvoorbeeld vaak het
geveldeel waar zich de ingang tot het gebouw
bevindt. De zanko is een soort uitroepteken
dat bepaalde elementen van het gebouw accentueert.
Hoewel de overgrote meerderheid van de gebouwen
gewoon glad is afgepleisterd, laten degenen
die zich dit kunnen permiteren de buitenkant
van hun huis verfraaien door in het pleisterwerk
dekoraties aan te laten brengen. Dit zijn
niet altijd de gangbare geometrische motieven.
Zo zie ik een aantal woningen waar halverwege
de de buitenmuren, aan de bovenkant daarvan,
op hoeken en rond de raam- en deuropeningen
een brede band pleister in een lichtere
kleur is aangebracht die de buitenkant van
het huis in vierkante vlakken verdeelt.
In de zelfde kleur zijn er dan binnen die
vlakken soms strakke bloem- of stermotieven
als het ware op de muur geschilderd. Maar
ook de negatieve manier van dekoreren komt
voor, het aanbrengen van een donkere pleisterop
de lichtere lemen ondergrond, waarna door
het verwijderen van een deel van de donkere
deklaag de motieven zichtbaar worden gemaakt.
In tegenstelling tot de met de hand op de
gevel aangebrachte geometrische motieven
die veel ronde speelsheid kennen en er uitzien
als slagroom dat op een taart is gespoten,
zijn de andere motieven niet alleen geheel
vlak maar ook veel strakker van vormgeving.
Terug in de auto bekent Ahmed dat hij nog
nooit eerder in Babban Gwani is geweest
en dat het bezoek aan de Sarkin Magina voor
hem net zo leerzaam was als voor mij. Nu
we toch aan het bekijken zijn wat er uit
leem kan worden gemaakt, wil ik op zoek
gaan naar lokaal gemaakt aardewerk. Waar
ik ook ga in West Afrika is dit een vast
onderdeel van mijn programma, maar in Zaria
valt het allemaal wat tegen. Ik word meegenomen
naar een plek waar in grote hoeveelheden
potten tegen de buitenkant van een huis
zijn opgestapeld, maar het zijn saaie lompe
en in het geheel niet gedekoreerde potten.
Pas later kom ik er achter dat het hier
om potten gaat die in Zaria worden gebruikt
voor het begraven van de doden en daarbij
een soort doodskist-funktie vervullen. Moslims
begraven hun doden gekleed in bij voorkeur
witte kleding direkt in het gedolven graf,
stukgeslagen potten worden gebruikt om het
lichaam af te dekken alvorens het graf wordt
dichtgemaakt. Andere potten zal ik niet
zien, hoewel ik zeker weet dat die wel ergens
te koop moeten zijn. Het overkomt me vaker
dat als ik naar lokaal aardewerk vraag,
men zich niet kan voorstellen dat ik aardewerk
bedoel dat ter plaatse voor huishoudelijk
gebruik dient, want een blanke heeft zoiets
toch niet nodig. In Benin City duurde het
ook een aantal bezoeken voordat ik uiteindelijk
op de markt terecht kwam waar de water-
en kookpotten werden verkocht en zo zal
het in Zaria ook wel gaan.
Overnachten doe ik weer in Kaduna en 's
avonds ga ik met een bevriend echtpaar naar
de kleinste bioscoop die ik ooit bezocht.
Achter een videoteek is een bioscoopzaal
met een dertigtal stoelen gebouwd en voor
iets meer dan een dollar zie ik "Forget
Paris" met Woody Allen. Een onderhoudende
film waarvan me slechts de daarin gegeven
definitie van nymfomaan is bijgebleven.
Wanneer een nogal hoogfrequent vreemdgaande
ex-vriendin van de hoofdpersoon in de film
wordt aangeduid als zijnde nymfomaan, wordt
dat door Allen afgedaan met "hoe durven
jullie dat nou nymfomaan gedrag te noemen,
ze heeft het hooguit wat moeilijk met het
trouw zijn aan één enkele
partner!"
De volgende dag vroeg in de ochtend weer
naar Zaria waarbij het opnieuw opvalt hoe
goed, in tegenstelling tot het zuiden van
Nigeria, de wegen zijn onderhouden, terwijl
er veel minder verkeer is. Langs de weg
geen bebossing, maar wel zeer vruchtbaar
landbouwgebied. Overal kleine dorpen en
volop mais op de akkers. In veel van de
dorpjes zijn nieuwe huizen gebouwd, geheel
in de traditie van de streek uit koperrode
leem. De vol met water staande leemputten
buiten de dorpjes zijn de stille getuigen
waar de bouwmaterialen zijn gewonnen. Langs
de weg en bij de tolhuisjes worden de produkten
van de streek aangeboden: guava, tomaten,
uien en aardappels in overvloed. Ook de
nomadische Fulani herders met hun kuddes
vormen hier een onderdeel van het landschap,
zoals in de hele savannengordel die tot
aan Senegal loopt het geval is. De Fulani
of Peul zijn makkelijk te herkennen aan
hun karakteristieke puntige met leer beklede
hoofddeksels, maar ook aan de haardracht
van de vrouwen - kleine vlechtjes- en hun
ranke lichaamsbouw.
De heersende klasse in het Sokoto kalifaat
zijn ook Fulani's, die nu bijna tweehonderd
jaar geleden de macht overnamen in de voornamelijk
door de Hausa bewoonde en geregeerde koninkrijken.
Ahmed's familie, de Bamalli's behoort tot
deze heersende klasse, met de Barri Barri,
de Katsina en de Sulubawa families leveren
zij in principe bij toerbeurt de Emir voor
het Emiraat van Zaria, hoewel de Sulubawa's
om onduidelijke reden tegenwoordig niet
meer mee mogen doen. De huidige Emir, Alhaji
Shehu Idris behoort tot de Katsina familie.
De dag begint met een bezoek aan Ahmed's
vader die toen Nigeria onafhankelijk werd
de eerste Minister van Buitenlandse Zaken
van de nieuwe republiek werd. Hij is inmiddels
80 jaar oud, maar nog buitengewoon bij de
pinken. In tegenstelling tot gisteren, toen
ik hem een kort beleefdheidsbezoek bracht
en hij nogal wat last had van zijn door
reuma aangetaste benen, zit hij vandaag
op zijn praatstoel en vertelt over het ontstaan
van het Sokoto Kalifaat, over het Emiraat
van Zaria en de plaats van zijn familie
in de geschiedenis. Dit is heel aparte ervaring
en natuurlijk vele malen leuker dan al die
verhalen in een boek te moeten lezen.
Het Kalifaat van Sokoto ontstond aan het
begin van de vorige eeuw in een periode
dat in de gehele toenmalige moslimwereld,
met uitzondering van het Ottomaanse rijk,
sprake was van grote onvrede onder de moslims
over de neergang van de invloed van hun
geloof. Naast het Arabisch schiereiland
was dit met name het geval in de Soedan,
een gebied in Afrika dat zich ten zuiden
van de Arabische Noord-Afrikaanse landen
uitstrekt van Senegal aan de Atlantische
Oceaankust tot aan de Rode Zeekust. In het
westen van de Soedan (in het huidige Senegal)
hadden hervormingsgezinde Fulanis in de
tweede helft van de 18e eeuw al een drietal
op strikt islamitische leest geschoeide
staten gevestigd die een voorbeeldfunktie
zouden gaan vervullen voor vele andere nog
te stichten staten. Dit gebeurde allereerst
in de voornamelijk door Hausas bewoonde
en geregeerde koninkrijken gelegen in een
gebied dat in het noorden van het huidige
Nigeria en Benin en het zuiden van Niger
ligt en waar de Fulanis een bestuurlijke
elite vormden. Hoewel de Fulanis een nomadisch
volk waren, en deels nog zijn, dat rondtrok
door de gehele westelijke Soedan, zette
hun islamitische geloofovertuiging ook aan
tot het vergaren van kennis. Beter opgeleide
Fulanis vestigden zich in de steden waar
religieuze centra waren gevestigd of traden
als ambtenaar in dienst in een van de vele
koninkrijken en vormden zo een volledig
geassimileerde bestuurlijke bovenlaag in
de Hausa staten. Hoewel in deze koninkrijken
veel moslims woonden, was er geen sprake
van volgens de islamitische principes ingerichte
staten, doch veeleer van staten waar de
traditionele godsdiensten naast of vermengd
met de islam een belangrijke rol vervulden.
Het slechts in naam beleiden van de islam
door de Hausa aristocratie was een doorn
in het oog van de streng gelovige fundamentalisten
van het eerste uur, in West Afrika beter
bekend als jihadisten.
Het koninkrijk Gobir was tegen het einde
van de 18e eeuw de machtigste Hausa staat.
Het koninkrijk dat kan worden gesitueerd
in een gebied dat ligt tussen de steden
Sokoto in noord-west Nigeria en Agadez in
midden-Niger. Snel verslechterende economische
en politieke omstandigheden binnen het koninkrijk
speelden de jihadisten in de kaart. Steeds
zwaardere belastingen op zowel handelsgoederen
als op vee, het verkopen van broeders in
het geloof als slaven, het ten oorlog moeten
trekken tegen geloofsgenoten, willekeur
in de rechtstspraak en toenemende corruptie
leidde tot een stemming die zowel de stadsbewoners
als de plattelandsbevolking rijp maakten
voor de revolutionaire ideeën van de
rondtrekkende islamitische predikers.
De uit Gobir afkomstige, maar tot het Fulanivolk
behorende, rondtrekkende prediker Malam
Usman Dan Fodio verklaarde zowel het gedrag
van de regerende elite als het heffen van
belastingen in strijd met het geloof. Dat
deze boodschap zowel bij moslims als niet-moslims
aansloeg behoeft geen verder betoog en Usman
Dan Fodio verwierf aldus veel aanhang onder
de bevolking voor het vestigen van een islamitische
staat. Hij leek dit doel aanvankelijk geweldloos
te zullen bereiken nadat via onderhandelingen
met Sultan Barwa van Gobir volledige godsdienstvrijheid
voor de moslims was bedongen en de belastingen
waren verlaagd. Na het overlijden van Barwa
maakte diens opvolger Nafata alle met zijn
vader gemaakte afspraken ongedaan en ging
zelfs zover burgers die zich tot de islam
hadden bekeerd te dwingen dit geloof weer
af te zweren. Nafata regeerde maar zes jaar
en werd in 1802 opgevolgd door zijn zoon
Yunfa. Deze liet een aanslag op het leven
van Usman Dan Fodio plegen en de deling
van de bevolking in een pro Yunfa kamp en
een pro fundamentalisten kamp begon zich
hierna steeds sterker af te tekenen. Usman
Dan Fodio trok zich terug uit de hoofdstad
van Gobir naar het grensgebied van de staat,
waar zich al spoedig volgelingen uit de
heel west Soedan rond hem verzamelden. Eén
van deze volgelingen moet dus Malam Musa
Bamalle, de betovergrootvader van Ahmed,
zijn geweest. Tegen zijn zin werd Usman
Dan Fodio door zijn volgelingen tot Amir
al Muminin - commandant van de gelovigen
- uitgeroepen en aldus gedwongen de strijd
met andere middelen aan te gaan. Aldus werd
de jihad, de strijd voor het vestigen van
een staat gebaseerd op de islamitische principes
zoals die eertijds waren ontworpen en toegepast
door de profeet Mohammed, werd uitgeroepen
tegen Gobir. Na jaren strijd viel de hoofdstad
van Gobir in 1808 in handen van de Jihadisten,
die echter een nieuwe hoofdstad bouwden:
Sokoto. Usman Dan Fodio werd de eerste Kalief
van het Kalifaat Sokoto. Medestrijders van
Usman Dan Fodio begonnen met zijn toestemming
jihads tegen andere Hausa staten die niet
zuiver in de islamitische leer waren en
die weigerden tot de traditionele godsdienst
behorende (heidense) gebruiken af te zweren.
Tot hen behoorde wederom Malam Musa Bamalle
die de strijd aanbond tegen de Emir van
Zaria, die er van werd beschuldigd afgoden
te aanbidden. Hij werd voor de keus gesteld
deze gewoonte op te geven of de stad te
verlaten en verkoos het laatste. Hij en
zijn medestanders verlieten de stad zonder
tegenstand te bieden en vervolgens werd
Malam Musa Bamalle de eerste Emir van Zaria
die wél recht in de leer was en die
Zaria onder het gezag van het Kalifaat van
Sokoto bracht.
Het recht in de leer zijn en blijven speelde
ook een rol toen de Engelsen in 1903 hun
protectoraat van Noord Nigeria vestigden
en de administratie van het Kalifaat van
Sokoto overnamen. Een nadrukkelijk onderdeel
van de overeenkomst tussen Lord Lugard,
de eerste gouverneur, en de Waziri, de groot
vizier van het Kalifaat, was dat de Engelsen
de islamitische instellingen ongemoeid zouden
laten. Dit ging zelfs zover dat het onderwijzen
van de Engelse taal, de taal van de christenen,
actief werd ontmoedigd totdat het duidelijk
werd dat dit de noordelijke bevolking op
achterstand plaatste in vergelijking met
de bevolking van zuid Nigeria. Ambtenaren
gerekruteerd voor de koloniale dienst dienden
de Engelse taal te beheersen en om te voorkomen
dat het Noorden door "vreemdelingen"
zou worden geregeerd, vond er een geleidelijke
omslag plaats naar onderwijs van en in de
Engelse taal. Alhaji Bamali, Ahmed's vader,
was een van de eersten die als gevolg hiervan
tijdens het voortgezet onderwijs Engels
taalonderricht kreeg. Dit leidde er uiteindelijk
zelfs toe dat hij boeken vanuit het Engels
in het Hausa ging vertalen waar ik achter
kom als we het over mijn belangstelling
voor de Hausa architectuur hebben en ik
hem vertel over hoezeer Zaria mij doet denken
aan Ségou en Djenné in Mali.
Hij haakt direkt in op Ségou en begint
over de Britse ontdekkingsreiziger Mungo
Park. Waarop ik hem vertel dat ik op de
plek in Ségou heb gestaan waar Mungo
Park, beroofd en van zijn kleren ontdaan
toestemming vroeg om Ségou binnen
te mogen, maar omdat men daar nooit eerder
een blanke had gezien hem die toegang wiegerde
daar de bewoners dachten dat hij een duivel
was. Alhaji Bamali lacht instemmend, hij
kent het hele verhaal want hij heeft in
de dertiger jaren het boek dat Mungo Park
over zijn ontdekkingsreis schreef vanuit
het Engels in het Hausa heeft vertaald!
We rijden Zaria in om het atelier van de
kleermaker van Ahmed te gaan bezoeken. Ook
hier weer een wijk zoals waar de Opper Bouwmeester
woont. Een volkomen onopvallend vierkant
gebouwtje aan de ingang van de wijk met
de omvang van niet meer dan een forse eenkamer
woning wordt mij terloops als moskee aangewezen.
Op mijn vraag hoe je dat nu kunt zien, komt
als reaktie "dat kan je toch wel zien!"
Ik moet mijzelf toch maar eens beter in
de moskeeherkenningstechnieken verdiepen,
want dit gebouwtje heeft geen minaret en
geen luidsprekers die de stem van de ten
gebed oproepende iman dusdanig versterken
dat niemand in de hele wijk kan ontkennen
de gebedstijd te hebben gemist. Net zoals
gisteren plassen stilstaand afvalwater en
kinderen die met een stok of stuk betonijzer
afgedankte pannendeksels als een soort kleine
hoepels door de buurt rollen. Na de zilveren
capsules van melkflessen en de afgedragen
kleding uit de zak van Max wellicht een
leuk alternatief ideetje voor een eigentijdse
inzamelingsaktie "Deksels voor Afrika!".
Het kleermakersatelier bestaat uit een niet
al te best verlichte ruimte waar een zestal
jonge mannen op de grond gezeten kleding
aan het borduren zijn. Zwart-Afrikaanse
kleding en borduren horen bij elkaar en
aan de patronen en hoeveelheid borduurwerk
op de kleding op het ruim vallende bovenkleed,
de babariga, herkent men de standing of
de gewenste standing van de drager ervan
in de maatschappij. Toen ik jaren geleden
mijn eerste Nigeriaanse "kostuum"
liet aanmeten, was de babariga zowel aan
de voorkant als aan de rugzijde bijna van
de schouders tot op de schoenen zwaar geborduurd.
Zelf vond ik het heel fraai, maar wellicht
wat te veel van het goede. Toen ik dit uitsprak,
werd ik streng terecht gewezen, want als
blanke (en dus rijk) was dit toch wel het
minste dat ik kon dragen om te voorkomen
als een beetje zielig te worden beschouwd.
Want "wie het breed heeft, laat het
breed hangen" gaat in Nigeria letterlijk
op. Het vinden van kleermakers die nieuw
zijn of van buiten Nigeria komen en die
dus nieuwe patronen meebrengen is een voortdurende
uitdaging, zelf liet ik zo een tijdje mijn
kleding in de Togolese hoofdstad Lomé
maken door de voormalige kleermaker van
de Senegalese president Diouf. Unieke patronen
en zeker niet goedkoop, maar tot grote tevredenheid
van mijn omgeving die dit volkomen bij mijn
vermeende status vond passen.
In Lagos wordt er machinaal geborduurd,
in het Noorden, waar nauwelijks industrie
en werk is, gebeurt dit met de hand. De
patronen worden met een potlood of viltstift
op de stof getekend, waarna er dagen achtereen
geborduurd wordt. Duizenden kleine steekjes,
zeven dagen in de week in een bedompte en
slecht verlichte ruimte.
Tot slot een bezoek aan de Queen Amina
Wall, de stadsmuur die Zaria eeuwenlang
tegen vreemde indringers heeft beschermd.
Zestien kilometer lang, op acht plaatsen
onderbroken door stadspoorten en een schoolvoorbeeld
van militaire Hausa bouwkunst. Maar helaas
zoals van zoveel dat ik in Zaria verwachte
te zien is ook van de muur niet meer over
dan resten van een zwaar in verval verkerend
verdedigingswerk en een dichtgegroeide verdedigingsgracht.
Hoe gek het ook klinkt, de erosie heeft
hier zwaar toegeslagen, regen en gebrek
aan onderhoud hebben duidelijk hun sporen
achtergelaten. De originele stadspoorten
zijn ook verdwenen en vervangen door moderne
betonnen poorten van het fantasieloze type
dat je overal in Nigeria tegenkomt, want
een stad behoort nu eenmaal een stadspoort
te hebben. De vervallen muur is eigenlijk
symbolisch voor alles wat hier vroeger was
maar er nu niet meer is: door verbouwing
verdween de originele gevel van het paleis
van de Emir, als een soort Afrikaanse Christo
verpakte de Emir de klassieke moskee in
een betonnen doos, het Bicycle House vernoemd
naar de fiets afgebeeld in de geveldekoratie
is verdwenen, de indigo verfputten zijn
niet meer in gebruik, de lemen ledikanten
in het huis van de opperbouwmeester zijn
afgebroken, de oude lemen stadspoorten vervangen
door betonnen en ditzelfde geldt voor steeds
meer klassieke lemen gebouwen.
Uiteindelijk heb ik mijn allerleukste ervaring
van de reis als wij al weer terug zijn in
Lagos. Onderweg van het vliegveld naar kantoor
gaat de telefoon en wordt geïnformeerd
naar het verloop van de trip naar Zaria.
Ahmed neemt het gesprek over en begint uitgebreid
te vertellen hoe dankbaar iedereen in Zaria
wel was omdat ik helemaal naar het noorden
ben gereisd om hun stad te bezoeken en zoveel
belangstelling heb getoond voor hun historie
en hun cultuur. Mij wordt slechts toegestaan
mijn dankbaarheid voor de genoten gastvrijheid
te tonen door mijn reiservaringen met mijn
vrienden te delen, hetgeen bij deze is geschied.
|