|
COULEUR LOCALE WEERZIEN MET BENIN CITY
(october 1996)
Het vlak bij Picadilly Circus gelegen Museum
of Mankind huisvest de etnografische collectie
van het British Museum. In één
van de zalen wordt al enige jaren onder
de noemer "Great Benin" een kleine
collectie hofkunst, rituele gebruiksvoor-werpen
en handwapens uit het voormalige West Afrikaanse
koninkrijk Benin getoond. Er hangt óók
een kopie van de kennelijk onvermijdbare
illustratie van "Een Koninklijke Optocht
in de Stadt Benin" uit de Naukeurige
beschryvinge der Afrikaensche Gewesten,
een boek geschreven door onze 17e eeuwse
landgenoot Olfert Dapper. Deze tekening
is niet gebaseerd op de eigen waarneming
van de illustrator maar, net als het boek,
gebaseerd op verslagen en verhalen van mensen
die Benin wel hadden bezocht. Het zelfde
geldt overigens voor de illustraties bij
de getoonde krantenartikelen uit de Illustrated
London News, die verslag doen van het Britse
strafexpeditie tegen het Koninkrijk en de
val van de stad Benin in februari 1897.
Wat wél een weergave van de werkelijkheid
is, is de grote foto van een in ceremonieel
tenue geklede traditionele Chief uit Benin.
Het bijschrift bij deze foto meldt dat dit
Chief Ize Iyamu is, "the overseer of
the wizards and the witches in the Benin
Kingdom".
Ieder keer als ik in London ben en ongeacht
de beschikbare tijd bezoek ik het Museum
of Mankind, ook als is dat maar voor een
kwartier. De expositie, die in december
1993 werd geopend, is nog steeds niet gesloten
en zodoende heb ik de afgelopen drie jaar
al zo'n keer of tien oog en oog gestaan
met Chief Ize Iyamu, zonder hem ooit in
levende lijve te hebben ontmoet. Dat verzuim
werd goed gemaakt toen we begin oktober
met een kleine groep collega's een zelfgeorganiseerde
weekendtrip naar het oude koninkrijk ondernamen.
In kilometers lijkt de afstand tussen Lagos
en Benin City nogal mee te vallen, het zijn
er ruim driehonderd, en op de wegenkaart
van Nigeria staat een autoweg, die hier
expressway wordt genoemd, tussen beide steden
getekend. Toch duurt het een goede vier
uur om de afstand te overbruggen, want sommige
stukken van de weg verkeren in zeer slechte
staat. Het weekend van onze reis staan er
toevallig een artikel en foto's in één
van de landelijke dagbladen, die de belabberde
toestand van deze belangrijke west oost
verbinding bekritiseren en illustreren.
Hoe slecht de toestand van de weg is ondervinden
wij zelf aan den lijve. Het eerste deel
van de reis gaat zeer voorspoedig. Van Lagos
naar Ore, ongeveer 200 km, duurt bijna twee
en een half uur. De resterende ongeveer
100 km duren nog eens bijna twee uur. Toen
ik eerder in dezelfde week naar Benin City
reisde, was dit deel van de weg nog min
of meer begaanbaar, maar nu is het gedaan
met het uithoudingsvermogen van het provisorische
wegdek van vette rode klei en is een stuk
van de weg afgesloten voor alle verkeer.
Door de modder doorsteken naar de parallel
lopende oude weg en er dan het beste maar
van hopen. Eens bestond het wegdek uit goede
kwaliteit asfalt, geleidelijk aan vielen
daar gaten in die werden opgevuld met een
wat mindere kwalititeit asfalt, later onststonden
er gaten die werden opgevuld met stenen
en klei, nog later werden de gaten alleen
nog maar opgevuld met klei. Maar de weerstand
van klei is niet erg groot in het regenachtige
gebied waar het moet dienen als wegdek voor
een voortdurend door zwaar vrachtverkeer
en bussen bereden weg. Grote gaten vol met
water zijn dan ook het logische gevolg,
leuk voor een ralleycross, maar minder geschikt
voor snelverkeer. Het ontbreken van spoor
en waterwegen en de hoge kosten van een
luchtreis, betekent wel dat dit voor de
meeste reizigers noodgedongen de enige verbindingsweg
tussen Lagos en het oosten van het land
is.
In Lagos ken ik een Godwin Ize Iyamu van
wie ik weet dat hij uit Benin City afkomstig
is en die bij navraag toegeeft een zoon
van de Chief van de foto te zijn. Via hem
kom ik in kontakt met de Overseer of the
wizards and the witches. Hoewel, het maken
van het eerste kontakt valt niet mee. Tijdens
een voorbereidend bezoek aan Benin City
is de Chief op de afgesproken tijd een paar
keer niet thuis, totdat hij vanuit Lagos
door zijn zoon tot de orde wordt geroepen.
Kennis maken, een kolanoot breken en het
op gin lijkende lokale brouwsel genaamd
ogogoro drinken en dan foto's kijken van
de inauguratie in 1975 van de Chief als
de "Esogban van het Koninkrijk Benin",
zoals zijn officiële titel luidt. Foto's
kijken geldt bij Nigerianen als een teken
van welkom en dat je wordt geaccepteerd
en dient om je kennis te laten met de familie.
Zo is het mij wel overkomen dat ik uren
naar een video van een trouwerij of een
andere belangrijke gebeurtenis in de familiale
sfeer moest kijken zonder dat ik ook maar
iemand kende. Maar ja, het gaat uiteindelijk
om de goede bedoelingen en zoals de ongeduldig
op zijn horloge kijkende buitenlander hier
vaak wordt voorgehouden "jij hebt een
horloge, maar wij hebben de tijd".
Er worden afspraken gemaakt met de Chief,
bij hem thuis zal ons bezoek aan de stad
gaan beginnen.
Omringt door zijn twee echtgenotes en de
Chiefs die hem ondersteunen bij het uitoefenen
van zijn taak als Esogban, ontvangt de 79
jaar oude Chief ons op de voorgalerij van
zijn huis. De andere aanwezige Chiefs zijn
dus een soort assistent Chiefs, want ook
onder Chiefs kent men rangen en standen.
Het huis is het oudste storey house, het
oudste huis met een etage, in Benin City
en werd in 1906 gebouwd, elf jaar ouder
als ik dus legt de Chief uit. De voorgevel
is blauwgroen geverfd en de door een zwaar
halfportaal omgeven voordeur is beschilderd
met uit potten opspringende planten, ongetwijfeld
symbolen van voorspoed en vruchtbaarheid.
Voordat we het huis mogen bekijken eerst
genieten van traditionele zang en dans uit
Benin door de Inneh Theatre Troupe International
of Nigeria. Volgens hun visitekaartje "For
the Best Cultural/Drama Presentation in
Any Occcasion". De heren van het gezelschap
gaan gekleed in de traditionele dracht:
een tot op de grond reikende en ruim vallende
rode omslagdoek met daarover een soort witte
schort, op hun ontblote borst dragen ze
strengen rode kralen. Wat voor kralen het
zijn is niet helemaal duidelijk, van bauxiet,
van kornalijn of misschien gewoon van plastic?
Bauxiet lijkt mij het meest waarschijnlijk.
Ook de dames hebben vele strengen van dezelfde
kralen om de hals en dragen een lange strapless
rood fluwelen omslagdoek. Hun eigen haar
is verborgen onder de koninklijke pruiken
van hoogopgemaakt haar dat is versierd met
grote rode kralen in de vorm van een kroon.
De artiesten worden tijdens hun optreden
als vanzelfsprekend "gesprayed",
dé Nigeriaanse manier om de artiesten
te laten merken hoezeer hun optreden wordt
gewaardeerd. Dit gebeurt door zich al dansend
naar de zanger of dansers te bewegen en
hun bankbiljetten op voorhoofd, hals of
bovenarmen te plakken. Iedere optredende
artiest is hierop goed voorbereid en heeft
iemand rondlopen wiens enige taak het lijkt
te zijn de zo verdiende bankbiljetten te
verzamelen. De geldverzamelaar van vandaag
blijkt aan het eind van het optreden van
de groep toch nog wat meer in zijn mars
te hebben. Kennelijk lening geworden door
het veelvuldig bukken en onder de luide
aangemoediging "Rubber Boy", voert
hij een grote lenigheid vereisende act op
die zijn naam alle eer aandoet.
Na de zang en dans legt Chief Ize Iyamu
uit wat zijn taak als Esogban inhoudt, het
valt nogal mee met de heksen en de tovenaars
want hij blijkt belast met het toezicht
op traditionele genezers die binnen het
Koninkrijk werkzaam zijn. Een beetje mystiek
tracht hij nog wel in stand te houden door
uit te leggen dat hij 's nachts buiten zijn
lichaam kan treden en dan grote afstanden
kan afleggen om bijvoorbeeld iemand in Japan
te genezen. Zijn zoon Osagie, die ons later
rondleidt, vertelt met een brede lach op
zijn gezicht dat dat allemaal nogal meevalt
en dat de oude heer nooit verder reist dan
Londen en uitsluitend met British Airways.
Het huis is van binnen veel groter dan
het van buiten lijkt en kan qua funktie
in tweëen worden gedeeld, het woonhuis
en zeg maar de tempel aan huis, diverse
ruimten met huisaltaren. Voor dat laatste
zijn we natuurlijk gekomen. De opzet van
dit deel van het huis is zoals men vaker
in West Afrika ziet: vierkante ruimten met
een deels open dak dat voor licht en frisse
lucht zorgt. Wat in de eerste ruimte direkt
opvalt is het altaar gewijd aan Igoun, de
god van het IJzer, dat voor een groot deel
bestaat uit een opvallende collectie veroeste
auto onderdelen. Het grote voorvaderlijke
altaar tegen de achterwand, recht tegenover
de ingang, mag wel worden bekeken maar niet
worden betreden met de schoenen aan. Dit
altaar wordt gebruikt om de eed af te nemen,
maar dan wel in een bepaalde zin en voor
zover ik het begrijp is het een soort leugendetector.
In geval van beschuldigingen over en weer
van bijvoorbeeld ontrouw in het huwelijk
wordt hier gezworen dat dit niet waar is,
pleeg je meineed dan overkomt je kort daarna
iets dat je zal bestraffen. Dit gebeurt
nooit direkt ter plaatse, maar meestal pas
na thuiskomst. In de ruimte staan verder
wat grote lage mannelijke drums en er hangen
beschermende fetisjen boven de deuren en
tegen de muren. De volgende ruimte bevat
het voormoederlijke altaar. Daar staan andere,
veel slankere, vrouwelijk drums en wat exemplaren
van het altaar van de hand, een kleine uit
hout vervaardigde cilinder, fraai besneden
met bovenop een kleine spitse handgreep.
Dit handaltaar wordt uitsluitend door vrouwen
gebruikt en behalve leden van het koninklijk
huis mag niemand anders een uit metaal vervaardigd
handaltaar hebben. De handaltaren worden
met name gebruikt voor het afsmeken van
persoonlijke voorspoed. Daarna komt de mooiste
ruimte van allemaal: het Olokun huisaltaar.
De ruimte doet me erg denken, en dit is
niet oneerbiedig bedoeld, aan een stal die
ik ooit aan huis had, kleine raampjes waar
mooi strijklicht doorheen valt en dat de
mystieke sfeer zo bevordert, een laag plafond
en wat ruw afgewerkt. Centraal in deze ruimte
het grote altaar gewijd aan Olokun met een
mooi terracotta beeld van deze god van het
water en de zee en ontegenzeggelijk de meest
populaire godheid van de stad. Over het
water was immers tijdens de bloeitijd van
het koninkrijk de welvaart gekomen, terwijl
water ook het leven symboliseert. Er zijn
diverse magische cirkels op de vloer getekend,
die niet mogen worden aangeraakt en ook
hier weer trommels en fetisjen.
Het woongedeelte van het huis heeft één
grote centrale binnenplaats. Op de eerste
etage zijn de privé vertrekken van
de Chief en zijn senior wife, op de begane
grond de woon- en slaapvertekken van de
jongere echtgenote en de kinderen, de keuken
en toiletten en de grote officiële
ontvangstruimte. In deze salon staat de
troonachtige stoel van de Chief en hangen
de foto's van zijn kinderen die, gezien
hun kleding, werden gemaakt toen zijn in
de Verenigde Staten afstudeerden.
Bij het afscheid vraag ik aan Osagie wie
van de zonen de taken van zijn vader zal
gaan overnemen, maar daar wordt een beetje
lacherig op gereageerd. Ach weet je de meesten
van ons wonen in de VS en zijn medisch specialist
of wiskundige en je kent Godwin hij is absoluut
niet geïnteresseerd. Osagie, die advokaat
is, slaat zichzelf gemakshalve maar over,
maar zijn gezicht spreekt boekdelen. In
de week na ons bezoek spreek ik met Godwin
die het niet echt belangrijk vindt dat de
oude tradities verloren gaan, hij vindt
wat zijn vader doet meer "een onschuldig
tijdverdrijf voor oude mannen die toch niets
anders te doen hebben". Zo is in noorderlijker
streken de belangstelling voor Wodan en
Donar waarschijnlijk ook teloor gegaan.
De bronsgieters van Igoun Street zijn niet
in al te grote vorm vandaag. Hoewel vooraf
bij herhaling was beloofd dat er tijdens
ons bezoek brons gegoten zou worden, zijn
de heren helaas nog niet zo ver. Volgens
een bericht dat ik uit een krant van zo'n
twee jaar geleden knipte, betreft het hier
trouwens een bedreigd ambacht omdat er een
gebrek aan grondstoffen, meestal metaalafval,
dreigt. De uitleg over hoe bronsgieten volgens
de verloren wasmethode werkt blijft helaas
beperkt tot het bekijken van wat mallen
van geharde rode klei en wat roodgloeiende
smeltkroezen die in een vuurtje, aangedreven
door de zo karakteristieke uit groot formaat
toiletontstoppers opgebouwde blaasbalgen,
op temperatuur liggen te komen. De brongsgieters,
die nog steeds in co operaties zijn georganiseerd,
zijn overigens een goed voorbeeld van de
eeuwen oude gildegewijze organisatie van
de ambachten en de arbeidsverdeling in het
Koninkrijk.
Jammer dat er weinig te beleven valt, maar
zoals zo vaak gebeurt er vlak bij iets anders
dat ook interessant is. Naast de werkplek
van de bronsgieters klinkt handgeklap en
gezang op vanuit wat op het eerste gezicht
een huis lijkt, maar bij navraag een plaats
van samenkomst van Olokun adepten blijkt
te zijn. Het altaar tegen de gevel van het
huis had dat natuurlijk al duidelijk moeten
maken. Normaal gesproken zijn deze bijeenkomsten
niet toegankelijk voor mannen en mogen er
geen foto's worden gemaakt, maar wat bankbiljetten
helpen dit probleem op te lossen. Schoenen
uit en naar binnen. In de kleine schemerige
ruimte begeleidt het zingen en het ritmisch
handgeklap van een vijftiental dicht opeen
zittende vrouwen het dansen van de priesteres
en een paar van de andere aanwezigen. Na
één of twee foto's onstaat
er een woordenwisseling over onze aanwezigheid,
hoewel we de taal niet verstaan is het wel
duidelijk dat onze monetaire bijdrage kennelijk
schril afsteekt tegen wat andere blanke
bezoekers bij een eerder bezoek bereid waren
te betalen. Na vlug nog wat foto's te hebben
gemaakt, trekken we onze schoenen maar weer
aan en vertrekken.
De in het centrum van de stad, vlak bij
het koninklijk paleis gelegen Obamarkt is
een zogenaamde moderne markt, dat wil zeggen
dat de markt is gevestigd in een groot uit
beton opgetrokken gebouw met meerdere verdiepingen.
De marktvrouwen, in het zuiden van Nigeria
zijn markkooplieden zeldzaam, bieden hun
waren te koop aan vanuit een door muurtjes
van zo'n anderhalve meter hoog van elkaar
gescheiden open verkoopruimtes. Dat is niet
het enige dat de markt overzichtelijk maakt,
ook het bij elkaar groeperen van verkoopsters
van hetzelfde assortiment draagt hier aan
bij. Wij willen "made in Benin City"
aardewerk kopen en vinden het totale aanbod
vlak bij een achteringang van de markt.
't Is het gedeelte waar tevens de traditionele
apotheek is gevestigd, daar waar de grondstoffen
voor geneesmiddelen worden verkocht die
de traditionele genezers hun patiënten
voorschrijven. De moderne markten zijn helaas
nogal sfeerloos, zeker in vergelijking met
bijvoorbeeld de Yankara Markt in het midden
van het oude Lagos, waar de mystiek die
de traditionele geneeswijze omringt letterlijk
voelbaar is. Daarbij vergeleken is de sfeer
in Benin City nogal koeltjes. De ogenschijnlijk
vreemde combinatie van apotheeek en aardewerk
is logisch als men de funktie van de potten
die hier worden verkocht begrijpt. Een bepaald
type potten wordt gebruikt bij de Olokun
rituelen en Olokun de god van het Water,
is zoals gezegd nog steeds erg populair
in de stad. Olokun wordt vooral geraadpleegd
door vrouwen die een kind wensen, maar ook
voor materiële voorspoed en geluk in
het algemeen. Dit komt deels tot uitdrukking
in de decoratie op de van vier kleine handgrepen
voorziene bolvormige aardewerk pot. Overal
op de pot kauri schelpen en tussen de handgrepen
het herhaalde motief van de hoge slanke
trommel, een staf en een naar boven kruipende
slang. Slangen zijn de boodschappers van
Olokun en symboliseren in verticale vorm
de verbinding tussen de aarde en het rijk
der geesten, terwijl de kauri schelpen,
die vroeger als geld werden gebruikt, materiële
voorspoed symboliseren. Behalve de licht
geglazuurde Olokun potten liggen er ook
stapels potten die een zilverbad achter
de rug hebben en er werkelijk afschuwelijk
uitzien, in mijn ogen althans. Heel toepasselijk
worden er naast de Olokun potten ook echte
waterpotten verkocht. Deze ronde potten,
die in hoogte variëren van 30 tot 50
cm, zijn op een eenvoudige maar een voor
mij intrigerende manier gedecoreerd. Eerst
een horizontaal velopende band van een centimeter
of zes die een golfachtige beweging suggereert,
daaronder een vertikale band van zo'n vier
centimeter breed die er uit ziet als voren
getrokken in een akker en tenslotte tot
op de bodem van de pot ruimtelijke aangebrachte
horizontale strepen van verschillende breedte.
Als ik de pot omkeer en op de schenkrand
zet, zie ik een fraai landschap voor me.
In Benin City zijn deze potten een alledaags
gebruiksvoorwerp en het water dat erin wordt
bewaard blijft volgens zeggen heerlijk koel,
onze belangstelling is iets raars, blanken
hebben toch immers allemaal stromend water
en een koelkast in huis?
De Ogiamien, wiens huis ik een jaar of
vier geleden al eens bezocht, woont niet
langer in het voorvaderlijke uit klei opgetrokken
huis. Het huis, het oudste in Benin City,
is volgens zeggen het enige dat de verwoesting
van de stad in 1897 doorstond. De buitenmuur
heeft een dekoratie van brede horizontale
strepen, hét kenmerk van huizen waarin
een hoogeplaatste Chief woont, want hooggeplaatst
is de Ogiamien. Hoewel in Benin titels over
het algemeen niet erfelijk zijn, wordt de
titel van Ogiamien al eeuwen lang van vader
op zoon doorgegeven. Ooit was er een dispuut
tussen de voorouders van de Oba en die van
de Ogiamien over wie recht had op de troon.
De Oba's familie won, maar volgens de traditie
moet iedere nieuw te kronen Oba eerst met
de Ogiamien een schijngevecht om de troon
leveren voordat hij deze kan bestijgen.
Dat de Ogiamien niet meer in het oude huis
woont is goed te zien, het ziet er verwaarloosd
uit en het eerder aanwezige meubilair is
verdwenen. Ik heb ook de indruk dat veel
van de voorouderstaffen en andere altaarobjekten
er niet meer zijn, maar heb de foto's van
mijn vorige bezoek niet bij me om dit te
kontroleren. De collega Chiefs spreken er
overigens schande van dat de Ogiamien gekozen
heeft voor een moderne woning in een van
de buitenwijken van de stad. Hij hoort tussen
zijn onderdanen te wonen en niet tussen
de andere welgestelden, noblesse oblige
punt uit.
Kings Square ligt het hart van de stad
en wordt door de lokale bevolking trots
het grootste verkeersplein van Afrika genoemd.
In het midden van het plein is het Benin
City filiaal van het National Museum van
Nigeria gevestigd. Zoiets moet men zich
voorstellen als het vestigen van het Rotterdamse
Museum voor Land en Volkenkunde midden in
een sterk vergroot Hofplein (waar nu de
fontein staat), maar dan met spitsuurverkeer
dat de hele dag duurt en zonder dat het
door verkeerslichten in toom wordt gehouden.
Het bruin gepleisterde museumgebouw bestaat
uit drie op elkaar gestapelde cirkels, die
door de museumdirektie trots galerijen worden
genoemd. Van buitenaf kan er weinig binnenvallend
licht worden verwacht, want de buitenmuur
heeft geen ramen. De open cilinder aan de
binnenkant van de cirkel heeft wel paar
ramen, maar daar hangen halfgesloten gordijnen
voor. Het museum maakt dezelfde verwaarloosde
indruk als de meeste museums in Nigeria.
"Lack of Funds" gebrek aan geld
dat de bij het Nationale Museum werkzame
hogere ambtenaren zelden weghoudt bij de
liefst in Europa of de VS georganiseerde
congressen, wordt hiervoor steevast als
excuus gegeven. Omdat ook de belichting
slecht is of niet werkt, komt de niet onaardige
maar ook weer niet erg bizondere collectie
nauwelijks tot zijn recht.
Aldus moet de op de begane grond geëxposeerde
collectie hofkunst dan ook in het schemerduister
worden bekeken. Indien de verslaggeving
over de Britse strafexpeditie van 1897 tegen
Benin en het grondige leegroven van het
paleis nadat de stad eenmaal was ingenomen
de werkelijkheid ook maar enigszins benadert,
dan is het toch al verwonderlijk dat het
museum nog hofkunst kan tonen. Na het nog
eens doorlezen van een aantal catalogi en
boeken vraag ik me trouwens af welk deel
van de hofkunst die nog in Nigeria te zien
is, echt is of is nagemaakt. Want wat er
nog over is, lijkt slechts te danken aan
het wat slordige jatwerk van de veroveraars.
De weinige gegoten bronzen platen boeien
mij in het bizonder omdat de funktie zo
duidelijk lijkt, dekoratief, maar toch zo
mysterieus is. De platen worden soms eenvoudig
benoemd als bronzen of messing platen, maar
ook wel als palace plaques. Het gaat hier
inderdaad om hofkunst en de afbeeldingen
op de platen hebben bijna uitsluitend betrekking
op het leven aan het hof en wat daarmee
verband hield, zoals de lokale godsdienst
waarvan de Oba de verpersoonlijking was.
Tegen deze achtergrond lijkt "palace
plaques" de omschrijving te zijn die
het beste bij de platen past.
Alle wereldwijd bekende platen zijn vierkant,
met verticale en horizontale afbeeldingen
en variëren in afmeting, zowel in de
hoogte als in de breedte, tussen 50 cm en
15 cm. Buiten het toegepaste materiaal en
de samenhang van de motieven is de datering
een ander gemeenschappelijk kenmerk. De
ongeveer 900 platen die door de Britten
in 1897 als krijgsbuit uit het paleis werden
meegenomen en die toen volgens ooggetuigen
waren bedekt door het vuil van eeuwen, dateren
waarschijnlijk uit het begin van zeventiende
eeuw. Het aardige van zowel de beperkte
kennis over het gebruik van de platen als
over de datering is dat deze is gebaseerd
op boeken en verslagen van landgenoten.
In de eerste plaats is daar Olfert Dapper
die in zijn boek uitgebreid beschrijft hoe
de wanden en pilaren in het paleis van de
Oba met platen van messing zijn behangen,
het door hem gebruikte reisverslag werd
in ongeveer 1640 geschreven. Daarnaast in
er een in 1705 gepubliceerd boek van Willem
Bosman, waarin een brief van David van Nyendael
uit 1702 wordt aangehaald. Van Nyendael
beschrijft zijn bezoek aan Benin en rapporteert
dat het koninklijk paleis tijdens een hevige
onweersstorm zwaar werd beschadigd. De in
het boek van Dapper omschreven funktie wordt
aardig gedemonstreerd in het British Museum
in Londen. Daar ziet de bezoeker bij het
beklimmen van de brede trap direkt aan de
linkerzijde van de hoofdingang een permanente
en imposante collage van twee en zestig
palace plaques, alsof het een wand in het
vroegere paleis is.
Wetenschappelijke dateringstesten op een
beperkt aantal platen schijnen de theorie
te bevestigen dat de platen hoofdzakelijk
in de eerste helft van de zeventiende eeuw
werden gegoten en dat men daarna om onbekende
reden is gestopt. Hoewel, de bronsgieters
in Ogoun Street maken ze alweer een tijdje,
want in het Museum hangt een plaat uit 1937
die overigens buitengewoon slordig is opgelapt,
want het woord "gerestaureerd"
zou te veel eer betekenen voor dit broddelwerk.
De afbeeldingen op de platen zijn of van
mensen of van dieren zijn twee-dimensionaal
en lijken in de plaat te zijn gestanst.
De menselijke afbeeldingen zijn veelal van
hoogwaardigheidsbekleders en muzikanten,
maar er zijn ook afbeeldingen van Portugese
soldaten. De Portugezen waren de eerste
Europeanen die laat in de vijftiende eeuw
Benin bezochten. De afbeeldingen van de
dieren zijn van slangen, vissen, krokodillen,
luipaarden en een onbenoemde mythologische
vogel, allemaal dieren die aan de lokale
godsdienst en macht zijn gerelateerd. Op
de achtergrond, in het vlakke deel van de
plaat, zijn vaak vierbladige motieven geëtst
die verband zouden houden met de Olokun
verering. Maar ook op het hoofdmotief zelf
zijn de fijnere patronen niet gegoten maar
geëtst. Er wordt nog steeds naar de
funktie van de platen gegist, er moet toch
meer zijn dan een zuivere dekoratieve funktie?
Door het ontbreken van geschreven geschiedenis
blijft het inderdaad gissen. Toch schijnt
het dat de platen soms als referentiemateriaal
dienden voor bepaalde hofrituelen, of waren
het wat de menselijke afbeeldingen betreft
gewoon een vroege vorm van fotografie? In
het National Museum hangt een plaat waarop
een hoofd met vier benen staat afgebeeld,
volgens het bijschrift gaat het hier om
een doodsvonnis per post: de ontvanger van
een dergelijke plaat zou op deze wijze op
de hoogte worden gesteld dat hij ter dood
was veroordeeld! Dit is de enige zeer stellige
bewering over de funktie van een plaat die
ik tot op heden heb gelezen.
Van het paleis van de Oba van Benin krijg
je over het algemeen slechts een oppervlakkige
indruk, het paleis bezoeken valt niet mee.
Hoewel er volgens Chief Ize Iyamu gewoon
een afspraak met de Oba kan worden gemaakt
en ik ook via één van zijn
in Lagos wonende zoons nog pogingen had
ondernomen, bleef het antwoord "nee,
de Oba kan helaas op zondag geen bezoekers
ontvangen". Acheraf bleek dit een beleefde
manier om vreemdelingen buiten te houden,
omdat er tijdens ons bezoek was een dusdanig
druk komen en gaan was dat onze gids eerst
niet eens tijd had om ons rond te leiden.
Toen we anderhalf uur later terug kwamen,
was het wat rustiger geworden en mochten
we onder begeleiding van Henry Enobakhare
de voorgevel van het paleis bekijken. Het
huidige paleis werd in 1914 gebouwd op de
plaats waar eerder de door de Engelsen in
1897 verwoeste koninklijke woning stond
en ligt, hoe kan het ook anders, vlak bij
Kings Square. De enige manier om een goede
indruk van de omvang van het koninklijke
complex te krijgen is door er om heen te
rijden, want naar binnen mogen we niet.
Het grootste deel van de buitenmuur vertoont
dezelfde horizontale streep die men op de
huizen van andere hoogwaardigheidsbekleders
ter plaatse ziet. Het gebouw zelf is weinig
indrukwekkend, tegenwoordig is het wonen
in imposante moderne paleizen in Afrika
uitsluitend voorbehouden aan de nieuwe machthebbers.
Henry is de senior amada van de Oba en vertelt
over de historie van Benin aan de hand van
de terracotta afbeeldingen van vroegere
monarchen die in de gevel zijn gemetseld.
Voordat Henry aan de rondleiding begint
vraagt hij bezorgt of alle dames in het
gezelschap op de hoogte zijn gebracht van
het feit dat de palace boys niet mogen worden
aangeraakt. De palace boys of amada's zijn
de bedienden van de Oba en leven een kuis
bestaan. Zij zijn herkenbaar aan hun uniform,
dat uit een mouwloos kort jakje en korte
broek bestaat, en hun koperen enkelbanden.
Vroeger waren de amada's nog gemakkelijker
te herkennen, want tot in de dertiger jaren
droegen zij helemaal geen kleren. De echtgenote
van een bezoekende hoge koloniale ambtenaar
was daardoor zo onthutst dat de Oba uit
respect voor de nieuwe heersers het gebruik
afschafte. De senior amada vergezelt de
Oba waar deze ook gaat of staat en is bij
officiële gebeurtenissen de drager
van de Ada, het ceremoniële zwaard,
dat in Benin het teken van koninklijke waardigheid
is.
Veel volken in Afrika ten zuiden van de
Sahara, donker Afrika derhalve, hebben ingekerfde
tatoeages op het gezicht of op het lichaam.
De tatoeages op het gezicht worden meestal
aangebracht als een herkenningsteken van
de herkomst van de dragers (tribal marks),
maar dienen ook als een permanente vorm
van verfraaing van het lichaam. In het koninkrijk
Benin bestond er een ongeveer vierhonderd
jaar oude traditie van het dragen van de
lichaamstatoeage als een herkenningsteken
van stamverwantschap. In de jaren dertig
van deze eeuw werd de verplichting tot besnijding
van het lichaam afgeschaft en is sindsdien
langzaam maar zeker aan het uitsterven.
De lichaamstatoeage wordt in Benin "Iwu"
genoemd en bestaat uit inkepingen op het
gezicht in het voorhoofd, de wangen en de
kin en op het lichaam in het bovenlichaam
en de buik als ook op de bovenarmen. De
Iwu is ook goed te zien op een aantal palace
plaques, maar wordt tot mijn verbazing niet
altijd als zodanig herkend. In een catalogus
uit 1991 van de tentoonstelling "Benin
Hofkunst uit Afrika" lees ik bijvoorbeeld
".......merkwaardig is de versiering
van het naakte lichaam van diep ingesneden
lijnen." En er wordt vervolgens geconcludeerd
dat het hier eerder om lichaamsbeschildering,
dan om lichaamtatoeage zou gaan.
Op het gezicht van één van
de oudere vrouwen die buiten het paleis
zit te wachten, herken ik de Iwu inkepingen
op haar gezicht. Ze heeft een volledige
vrouwelijke gezichtstatoeage die hier "Agbaguda"
heet. Deze bestaat uit totaal acht inkepingen:
drie op het voorhoofd, één
op iedere wang, één aan iedere
kant op de brug van de neus en één
op de kin. Waarschijnlijk heeft ze ook een
volledige uit zestien inkepingen bestaande
tatoeage op het bovenlichaam: twee op de
bovenarmen, twee als bretels getrokken inkepingen
die van de schouder naar de onderrug lopen
en van de schouder langs de buitenkant van
de borsten naar de liezen gaan, van de bovenkant
van het borstbeen twee inkepingen die langs
de binnenkant van de borsten worden gemaakt
en samen een soort driehoek vormen op de
buik boven de navel, vijf inkepingen die
als een gespreide hand van de navel over
de onderbuik lopen en tenslotte één
inkeping die van onder de linker borst tot
in de linker lies loopt! De mannelijke tatoeages
bestaan nog niet uit de helft van het aantal
inkepingen dat bij vrouwen werd gemaakt.
Er waren ook verschillen tussen de tatoeages
van gewone burgers en leden van het koninklijk
huis, bij de prinsen en prinsessen werd
bijvoorbeeld de gezichtstatoege achterwege
gelaten. Iwu tatoeages werden aangebracht
bij het volwassen worden, maar in ieder
geval vlak voordat men ging trouwen of voor
het eerste kind werd geboren. De tatoeage
werd uitgevoerd door een traditionele chirurg,
de Osiwu, die ook de besnijdenis van zowel
jongens als meisjes uitvoerde (en nog steeds
uitvoert).
Op verzoek mag een een foto van alle aanwezige
vrouwen worden gemaakt en ik maak stiekum
snel een close up van het gezicht met de
Iwu. Daarna via via navraag gedaan, ze spreekt
geen Engels, naar haar naam en leeftijd
van de vrouw met de Iwu. Ze heet Ehiosu
en weet niet hoe oud ze is, ze weet slechts
dat ze is geboren toen Oba Eweka II op de
troon zat en dat was van 1914 tot 1933.
Zijn opvolger Oba Akenzua II zou de verplichte
Iwu afschaffen.
Aan het slot van ons bezoek aan Benin City
maken we nog een tour de ville, niet dat
het zo'n bizondere stad is, maar gewoon
om dat vast te stellen. Typisch Nigeriaans
kleinsteeds, weinig hoogbouw, slecht onderhouden
wegen, stoffig en vooral veel mensen (maar
niet op zondag). Een stad ook waar de bevolking
nog steeds aan de oude tradities hecht,
maar dat is weer niet zo verwonderlijk als
men bedenkt dat het nog maar honderd jaar
geleden is dat de kerstening begon. Zo komen
we al toerend langs een traditionele rechtbank,
waar dezelfde eden worden gezworen als bij
het altaar van Chief Ize Iyamu. De rechtbank
zit alleen op zondag en het is er erg druk.
Als we even later stoppen om te zoeken naar
wat nog rest van de middeleeuwse verdedigingsgracht
rond de stad, vinden we dat de traditie
letterlijk op straat ligt. Op een driesprong
van wegen ligt een uit stukgeslagen eieren,
gedode kuikentjes en andere niet nader te
duiden ingerediënten samengestelde
offerande, ongetwijfeld bedoeld als een
verzoek om spirituele hulp bij het vinden
van de goede weg in de zo gecompliceerde
moderne wereld. Wij stappen even later gewoon
weer in de bus en vinden zonder verdere
hulp gewoon weer onze weg terug naar Lagos.
|