Deze week maar één foto>>>>

COULEUR LOCALE WEERZIEN MET BENIN CITY (october 1996)

Het vlak bij Picadilly Circus gelegen Museum of Mankind huisvest de etnografische collectie van het British Museum. In één van de zalen wordt al enige jaren onder de noemer "Great Benin" een kleine collectie hofkunst, rituele gebruiksvoor-werpen en handwapens uit het voormalige West Afrikaanse koninkrijk Benin getoond. Er hangt óók een kopie van de kennelijk onvermijdbare illustratie van "Een Koninklijke Optocht in de Stadt Benin" uit de Naukeurige beschryvinge der Afrikaensche Gewesten, een boek geschreven door onze 17e eeuwse landgenoot Olfert Dapper. Deze tekening is niet gebaseerd op de eigen waarneming van de illustrator maar, net als het boek, gebaseerd op verslagen en verhalen van mensen die Benin wel hadden bezocht. Het zelfde geldt overigens voor de illustraties bij de getoonde krantenartikelen uit de Illustrated London News, die verslag doen van het Britse strafexpeditie tegen het Koninkrijk en de val van de stad Benin in februari 1897. Wat wél een weergave van de werkelijkheid is, is de grote foto van een in ceremonieel tenue geklede traditionele Chief uit Benin. Het bijschrift bij deze foto meldt dat dit Chief Ize Iyamu is, "the overseer of the wizards and the witches in the Benin Kingdom".
Ieder keer als ik in London ben en ongeacht de beschikbare tijd bezoek ik het Museum of Mankind, ook als is dat maar voor een kwartier. De expositie, die in december 1993 werd geopend, is nog steeds niet gesloten en zodoende heb ik de afgelopen drie jaar al zo'n keer of tien oog en oog gestaan met Chief Ize Iyamu, zonder hem ooit in levende lijve te hebben ontmoet. Dat verzuim werd goed gemaakt toen we begin oktober met een kleine groep collega's een zelfgeorganiseerde weekendtrip naar het oude koninkrijk ondernamen.



In kilometers lijkt de afstand tussen Lagos en Benin City nogal mee te vallen, het zijn er ruim driehonderd, en op de wegenkaart van Nigeria staat een autoweg, die hier expressway wordt genoemd, tussen beide steden getekend. Toch duurt het een goede vier uur om de afstand te overbruggen, want sommige stukken van de weg verkeren in zeer slechte staat. Het weekend van onze reis staan er toevallig een artikel en foto's in één van de landelijke dagbladen, die de belabberde toestand van deze belangrijke west oost verbinding bekritiseren en illustreren. Hoe slecht de toestand van de weg is ondervinden wij zelf aan den lijve. Het eerste deel van de reis gaat zeer voorspoedig. Van Lagos naar Ore, ongeveer 200 km, duurt bijna twee en een half uur. De resterende ongeveer 100 km duren nog eens bijna twee uur. Toen ik eerder in dezelfde week naar Benin City reisde, was dit deel van de weg nog min of meer begaanbaar, maar nu is het gedaan met het uithoudingsvermogen van het provisorische wegdek van vette rode klei en is een stuk van de weg afgesloten voor alle verkeer. Door de modder doorsteken naar de parallel lopende oude weg en er dan het beste maar van hopen. Eens bestond het wegdek uit goede kwaliteit asfalt, geleidelijk aan vielen daar gaten in die werden opgevuld met een wat mindere kwalititeit asfalt, later onststonden er gaten die werden opgevuld met stenen en klei, nog later werden de gaten alleen nog maar opgevuld met klei. Maar de weerstand van klei is niet erg groot in het regenachtige gebied waar het moet dienen als wegdek voor een voortdurend door zwaar vrachtverkeer en bussen bereden weg. Grote gaten vol met water zijn dan ook het logische gevolg, leuk voor een ralleycross, maar minder geschikt voor snelverkeer. Het ontbreken van spoor en waterwegen en de hoge kosten van een luchtreis, betekent wel dat dit voor de meeste reizigers noodgedongen de enige verbindingsweg tussen Lagos en het oosten van het land is.

In Lagos ken ik een Godwin Ize Iyamu van wie ik weet dat hij uit Benin City afkomstig is en die bij navraag toegeeft een zoon van de Chief van de foto te zijn. Via hem kom ik in kontakt met de Overseer of the wizards and the witches. Hoewel, het maken van het eerste kontakt valt niet mee. Tijdens een voorbereidend bezoek aan Benin City is de Chief op de afgesproken tijd een paar keer niet thuis, totdat hij vanuit Lagos door zijn zoon tot de orde wordt geroepen. Kennis maken, een kolanoot breken en het op gin lijkende lokale brouwsel genaamd ogogoro drinken en dan foto's kijken van de inauguratie in 1975 van de Chief als de "Esogban van het Koninkrijk Benin", zoals zijn officiële titel luidt. Foto's kijken geldt bij Nigerianen als een teken van welkom en dat je wordt geaccepteerd en dient om je kennis te laten met de familie. Zo is het mij wel overkomen dat ik uren naar een video van een trouwerij of een andere belangrijke gebeurtenis in de familiale sfeer moest kijken zonder dat ik ook maar iemand kende. Maar ja, het gaat uiteindelijk om de goede bedoelingen en zoals de ongeduldig op zijn horloge kijkende buitenlander hier vaak wordt voorgehouden "jij hebt een horloge, maar wij hebben de tijd". Er worden afspraken gemaakt met de Chief, bij hem thuis zal ons bezoek aan de stad gaan beginnen.

Omringt door zijn twee echtgenotes en de Chiefs die hem ondersteunen bij het uitoefenen van zijn taak als Esogban, ontvangt de 79 jaar oude Chief ons op de voorgalerij van zijn huis. De andere aanwezige Chiefs zijn dus een soort assistent Chiefs, want ook onder Chiefs kent men rangen en standen. Het huis is het oudste storey house, het oudste huis met een etage, in Benin City en werd in 1906 gebouwd, elf jaar ouder als ik dus legt de Chief uit. De voorgevel is blauwgroen geverfd en de door een zwaar halfportaal omgeven voordeur is beschilderd met uit potten opspringende planten, ongetwijfeld symbolen van voorspoed en vruchtbaarheid. Voordat we het huis mogen bekijken eerst genieten van traditionele zang en dans uit Benin door de Inneh Theatre Troupe International of Nigeria. Volgens hun visitekaartje "For the Best Cultural/Drama Presentation in Any Occcasion". De heren van het gezelschap gaan gekleed in de traditionele dracht: een tot op de grond reikende en ruim vallende rode omslagdoek met daarover een soort witte schort, op hun ontblote borst dragen ze strengen rode kralen. Wat voor kralen het zijn is niet helemaal duidelijk, van bauxiet, van kornalijn of misschien gewoon van plastic? Bauxiet lijkt mij het meest waarschijnlijk. Ook de dames hebben vele strengen van dezelfde kralen om de hals en dragen een lange strapless rood fluwelen omslagdoek. Hun eigen haar is verborgen onder de koninklijke pruiken van hoogopgemaakt haar dat is versierd met grote rode kralen in de vorm van een kroon. De artiesten worden tijdens hun optreden als vanzelfsprekend "gesprayed", dé Nigeriaanse manier om de artiesten te laten merken hoezeer hun optreden wordt gewaardeerd. Dit gebeurt door zich al dansend naar de zanger of dansers te bewegen en hun bankbiljetten op voorhoofd, hals of bovenarmen te plakken. Iedere optredende artiest is hierop goed voorbereid en heeft iemand rondlopen wiens enige taak het lijkt te zijn de zo verdiende bankbiljetten te verzamelen. De geldverzamelaar van vandaag blijkt aan het eind van het optreden van de groep toch nog wat meer in zijn mars te hebben. Kennelijk lening geworden door het veelvuldig bukken en onder de luide aangemoediging "Rubber Boy", voert hij een grote lenigheid vereisende act op die zijn naam alle eer aandoet.
Na de zang en dans legt Chief Ize Iyamu uit wat zijn taak als Esogban inhoudt, het valt nogal mee met de heksen en de tovenaars want hij blijkt belast met het toezicht op traditionele genezers die binnen het Koninkrijk werkzaam zijn. Een beetje mystiek tracht hij nog wel in stand te houden door uit te leggen dat hij 's nachts buiten zijn lichaam kan treden en dan grote afstanden kan afleggen om bijvoorbeeld iemand in Japan te genezen. Zijn zoon Osagie, die ons later rondleidt, vertelt met een brede lach op zijn gezicht dat dat allemaal nogal meevalt en dat de oude heer nooit verder reist dan Londen en uitsluitend met British Airways.

Het huis is van binnen veel groter dan het van buiten lijkt en kan qua funktie in tweëen worden gedeeld, het woonhuis en zeg maar de tempel aan huis, diverse ruimten met huisaltaren. Voor dat laatste zijn we natuurlijk gekomen. De opzet van dit deel van het huis is zoals men vaker in West Afrika ziet: vierkante ruimten met een deels open dak dat voor licht en frisse lucht zorgt. Wat in de eerste ruimte direkt opvalt is het altaar gewijd aan Igoun, de god van het IJzer, dat voor een groot deel bestaat uit een opvallende collectie veroeste auto onderdelen. Het grote voorvaderlijke altaar tegen de achterwand, recht tegenover de ingang, mag wel worden bekeken maar niet worden betreden met de schoenen aan. Dit altaar wordt gebruikt om de eed af te nemen, maar dan wel in een bepaalde zin en voor zover ik het begrijp is het een soort leugendetector. In geval van beschuldigingen over en weer van bijvoorbeeld ontrouw in het huwelijk wordt hier gezworen dat dit niet waar is, pleeg je meineed dan overkomt je kort daarna iets dat je zal bestraffen. Dit gebeurt nooit direkt ter plaatse, maar meestal pas na thuiskomst. In de ruimte staan verder wat grote lage mannelijke drums en er hangen beschermende fetisjen boven de deuren en tegen de muren. De volgende ruimte bevat het voormoederlijke altaar. Daar staan andere, veel slankere, vrouwelijk drums en wat exemplaren van het altaar van de hand, een kleine uit hout vervaardigde cilinder, fraai besneden met bovenop een kleine spitse handgreep. Dit handaltaar wordt uitsluitend door vrouwen gebruikt en behalve leden van het koninklijk huis mag niemand anders een uit metaal vervaardigd handaltaar hebben. De handaltaren worden met name gebruikt voor het afsmeken van persoonlijke voorspoed. Daarna komt de mooiste ruimte van allemaal: het Olokun huisaltaar. De ruimte doet me erg denken, en dit is niet oneerbiedig bedoeld, aan een stal die ik ooit aan huis had, kleine raampjes waar mooi strijklicht doorheen valt en dat de mystieke sfeer zo bevordert, een laag plafond en wat ruw afgewerkt. Centraal in deze ruimte het grote altaar gewijd aan Olokun met een mooi terracotta beeld van deze god van het water en de zee en ontegenzeggelijk de meest populaire godheid van de stad. Over het water was immers tijdens de bloeitijd van het koninkrijk de welvaart gekomen, terwijl water ook het leven symboliseert. Er zijn diverse magische cirkels op de vloer getekend, die niet mogen worden aangeraakt en ook hier weer trommels en fetisjen.
Het woongedeelte van het huis heeft één grote centrale binnenplaats. Op de eerste etage zijn de privé vertrekken van de Chief en zijn senior wife, op de begane grond de woon- en slaapvertekken van de jongere echtgenote en de kinderen, de keuken en toiletten en de grote officiële ontvangstruimte. In deze salon staat de troonachtige stoel van de Chief en hangen de foto's van zijn kinderen die, gezien hun kleding, werden gemaakt toen zijn in de Verenigde Staten afstudeerden.
Bij het afscheid vraag ik aan Osagie wie van de zonen de taken van zijn vader zal gaan overnemen, maar daar wordt een beetje lacherig op gereageerd. Ach weet je de meesten van ons wonen in de VS en zijn medisch specialist of wiskundige en je kent Godwin hij is absoluut niet geïnteresseerd. Osagie, die advokaat is, slaat zichzelf gemakshalve maar over, maar zijn gezicht spreekt boekdelen. In de week na ons bezoek spreek ik met Godwin die het niet echt belangrijk vindt dat de oude tradities verloren gaan, hij vindt wat zijn vader doet meer "een onschuldig tijdverdrijf voor oude mannen die toch niets anders te doen hebben". Zo is in noorderlijker streken de belangstelling voor Wodan en Donar waarschijnlijk ook teloor gegaan.

De bronsgieters van Igoun Street zijn niet in al te grote vorm vandaag. Hoewel vooraf bij herhaling was beloofd dat er tijdens ons bezoek brons gegoten zou worden, zijn de heren helaas nog niet zo ver. Volgens een bericht dat ik uit een krant van zo'n twee jaar geleden knipte, betreft het hier trouwens een bedreigd ambacht omdat er een gebrek aan grondstoffen, meestal metaalafval, dreigt. De uitleg over hoe bronsgieten volgens de verloren wasmethode werkt blijft helaas beperkt tot het bekijken van wat mallen van geharde rode klei en wat roodgloeiende smeltkroezen die in een vuurtje, aangedreven door de zo karakteristieke uit groot formaat toiletontstoppers opgebouwde blaasbalgen, op temperatuur liggen te komen. De brongsgieters, die nog steeds in co operaties zijn georganiseerd, zijn overigens een goed voorbeeld van de eeuwen oude gildegewijze organisatie van de ambachten en de arbeidsverdeling in het Koninkrijk.
Jammer dat er weinig te beleven valt, maar zoals zo vaak gebeurt er vlak bij iets anders dat ook interessant is. Naast de werkplek van de bronsgieters klinkt handgeklap en gezang op vanuit wat op het eerste gezicht een huis lijkt, maar bij navraag een plaats van samenkomst van Olokun adepten blijkt te zijn. Het altaar tegen de gevel van het huis had dat natuurlijk al duidelijk moeten maken. Normaal gesproken zijn deze bijeenkomsten niet toegankelijk voor mannen en mogen er geen foto's worden gemaakt, maar wat bankbiljetten helpen dit probleem op te lossen. Schoenen uit en naar binnen. In de kleine schemerige ruimte begeleidt het zingen en het ritmisch handgeklap van een vijftiental dicht opeen zittende vrouwen het dansen van de priesteres en een paar van de andere aanwezigen. Na één of twee foto's onstaat er een woordenwisseling over onze aanwezigheid, hoewel we de taal niet verstaan is het wel duidelijk dat onze monetaire bijdrage kennelijk schril afsteekt tegen wat andere blanke bezoekers bij een eerder bezoek bereid waren te betalen. Na vlug nog wat foto's te hebben gemaakt, trekken we onze schoenen maar weer aan en vertrekken.

De in het centrum van de stad, vlak bij het koninklijk paleis gelegen Obamarkt is een zogenaamde moderne markt, dat wil zeggen dat de markt is gevestigd in een groot uit beton opgetrokken gebouw met meerdere verdiepingen. De marktvrouwen, in het zuiden van Nigeria zijn markkooplieden zeldzaam, bieden hun waren te koop aan vanuit een door muurtjes van zo'n anderhalve meter hoog van elkaar gescheiden open verkoopruimtes. Dat is niet het enige dat de markt overzichtelijk maakt, ook het bij elkaar groeperen van verkoopsters van hetzelfde assortiment draagt hier aan bij. Wij willen "made in Benin City" aardewerk kopen en vinden het totale aanbod vlak bij een achteringang van de markt. 't Is het gedeelte waar tevens de traditionele apotheek is gevestigd, daar waar de grondstoffen voor geneesmiddelen worden verkocht die de traditionele genezers hun patiënten voorschrijven. De moderne markten zijn helaas nogal sfeerloos, zeker in vergelijking met bijvoorbeeld de Yankara Markt in het midden van het oude Lagos, waar de mystiek die de traditionele geneeswijze omringt letterlijk voelbaar is. Daarbij vergeleken is de sfeer in Benin City nogal koeltjes. De ogenschijnlijk vreemde combinatie van apotheeek en aardewerk is logisch als men de funktie van de potten die hier worden verkocht begrijpt. Een bepaald type potten wordt gebruikt bij de Olokun rituelen en Olokun de god van het Water, is zoals gezegd nog steeds erg populair in de stad. Olokun wordt vooral geraadpleegd door vrouwen die een kind wensen, maar ook voor materiële voorspoed en geluk in het algemeen. Dit komt deels tot uitdrukking in de decoratie op de van vier kleine handgrepen voorziene bolvormige aardewerk pot. Overal op de pot kauri schelpen en tussen de handgrepen het herhaalde motief van de hoge slanke trommel, een staf en een naar boven kruipende slang. Slangen zijn de boodschappers van Olokun en symboliseren in verticale vorm de verbinding tussen de aarde en het rijk der geesten, terwijl de kauri schelpen, die vroeger als geld werden gebruikt, materiële voorspoed symboliseren. Behalve de licht geglazuurde Olokun potten liggen er ook stapels potten die een zilverbad achter de rug hebben en er werkelijk afschuwelijk uitzien, in mijn ogen althans. Heel toepasselijk worden er naast de Olokun potten ook echte waterpotten verkocht. Deze ronde potten, die in hoogte variëren van 30 tot 50 cm, zijn op een eenvoudige maar een voor mij intrigerende manier gedecoreerd. Eerst een horizontaal velopende band van een centimeter of zes die een golfachtige beweging suggereert, daaronder een vertikale band van zo'n vier centimeter breed die er uit ziet als voren getrokken in een akker en tenslotte tot op de bodem van de pot ruimtelijke aangebrachte horizontale strepen van verschillende breedte. Als ik de pot omkeer en op de schenkrand zet, zie ik een fraai landschap voor me. In Benin City zijn deze potten een alledaags gebruiksvoorwerp en het water dat erin wordt bewaard blijft volgens zeggen heerlijk koel, onze belangstelling is iets raars, blanken hebben toch immers allemaal stromend water en een koelkast in huis?

De Ogiamien, wiens huis ik een jaar of vier geleden al eens bezocht, woont niet langer in het voorvaderlijke uit klei opgetrokken huis. Het huis, het oudste in Benin City, is volgens zeggen het enige dat de verwoesting van de stad in 1897 doorstond. De buitenmuur heeft een dekoratie van brede horizontale strepen, hét kenmerk van huizen waarin een hoogeplaatste Chief woont, want hooggeplaatst is de Ogiamien. Hoewel in Benin titels over het algemeen niet erfelijk zijn, wordt de titel van Ogiamien al eeuwen lang van vader op zoon doorgegeven. Ooit was er een dispuut tussen de voorouders van de Oba en die van de Ogiamien over wie recht had op de troon. De Oba's familie won, maar volgens de traditie moet iedere nieuw te kronen Oba eerst met de Ogiamien een schijngevecht om de troon leveren voordat hij deze kan bestijgen. Dat de Ogiamien niet meer in het oude huis woont is goed te zien, het ziet er verwaarloosd uit en het eerder aanwezige meubilair is verdwenen. Ik heb ook de indruk dat veel van de voorouderstaffen en andere altaarobjekten er niet meer zijn, maar heb de foto's van mijn vorige bezoek niet bij me om dit te kontroleren. De collega Chiefs spreken er overigens schande van dat de Ogiamien gekozen heeft voor een moderne woning in een van de buitenwijken van de stad. Hij hoort tussen zijn onderdanen te wonen en niet tussen de andere welgestelden, noblesse oblige punt uit.

Kings Square ligt het hart van de stad en wordt door de lokale bevolking trots het grootste verkeersplein van Afrika genoemd. In het midden van het plein is het Benin City filiaal van het National Museum van Nigeria gevestigd. Zoiets moet men zich voorstellen als het vestigen van het Rotterdamse Museum voor Land en Volkenkunde midden in een sterk vergroot Hofplein (waar nu de fontein staat), maar dan met spitsuurverkeer dat de hele dag duurt en zonder dat het door verkeerslichten in toom wordt gehouden.
Het bruin gepleisterde museumgebouw bestaat uit drie op elkaar gestapelde cirkels, die door de museumdirektie trots galerijen worden genoemd. Van buitenaf kan er weinig binnenvallend licht worden verwacht, want de buitenmuur heeft geen ramen. De open cilinder aan de binnenkant van de cirkel heeft wel paar ramen, maar daar hangen halfgesloten gordijnen voor. Het museum maakt dezelfde verwaarloosde indruk als de meeste museums in Nigeria. "Lack of Funds" gebrek aan geld dat de bij het Nationale Museum werkzame hogere ambtenaren zelden weghoudt bij de liefst in Europa of de VS georganiseerde congressen, wordt hiervoor steevast als excuus gegeven. Omdat ook de belichting slecht is of niet werkt, komt de niet onaardige maar ook weer niet erg bizondere collectie nauwelijks tot zijn recht.
Aldus moet de op de begane grond geëxposeerde collectie hofkunst dan ook in het schemerduister worden bekeken. Indien de verslaggeving over de Britse strafexpeditie van 1897 tegen Benin en het grondige leegroven van het paleis nadat de stad eenmaal was ingenomen de werkelijkheid ook maar enigszins benadert, dan is het toch al verwonderlijk dat het museum nog hofkunst kan tonen. Na het nog eens doorlezen van een aantal catalogi en boeken vraag ik me trouwens af welk deel van de hofkunst die nog in Nigeria te zien is, echt is of is nagemaakt. Want wat er nog over is, lijkt slechts te danken aan het wat slordige jatwerk van de veroveraars.

De weinige gegoten bronzen platen boeien mij in het bizonder omdat de funktie zo duidelijk lijkt, dekoratief, maar toch zo mysterieus is. De platen worden soms eenvoudig benoemd als bronzen of messing platen, maar ook wel als palace plaques. Het gaat hier inderdaad om hofkunst en de afbeeldingen op de platen hebben bijna uitsluitend betrekking op het leven aan het hof en wat daarmee verband hield, zoals de lokale godsdienst waarvan de Oba de verpersoonlijking was. Tegen deze achtergrond lijkt "palace plaques" de omschrijving te zijn die het beste bij de platen past.
Alle wereldwijd bekende platen zijn vierkant, met verticale en horizontale afbeeldingen en variëren in afmeting, zowel in de hoogte als in de breedte, tussen 50 cm en 15 cm. Buiten het toegepaste materiaal en de samenhang van de motieven is de datering een ander gemeenschappelijk kenmerk. De ongeveer 900 platen die door de Britten in 1897 als krijgsbuit uit het paleis werden meegenomen en die toen volgens ooggetuigen waren bedekt door het vuil van eeuwen, dateren waarschijnlijk uit het begin van zeventiende eeuw. Het aardige van zowel de beperkte kennis over het gebruik van de platen als over de datering is dat deze is gebaseerd op boeken en verslagen van landgenoten. In de eerste plaats is daar Olfert Dapper die in zijn boek uitgebreid beschrijft hoe de wanden en pilaren in het paleis van de Oba met platen van messing zijn behangen, het door hem gebruikte reisverslag werd in ongeveer 1640 geschreven. Daarnaast in er een in 1705 gepubliceerd boek van Willem Bosman, waarin een brief van David van Nyendael uit 1702 wordt aangehaald. Van Nyendael beschrijft zijn bezoek aan Benin en rapporteert dat het koninklijk paleis tijdens een hevige onweersstorm zwaar werd beschadigd. De in het boek van Dapper omschreven funktie wordt aardig gedemonstreerd in het British Museum in Londen. Daar ziet de bezoeker bij het beklimmen van de brede trap direkt aan de linkerzijde van de hoofdingang een permanente en imposante collage van twee en zestig palace plaques, alsof het een wand in het vroegere paleis is.
Wetenschappelijke dateringstesten op een beperkt aantal platen schijnen de theorie te bevestigen dat de platen hoofdzakelijk in de eerste helft van de zeventiende eeuw werden gegoten en dat men daarna om onbekende reden is gestopt. Hoewel, de bronsgieters in Ogoun Street maken ze alweer een tijdje, want in het Museum hangt een plaat uit 1937 die overigens buitengewoon slordig is opgelapt, want het woord "gerestaureerd" zou te veel eer betekenen voor dit broddelwerk.

De afbeeldingen op de platen zijn of van mensen of van dieren zijn twee-dimensionaal en lijken in de plaat te zijn gestanst. De menselijke afbeeldingen zijn veelal van hoogwaardigheidsbekleders en muzikanten, maar er zijn ook afbeeldingen van Portugese soldaten. De Portugezen waren de eerste Europeanen die laat in de vijftiende eeuw Benin bezochten. De afbeeldingen van de dieren zijn van slangen, vissen, krokodillen, luipaarden en een onbenoemde mythologische vogel, allemaal dieren die aan de lokale godsdienst en macht zijn gerelateerd. Op de achtergrond, in het vlakke deel van de plaat, zijn vaak vierbladige motieven geëtst die verband zouden houden met de Olokun verering. Maar ook op het hoofdmotief zelf zijn de fijnere patronen niet gegoten maar geëtst. Er wordt nog steeds naar de funktie van de platen gegist, er moet toch meer zijn dan een zuivere dekoratieve funktie? Door het ontbreken van geschreven geschiedenis blijft het inderdaad gissen. Toch schijnt het dat de platen soms als referentiemateriaal dienden voor bepaalde hofrituelen, of waren het wat de menselijke afbeeldingen betreft gewoon een vroege vorm van fotografie? In het National Museum hangt een plaat waarop een hoofd met vier benen staat afgebeeld, volgens het bijschrift gaat het hier om een doodsvonnis per post: de ontvanger van een dergelijke plaat zou op deze wijze op de hoogte worden gesteld dat hij ter dood was veroordeeld! Dit is de enige zeer stellige bewering over de funktie van een plaat die ik tot op heden heb gelezen.

Van het paleis van de Oba van Benin krijg je over het algemeen slechts een oppervlakkige indruk, het paleis bezoeken valt niet mee. Hoewel er volgens Chief Ize Iyamu gewoon een afspraak met de Oba kan worden gemaakt en ik ook via één van zijn in Lagos wonende zoons nog pogingen had ondernomen, bleef het antwoord "nee, de Oba kan helaas op zondag geen bezoekers ontvangen". Acheraf bleek dit een beleefde manier om vreemdelingen buiten te houden, omdat er tijdens ons bezoek was een dusdanig druk komen en gaan was dat onze gids eerst niet eens tijd had om ons rond te leiden. Toen we anderhalf uur later terug kwamen, was het wat rustiger geworden en mochten we onder begeleiding van Henry Enobakhare de voorgevel van het paleis bekijken. Het huidige paleis werd in 1914 gebouwd op de plaats waar eerder de door de Engelsen in 1897 verwoeste koninklijke woning stond en ligt, hoe kan het ook anders, vlak bij Kings Square. De enige manier om een goede indruk van de omvang van het koninklijke complex te krijgen is door er om heen te rijden, want naar binnen mogen we niet. Het grootste deel van de buitenmuur vertoont dezelfde horizontale streep die men op de huizen van andere hoogwaardigheidsbekleders ter plaatse ziet. Het gebouw zelf is weinig indrukwekkend, tegenwoordig is het wonen in imposante moderne paleizen in Afrika uitsluitend voorbehouden aan de nieuwe machthebbers. Henry is de senior amada van de Oba en vertelt over de historie van Benin aan de hand van de terracotta afbeeldingen van vroegere monarchen die in de gevel zijn gemetseld. Voordat Henry aan de rondleiding begint vraagt hij bezorgt of alle dames in het gezelschap op de hoogte zijn gebracht van het feit dat de palace boys niet mogen worden aangeraakt. De palace boys of amada's zijn de bedienden van de Oba en leven een kuis bestaan. Zij zijn herkenbaar aan hun uniform, dat uit een mouwloos kort jakje en korte broek bestaat, en hun koperen enkelbanden. Vroeger waren de amada's nog gemakkelijker te herkennen, want tot in de dertiger jaren droegen zij helemaal geen kleren. De echtgenote van een bezoekende hoge koloniale ambtenaar was daardoor zo onthutst dat de Oba uit respect voor de nieuwe heersers het gebruik afschafte. De senior amada vergezelt de Oba waar deze ook gaat of staat en is bij officiële gebeurtenissen de drager van de Ada, het ceremoniële zwaard, dat in Benin het teken van koninklijke waardigheid is.

Veel volken in Afrika ten zuiden van de Sahara, donker Afrika derhalve, hebben ingekerfde tatoeages op het gezicht of op het lichaam. De tatoeages op het gezicht worden meestal aangebracht als een herkenningsteken van de herkomst van de dragers (tribal marks), maar dienen ook als een permanente vorm van verfraaing van het lichaam. In het koninkrijk Benin bestond er een ongeveer vierhonderd jaar oude traditie van het dragen van de lichaamstatoeage als een herkenningsteken van stamverwantschap. In de jaren dertig van deze eeuw werd de verplichting tot besnijding van het lichaam afgeschaft en is sindsdien langzaam maar zeker aan het uitsterven. De lichaamstatoeage wordt in Benin "Iwu" genoemd en bestaat uit inkepingen op het gezicht in het voorhoofd, de wangen en de kin en op het lichaam in het bovenlichaam en de buik als ook op de bovenarmen. De Iwu is ook goed te zien op een aantal palace plaques, maar wordt tot mijn verbazing niet altijd als zodanig herkend. In een catalogus uit 1991 van de tentoonstelling "Benin Hofkunst uit Afrika" lees ik bijvoorbeeld ".......merkwaardig is de versiering van het naakte lichaam van diep ingesneden lijnen." En er wordt vervolgens geconcludeerd dat het hier eerder om lichaamsbeschildering, dan om lichaamtatoeage zou gaan.
Op het gezicht van één van de oudere vrouwen die buiten het paleis zit te wachten, herken ik de Iwu inkepingen op haar gezicht. Ze heeft een volledige vrouwelijke gezichtstatoeage die hier "Agbaguda" heet. Deze bestaat uit totaal acht inkepingen: drie op het voorhoofd, één op iedere wang, één aan iedere kant op de brug van de neus en één op de kin. Waarschijnlijk heeft ze ook een volledige uit zestien inkepingen bestaande tatoeage op het bovenlichaam: twee op de bovenarmen, twee als bretels getrokken inkepingen die van de schouder naar de onderrug lopen en van de schouder langs de buitenkant van de borsten naar de liezen gaan, van de bovenkant van het borstbeen twee inkepingen die langs de binnenkant van de borsten worden gemaakt en samen een soort driehoek vormen op de buik boven de navel, vijf inkepingen die als een gespreide hand van de navel over de onderbuik lopen en tenslotte één inkeping die van onder de linker borst tot in de linker lies loopt! De mannelijke tatoeages bestaan nog niet uit de helft van het aantal inkepingen dat bij vrouwen werd gemaakt. Er waren ook verschillen tussen de tatoeages van gewone burgers en leden van het koninklijk huis, bij de prinsen en prinsessen werd bijvoorbeeld de gezichtstatoege achterwege gelaten. Iwu tatoeages werden aangebracht bij het volwassen worden, maar in ieder geval vlak voordat men ging trouwen of voor het eerste kind werd geboren. De tatoeage werd uitgevoerd door een traditionele chirurg, de Osiwu, die ook de besnijdenis van zowel jongens als meisjes uitvoerde (en nog steeds uitvoert).
Op verzoek mag een een foto van alle aanwezige vrouwen worden gemaakt en ik maak stiekum snel een close up van het gezicht met de Iwu. Daarna via via navraag gedaan, ze spreekt geen Engels, naar haar naam en leeftijd van de vrouw met de Iwu. Ze heet Ehiosu en weet niet hoe oud ze is, ze weet slechts dat ze is geboren toen Oba Eweka II op de troon zat en dat was van 1914 tot 1933. Zijn opvolger Oba Akenzua II zou de verplichte Iwu afschaffen.

Aan het slot van ons bezoek aan Benin City maken we nog een tour de ville, niet dat het zo'n bizondere stad is, maar gewoon om dat vast te stellen. Typisch Nigeriaans kleinsteeds, weinig hoogbouw, slecht onderhouden wegen, stoffig en vooral veel mensen (maar niet op zondag). Een stad ook waar de bevolking nog steeds aan de oude tradities hecht, maar dat is weer niet zo verwonderlijk als men bedenkt dat het nog maar honderd jaar geleden is dat de kerstening begon. Zo komen we al toerend langs een traditionele rechtbank, waar dezelfde eden worden gezworen als bij het altaar van Chief Ize Iyamu. De rechtbank zit alleen op zondag en het is er erg druk. Als we even later stoppen om te zoeken naar wat nog rest van de middeleeuwse verdedigingsgracht rond de stad, vinden we dat de traditie letterlijk op straat ligt. Op een driesprong van wegen ligt een uit stukgeslagen eieren, gedode kuikentjes en andere niet nader te duiden ingerediënten samengestelde offerande, ongetwijfeld bedoeld als een verzoek om spirituele hulp bij het vinden van de goede weg in de zo gecompliceerde moderne wereld. Wij stappen even later gewoon weer in de bus en vinden zonder verdere hulp gewoon weer onze weg terug naar Lagos.


© Jacques de Rhoter

Printversie