|
DE VALLEI VAN DE NIGER (18-12-1995)
In mei 1994 wandel ik in het Rijksmuseum
voor Volkenkunde in Leiden, op een koude
en regenachtige zondagmiddag, in minder
dan een uur langs de rivier de Niger. "Langs
de Niger" is de titel van een reizende
tentoonstelling van (kunst-) voorwerpen
afkomstig uit het stroomgebied van de Niger.
"Boven aan de trap rechtsaf" meanderde
de tentoonstelling door de ruimten van het
museum, zoals de rivier zelf door West Afrika
stroomt. Vooral het aardewerk afkomstig
uit Jenné-Jeno in Mali en het Bura
grafveld in Niger vind ik indrukwekkend
en in ieder geval veel mooier dan het uit
Nigeria afkomstige Nok. De bronzen voorwerpen
uit Ile-Ife en Benin in Nigeria, toch niet
minder uniek, heb ik al te vaak bewonderd
om nog verrast te worden. Wat me vooral
aanspreekt bij het aardewerk uit Bura necropolis
is de wellicht niet zo bedoelde, maar zeer
toepasselijke, tijdloze vormgeving van de
eens op grafpotten bevestigde torsos en
platte vierkante en ronde koppen. De torsos
voorzien van de kettingen en armbanden en
de koppen compleet met ingekerfde stamkenmerken
(tribal marks).
De Niger is, samen met de Nijl en de Congo,
één van de grote Afrikaanse
rivieren waar ontdekkingsreizigers eeuwenlang
door werden gefascineerd. Net zoals het
zoeken naar de bronnen van de Nijl, hield
ook het zoeken naar de loop van de Niger
ontdekkingsreizigers lange tijd bezig. De
in Guinea ontspringende meer dan 4000 kilometer
lange Niger is dan ook een rivier met een
verassende loop. Eerst van west naar noord-oost
langs de rand van de Sahara, om na Tombouctou
en Gao in Mali met een grote boog naar het
zuid-westen te gaan stromen door de regenwouden
(of wat daar nog van over is) en de mangrove
bossen van Nigeria, om via de na de Ganges
grootste rivierdelta ter wereld, uit te
monden in de Golf van Guinea. Het duurde
tot aan het eind van de negentiende eeuw
voordat het stroomverloop van de rivier
van de bron tot aan de zee uiteindelijk
duidelijk werd.
In december van hetzelfde jaar bezoek ik
de tentoonstelling nog een keer, maar nu
in het Nationale Museum van Mali in Bamako.
In het kleine, architectonisch fraaie, museum
is de expositie, die nu "Vallées
du Niger" heet, een soort nationale
gebeurtenis van de eerste orde. Niet geheel
ten onrechte, de direkteur van het Museum
Samuel Sidibé is één
van de drijvende krachten achter de tentoonstelling
en veel van de getoonde voorwerpen zijn
afkomstig uit Mali. Daarnaast is Mali één
van de eerste landen in Afrika waar archeologie
niet als geldverspilling wordt gezien, maar
als een waardevol instrument om de historie
en cultuur van het land zichtbaar te maken.
Het museum wordt bewaakt door gewapende
militairen, maar de sfeer is erg ontspannen.
Entreegeld wordt er niet geheven, zoals
het ook hoort als het om nationaal cultureel
erfgoed gaat. Voor de middelbare scholieren
uit Bamako schijnt een bezoek aan de tentoonstelling
een studieopdracht te zijn, hele schoolklassen
bekijken alle voorwerpen uitgebreid en maken
aantekeningen. Het lijkt wel of alle tentoongestelde
voorwerpen er in hun eigen omgeving opeens
veel mooier uitzien dan een half jaar geleden
in de koele ruimten van het Leidse museum.
Na net een week door Mali te hebben gereisd
en Djenné, Mopti en het land van
de Dogon te hebben bezocht en met eigen
ogen te hebben vastgesteld dat de Niger
en haar zijrivier de Bani thans nóg
steeds een echte levensader voor de bewoners
van de Niger Vallei zijn, kan dat ook haast
niet anders denk ik. Minder deskundig uitgelicht
dan in Leiden, maar toch veel mooier tonen
de terracotta torsos zich aan de bezoekers.
De torsos die in Jenné-Jenno, nabij
het huidige Djenné, werden opgegraven
en waarschijnlijk uit de 13e eeuw dateren.
Weer een jaar later, in december 1995,
zie ik de tentoonstelling, die nu als titel
"Valleys of the Niger" heeft nog
een keer, nu in het Nationale Museum van
Nigeria in Lagos. Het Museum ligt er al
jaren verwaarloosd bij. De in 1972 gestarte
gestarte uitbreiding van het complex is
ondertussen zelf een museumstuk in wording,
verder dan een uit twee vloeren bestaand
betonnen skelet is men nog niet gekomen,
toen bleek plotseling het geld op. Het voorterrein
van het "nieuwe gebouw" is inmiddels
in gebruik als een stortplaats voor huisvuil
en tuinafval en een parkeerplaats voor afgedankte
auto's. Het bestaande museumgebouw is er
ook slecht aan toe: matige klimaatbeheersing,
veel kapotte verlichting en een buitengewoon
amateuristische en smakeloze inrichting
van de expositieruimtes. Ook nu weer. In
mijn inmiddels wat cynische benadering van
het Nigeriaanse ambtenarenkorps, stel ik
me voor dat de deskundigen het er na lang
en veelvuldig brainstormen over eens zijn
geworden dat een wandeling door de Vallei
van de Niger zoiets moet zijn als een wandeling
door de woestijn. De inrichters van de expositie
konden aan de slag met het sleutelwoorden
"rivier" en "woestijn"
en dat zullen de bezoekers weten.
De hoofdsponsors van de tentoonstelling,
de Europese Gemeenschap een de Fondation
Elf, hebben een stevig bedrag ter beschikking
gesteld om de faciliteiten van het Museum
enigszins op het nivo te brengen dat past
bij het belang van de getoonde voorwerpen.
Het meeste geld is echter onzichtbaar besteed,
want naast een nieuwe smeedijzeren ingangspoort
en de verbeterde catering faciliteiten,
zijn er geen zichtbare veranderingen in
de expositieruimten zelf en het verkeerd
besteden van geld uit zich op tragische
wijze. De tentoonstellingsruimte bestaat
uit drie kleine zalen en drie gangen. Na
de ingang een kleine zaal, een lange gang
met haaks daar op en een korte gang, daarna
twee in open verbinding met elkaar staande
kleine zalen en tenslotte weer een gang
naar de uitgang. Op de plafondtegels van
de ruimtes heeft een matig begaafde kwastvoerder
in een afschuwelijke kleur blauw een impressie
van de rivier de Niger geschilderd. Langs
de muren van de gangen en zalen wordt de
woestijn gesuggereerd: randjes hardboard
van zo'n 20cm hoog, met behulp van een sjablone
beschilderd met palmboompjes, houden het
er achter gestrooide zand tegen. Sokkels
zijn slordig bekleed, de belichting is slecht
en hier en daar kapot, de vitrines zijn
onzorgvuldig schoongemaakt, een groepje
ongeïnteresseerde suppoosten wisselt
op luide toon de laatste roddels uit. In
deze ambiance komen de cultuurhistorisch
zeer waardevolle voorwerpen nauwelijks tot
hun recht.
Het is trouwens te hopen dat alle geëexposeerde
objecten er aan het einde van de tentoonstelling
ook nog zullen zijn, want regelmatig wordt
er in de Nigeriaanse musea ingebroken. Kwade
tongen beweren bovendien dat dit met hulp
van het slecht betaalde museumpersoneel
gebeurt. De bewaking van het museum bestaat
uit slaperige ongewapende oudere mannen,
niet bepaald het macho type dat de in Nigeria
zo beruchte "armed robbers" zal
afschrikken.
In tegenstelling tot Bamako en Leiden,
waar de tentoonstelling veel bezoekers trok,
ligt de expositie er in Lagos vrijwel verlaten
bij. Vier dagen na de opening zijn er op
het moment van mijn bezoek slechts vier
andere bezoekers en mijn kaartje met het
volgnummer 00062 duidt ook niet op een bepaald
overweldigende belangstelling in de voorafgaande
dagen. En dat terwijl een kwart van de getoonde
voorwerpen uit diverse Nigeriaanse culturen
afkomstig is. De oprechte en enthousiaste
belangstelling van de bevolking die ik in
Mali zag, ontbreekt in Lagos geheel.
Volgens een officiële publikatie is
één van de doelstellingen
van de Nigeriaanse organisatoren om de image
en de plaats van het Nationale Museum in
de internationale museumwereld te verbeteren
door het nivo van de presentatie van de
"Valleys of the Niger". Dat men
in deze opzet niet zal slagen, mag uit mijn
impressies blijken.
|