Deze week maar één foto>>>>

OP BEZOEK BIJ DE BUREN V TOGO (28-02-1994)

In mei 1991 kocht ik voor het eerst een ticket Lagos Lomé Lagos en sindsdien heb ik mezelf vele malen de vraag "Togo or not to go?" moeten stellen. De beweging om tot een meer demokratisch geinspireerd landsbestuur te komen en de onwil van de zittende President en zijn entourage om afscheid van de macht te nemen, leidde in Togo tot, een op de dag van vandaag voortdurende, erg onrustige politieke situatie. Herhaaldelijk waren er proteststakingen, werd de avondklok ingesteld, werden er aanslagen op het leven van President Gnassingbe Eyadema gepleegd en werden de grenzen gesloten. Daarnaast waren er de negatieve reisadviezen van de Togolese ambassade in Lagos, die bij herhaling tot uitstel van de reis noopten. Ook nu weer, bijna drie jaar later, moet ik de reis, die voor het weekeinde van 6 februari is gepland, uitstellen omdat in verband met de eerste ronde van de parlementsverkiezingen de grenzen zullen worden gesloten. Dan maar het volgende weekend dat tussen de eerste en tweede verkiezingsronde in valt.

Tussen de belangrijke Afrikaanse koninkrijken van de Ashanti en Dahomey, lag een buffer van onbetekenende koninkrijkjes, die 110 jaar geleden, op 5 juli 1884, tot "Territorium unter Kaiserlich Deutschem Protektorat" worden verklaard. De zojuist verworven kolonie wordt door de Duitsers naar een van de stadjes in het gebied vernoemd en zo verschijnt Togoland op de kaart. De Duitse aanwezigheid beperkt zich aanvankelijk tot het plaatsen van wat grenspalen en het hier en daar hijsen van de Duitse vlag. Op een kaart uit 1885 is dit nauwkeurig ingetekend onder de vermelding "Grenzpfal gesetzt" en "Deutsche Kriegsflagge gehisst". Het protektoraat bestond echter uit niet meer dan een gebied langs de kust dat nergens breder was dan een kilometer of twintig. De meest landinwaarts geplaatste grenspaal stond bij het stadje Agoenyive, even ten noorden van Lomé. Pas na de Conferentie van Berlijn in 1885, waar Afrika tussen de grote Europese mogendheden werd opgedeeld en er grenzen werden getrokken, trekt men verder het binnen land in om het koloniale gezag te vestigen.

Togoland blijft Togoland tot aan het begin van de Eerste Wereldoorlog, wanneer Engelse en Franse troepen snel een einde maken aan het Duitse koloniale gezag. Aan het einde van de oorlog neemt de Volkerenbond het beheer van de voormalige Duitse kolonies in Afrika over en wordt de koloniale administratie van het land opgedragen aan Frankrijk. Een van de eerste zaken die de Fransen organiseren is het onderwijs en zo wordt het land langzaam maar zeker een Frans sprekende natie. Togoland verdwijnt van de kaart en "le Togo" verschijnt, het is onder deze naam dat het land in 1960 onafhankelijk zal worden.


Vrijdag, 11 februari 1994, Lagos Lomé.

Murtala Muhammed, het internationale vliegveld van Lagos, is midden op de dag erg rustig, omdat de meeste vluchten van en naar Europa vroeg in de avond aankomen en voor middernacht weer vertrekken. In de loop van de dag staan er slechts een klein aantal regionale vluchten op het programma. De airconditioning van het vliegveld is weer eens buiten werking en daardoor is het er onaangenaam warm. Het bezit van een dubbel geconfimeerde ticket en uitsluitend reizend met handbagage ontslaat de reiziger niet van de verplichting om tenminste twee tot drie uur voor het vertrek van de vlucht in te checken. Alleen dan kan de luchtvaartmaatschappij met enige zekerheid een plaats in het vliegtuig garanderen. De vlucht van Lagos naar Lomé duurt nog geen 25 minuten. Passagiers met een eerste klas of business class ticket mogen zich verpozen in de First Class lounge van Nigeria Airways. Helaas wordt daar de airconditioning net vervangen en moeten de bezwete reizigers het doen met de af en toe langs strijkende bries van een ventilator en matig gekoelde drankjes.

Toen ik in september vorig jaar naar de Ivoorkust reisde, was er in Nigeria net een nieuwe regering aan de macht die de strijd met de alom heersende corruptie zei te hebben aangebonden. Niet dat de gewone burger daar iets van merkte, want het eisen van steekpenningen ging gewoon door. Volgens de media voert de, sinds november 1993 in het zadel zittende, regering van Generaal Abacha een oorlog tegen de indiscipline en corruptie in het land (War Against Indiscipline and Corruption WAIC). Ook daar merken de burgers weinig van, want de bedragen die als steekpenningen worden geeist voor dezelfde dienst gaan steeds verder omhoog. Dit schijnt te worden veroorzaakt door de onregelmatige en soms zelfs maanden achterwege blijvende betaling van de salarissen van veel overheidsdienaren. Zo heb ik, als (legale) vreemdeling en afkomstig uit een land dat niet tot het Gemenebest behoort, ieder keer dat ik naar buiten Nigeria wil reizen "toestemming tot vertrek" (departure permit) nodig om te mogen afreizen. Dit vereist een stempel in mijn vreemdelingenboekje, een stempel dat bij aanmelding van de reis bij de vreemdelingenpolitie in principe gratis moet worden gezet, maar waar mijn werkgever meestal 50 Naira, een gulden of twee, voor betaalt. Het aanmelden van een voorgenomen reis diende tot nu toe binnen zeven dagen voor de vertrekdatum te gebeuren. Plotseling zijn de regels, zonder dat dit overigens bekend is gemaakt, gewijzigd en dient de "alien" zich nu tenminste zeven dagen voor vertrek te melden. Ik meld mijn reis dus te laat aan en krijg geen toestemming tot vertrek. Via "mensen die de weg kennen" onderneeemt een medewerker van het bedrijf waar ik werk, alsnog een poging om het zo vurig gewenste stempel te bemachtigen. Uit het verslag achteraf blijkt dat het loven en bieden begon bij 5.000 Naira en waar het uiteindelijk op is afgemaakt, is mij nooit verteld. Wat voor mij telde was, dat ik mijn stempel had. In de boekhouding worden deze kosten onder het hoofd "unreceipted protocol expenses" verantwoord. Ter vergelijking: de prijs van mijn business class retourticket bedraagt 3.250 Naira.

Ook bij de kontrolepunten op het vliegveld worden in alle openheid weer uiterst serieuze pogingen gedaan om het inkomen op te vijzelen. De schoudertas waar men mijn geld vermoedt, wordt binnenstebuiten gekeerd om te voorkomen dat er Nairas, een valuta die nergens ter wereld enige waarde heeft, het land worden uitgesmokkeld. Regelmatige reizigers hebben dus nooit geld bij zich, tenzij ze perse officieel gerold wensen te worden.
Bij het kontrolepunt "drugs" wordt mij gevraagd of ik misschien missionaris ben en op mijn ontkennende antwoord wordt direkt doorgevraagd of ik dan misschien journalist ben "want daar houden wij hier niet zo erg van". Ik laat blijken dat ik daarmee geheel op de hoogte ben en vertel de kontroleur dat indien hij mijn beroep wil weten, hij slechts mijn verblijfsvergunning hoeft te raadplegen, dat is zo vroeg op de dag wat te veel gevraagd en ik mag doorlopen.

Bij aankomst in Lomé vraagt de immigratieambtenaar, die op het door mij ingevulde formulier een adres in Lagos ziet, of het echt waar is dat ik in Lagos woon en moet samen met een collega erg lachen als ik dat bevestig. Als een boer met kiespijn lach ik met hun mee.

Na de douane, in de aankomsthal, eerst een groot glas bier van de tap, iets dat in Nigeria niet te koop is. Daarna snel door naar de Universiteit van Lomé, waar in het guesthouse van het taleninstituut een kamer voor mij is gereserveerd.


Zaterdag, 12 februari 1994, Lomé Aného Lomé.

De vanochtend verwachte auto met chauffeur, blijkt bij aankomst een auto zonder chauffeur te zijn en twee keer zoveel te moeten kosten als gisteren was afgesproken, maar toen wist men nog niet dat de klant blank zou zijn en dus rijk. Gelukkig is er in dit deel van Afrika altijd wel alternatief transport te vinden in de vorm van stadstaxi's of de taxi brousse. Het charteren van een taxi is niet zo moeilijk. Logeer je in een hotel dan staan er altijd wel wat taxi's in de buurt en probeer je via het hotelpersoneel een idee van de gangbare tarieven te krijgen, want bij het ontbreken van een taximeter moet de prijs worden onderhandeld. Meestal neem ik een taxi voor een korte rit en kijk eerst of auto en chauffeur mij bevallen. Is dit het geval dan probeer ik tijdens de rit uit te vinden of de chauffeur de omgeving waar ik naar toe wil een beetje kent en begin daarna te onderhandelen over de prijs. Onderweg naar het het centrum van Lomé wordt er zo een taxi voor de rest van de dag gecharterd voor het schone bedrag van 4.000 CFA Franken, een gulden of twaalf.

De guide touristique van Air Afrique, die ik heb gebruikt om deze reis voor te bereiden, raadt de bezoeker van Togo aan om te beginnen met een rondgang door het Nationale Museum om een goede indruk te krijgen van de rijke cultuur van het land. Slaafs volg ik dit advies op, maar had beter moeten weten. Het Museum is gevestigd in het voormalige Maison de la RPT (Rassemblement du Peuple Togolais), de politieke partij van het staatshoofd Gnassingbe Eyadema, maar is inmiddels herdoopt in Maison du Congres. Het ligt in het deel van Lomé waar de ambassades, overheidsinstellingen en grote bedrijven kantoor houden en waar op zaterdagochtend dezelfde weldadige rust heerst als zomers na een uur of zes in de middag in het centrum van Rotterdam. De ingang van het Museum zit nadrukkelijk op slot en wordt min of meer bewaakt door een drietal jeugdige gendarmes. Het blijkt dat het Museum al geruime tijd is gesloten en niet meer funktioneert. "Tenminste 18 maanden, want dat is zo lang wij hier al zijn, hebben we hier nog nooit iemand naar binnen zien gaan" verteld een van de gendarmes mij desgevraagd. De uitdrukking op zijn gezicht vertelt mij er bij dat dit wat hem betreft dus al sinds mensenheugenis is.

Lomé ligt op de grens met het buurland Ghana en mijn eerste reisdoel, het stadje Aného, ligt op de grens met Benin, het andere buurland. Langs de kust bedraagt de afstand van grens tot grens slechts 53 km, een autorit van nog geen uur. Toen er nog geen landsgrenzen bestonden, werd ook dit deel van West Afrika als slavenkust aangeduid. Het stadje Agbodrafo, halverwege Lomé en Aného, staat op de eerste Duitse koloniale kaarten nog als Porto Séguro aangeduid en was een van de Portugese exporthavens voor gedwongen gastarbeid overzee.
De Boulevard de la République vormt in Lomé het begin van de weg dwars door het land: in de stad links kantoren, hotels en villa's en rechts het brede zandstrand van de Golf van Guinee. Na een paar kilometer verandert een deel van het strand plotseling in een gigantische groentetuin, waarin tientallen Togolezen druk bezig zijn met het verbouwen van uitjes, sla, bietjes, wortelen, enzovoorts. Het kustgebied sluit geheel aan bij dat van de Ghanese buren, maar daar heb ik op het strand alleen maar vissers gezien en geen tuinders. Na de haven en het industriegebied te zijn gepasseerd, rijden we tussen de palmen en herinnert het landschap sterk aan dat van de oostelijke Ivoorkust. Enorme palmboomplantages met huizen en omheiningen gebouwd van ineengevlochten palmbladeren. Langs de weg natuurlijk ook overal de in Afrika kennelijk onvermijdelijke kontroleposten van het leger en de gendarmerie, maar het gaat er erg gemoedelijk aan toe en we worden overal vriendelijk doorgewuifd.

Aného, door de Duitsers Klein Popo en later door de Fransen Petit Popo genoemd (het Grote Popo ligt net aan de andere kant van de grens in de Republiek Benin), moest met een bezoek worden vereerd omdat het de stad van de uit Brazilië teruggekeerde bevrijde slaven zou zijn. Ik dacht er, net als in het oude centrum van Lagos, resten van wat hier als Braziliaanse architectuur bekend staat te zullen vinden. We waren het stadje door voordat we er erg in hadden en ik had in het voorbijgaan maar twee villa-achtige huizen met braziliaanse trekjes ontdekt. Dan eerst maar ontbijten op het terras van Hotel Oasis en genieten van het uitzicht over de lagune en het stadje.
Na het ontbijt wordt Aného aan een nadere inspektie onderworpen. Daar waar de strook land tussen de zee en de lagune naar schatting niet meer dan 200 meter breed is en waar de weg naar Benin via een brug over de lagune landinwaarts wordt gevoerd, zijn de Gendarmerie en de Openbare Bibliotheek gevestigd. Beide gebouwen zien er uit de verte modern uit, maar blijken van dichtbij oude gebouwen die van een nieuwe facade zijn voorzien. Helaas kan er niet worden gefotografeerd, maar sommige ornamenten aan de buitenkant van de biblitheek doen duidelijk braziliaans aan. We rijden de oude en vol gaten zittende weg langs het strand af, zien hier en daar wel huisjes die zijn opgebouwd uit handgevormde gesloopte rode bakstenen, maar geen Braziliaans Portugees geinspireerde bouwstijlen, ornamenten en smeedwerk zoals in Lagos. Bijna aan het einde van de weg en pal op het strand staat een statige witte kerk "Eglise de Saint Pierre et Saint Paul" die nog door Duitse missionarissen is gebouwd. Kennelijk heeft de bouw nogal even geduurd, in een van de stenen van de fundering staat 1898 gekrast, boven de ingang staat 1901 en hoog in de gevel staat 1924 als bouwjaar aangegeven. Het gebouw is min of meer in onbruik geraakt, de kerk wordt niet gebruikt, maar de aan de kerk gebouwde parochiekantoor nog wel. De er kantoorhoudende priester begroet ons vriendelijk en beweert dat het gebouw al meer dan 100 jaar oud is, de erediensten worden tegenwoordig wat verder landinwaarts gehouden, omdat de dreigende zee wat te dicht bij kwam.

Verder door het stadje zwervend ontdekken we nog wat vergane glorie uit de twintiger jaren, onbewoonde en vervallen villas met mooie namen in de gevel. Het is de uit Brazilië terugkerende slaven hier destijds duidelijk minder voor de wind gegaan, dan hun lotgenoten die zich in Lagos vestigden.

Terug naar Lomé. De chauffeur heeft benzine nodig en hoewel er geen gebrek aan benzinestations is, doet hij liever zaken op de onofficiële markt. Op veel plaatsen langs de weg wordt benzine in flessen te koop aangeboden tegen een prijs die ongeveer 10% onder die van de stations ligt. Vanuit Nigeria en via Benin wordt de brandstof Togo binnengesmokkeld. Na een paar kilometer stopt de chauffeur om kokosnoten te kopen. De prijs? Cinq pour Cent, vijf verse noten voor 100 FCFA ofwel 30 cent. Een drink ik er leeg en de andere bewaar ik in de koelkast van mijn kamer, gekoeld zal de verse kokosmelk nog lekkerder blijken.

Apart zijn ook de kilometerpaaltjes. Rijdend in de richting Ghana staat er de afstand tot de Ghanese grens op aangegeven, de andere kant op, richting Benin de afstand tot de grens met Benin.

's Middags, terug in Lomé, moet er geld worden gewisseld. De chauffeur weet de weg naar en op de zwarte markt en geeft wat nuttige tips. Zelf heb ik in het vliegtuig aan de hand van de krant zo'n beetje berekend wat de officiële koers is. Na flink onderhandelen komen we tot zaken tegen schijnbaar aantrekkelijke koersen en kunnen nu de Grand Marché op om inkopen te gaan doen. Begeleidt door Anna, de Togolese vriendin van een Nigeriaan die ik op de universiteit heb ontmoet, maak ik mijn ronde. De Grand Marché is letterlijk een heel grote markt waar werkelijk alles te koop is, de sfeer, de kleur en de geur zijn Afrika in optima forma en het is altijd weer een belevenis over een dergelijke markt te dwalen. Aan de voet van de door de Duitsers gebouwde kathedraal de sektie waar de katoentjes van Vlisco uit Helmond worden verkocht en het domein van de Nana Benz, koopvrouwen die met de verkoop van de populaire "Véritable Wax Hollandais" zo rijk zijn geworden, dat ze zich per Mercedes Benz kunnen verplaatsen. Togo funktioneert als distributiecentrum voor West Afrika voor deze stoffen, maar door de politieke en ekonomische crises is de handel dusdanig in het slop geraakt, dat er daardoor zelfs in Helmond ontslagen zijn gevallen. Nadat Anna alle inkopen voor de avondmaaltijd heeft gedaan, gaan we terug naar onze basis. Onderweg stoppen we nog even om bier te drinken en Anna gaat er alleen op uit om wat muziek voor mij te kopen, waarvan bij terugkomst blijkt dat de prijs voor haar een kwart lager is dan die ik kon bedingen.


Zondag, 13 februari 1994, Lomé Davié Lomé.

Vandaag wil ik eerst de, alweer volgens de toeristengids van Air Afrique, beroemde fetiche de Gaulle in het dorp Dablakopé gaan bekijken. Het is een Ewe graftombe, die gemaakt is naar de beeltenis van de grote Franse generaal. Na eerst in Hotel du Bénin te hebben ontbeten en een wegenkaart van Togo te hebben gekocht, ga ik op de Boulevard van Lomé op zoek naar een taxi om er naar toe te gaan. Er zijn wat kleine complicaties, het dorp komt niet voor op de wegenkaart en de aangeroepen taxichauffeurs kennen dorp noch tombe. Iemand komt van het strand af naar ons toe om te helpen, vindt dat de foto van de fetiche die ik laat zien hem bekend voorkomt, maar weet niet waar het bijbehorende dorp is te vinden. In de gids staat nog een andere foto van een begraafplaats met tombes afgebeeld en wanneer ik deze laat zien licht zijn gezicht blij op "Mais alors, c'est mon village ca!" Davié heet het dorp, het staat op de kaart en ligt slechts een kilometer of dertig ten noorden van Lomé. Het bezoeken van de begraafplaats zal zeker geen problemen opleveren en de mensen in zijn dorp zullen mij graag helpen en misschien weten ze daar ook wel waar het dorp Dablakopé ligt.

Davié ligt aan de grote doorgaande weg van Lomé naar het Noorden van Togo. Hoewel het land erg smal is, aan de zuidkust 53 kilometer en op het breedste punt net even 100 kilometer, liggen de noord en de zuidgrens zo'n 600 kilometer van elkaar verwijderd. Lomé is niet erg groot, binnen 10 minuten zijn we buiten de stad en rijden direkt door wat zo mooi het Afrikaanse platteland heet. Veel kleine dorpen met hutten gebouwd van klei die bedekt zijn met daken van stro, terwijl in bijna alle riviertjes die worden gepaseerd, lijf en lijfgoed een goede wasbeurt krijgen. Onderweg weer militaire kontroles, maar nergens gezeur om geld of anderszins.

Eenmaal in Davié aangekomen hoeft er niet lang naar de begraafplaats te worden gezocht want deze ligt aan de grote weg en valt direkt op omdat er geen omheining om heen staat. De oude bewaker spreekt geen Frans en mijn chauffeur, die uit het noorden van het land komt, onvoldoende Ewe om de conversatie gaande te houden. Er wordt een tolk bijgeroepen, die onmiddelijk als gids begint op te treden. De tombe van de foto is helaas door onbekenden vernield, hetgeen mij nauwelijks verbaasd. De begraafplaats ligt aan de buitenkant van het dorp ingeklemd tussen de grote weg en een vuilstortplaats en heeft geen enkele bescherming. Er lopen wat voetpaden overheen en er spelen kinderen op de plekken waar wat meer ruimte is. Gelukkig zijn er ook nog wat tombes die in redelijke staat verkeren en tegen het maken van foto's bestaat geen enkel bezwaar. Ook de zelf benoemde gids heeft nog nooit van het dorp Dablakopé gehoord, maar adviseert een dorpje terug nog maar eens te vragen. Maar waarom gaan we eerst nog niet even naar de andere begraafplaats van het dorp en de artiest die al deze tombes maakt woont ook in dit dorp en waarom zoeken we hem ook niet even op, stelt hij voor. Ja waarom eigenlijk niet. Onze gids heet Koumi, want hij is op een zaterdag geboren en in de Ewe traditie worden kinderen naar de dag van hun geboorte vernoemd, de bewaker bij het guesthouse in Lomé heet Kofi want hij kwam op een vrijdag ter wereld. Ook de andere begraafplaats van het dorp ligt er troosteloos bij. Wie het zich kan permiteren richt een tombe op, en vaak is de tombe een reflektie van het beroep van de overledene: hier een jager, daar een landbouwer en dit is het graf van een helderziende. Wat hier ook zichtbaar wordt gemaakt, is dat de landsgrenzen van veel Afrikaanse landen volkomen kunstmatig tot stand zijn gekomen, zonder enige rekening met stam en familiebanden te houden. Zo wonen de Ewe in het zuid westen van Ghana, het zuiden van Togo en het zuid oosten van Benin. De presidenten van de beide buurlanden, Rawlings en Soglo, zijn allebei Ewe. Op de begraafplaats zijn er mensen afgebeeld, zoals hoogwaardigheidsbekleders in Ghana rondgaan, zowel qua de manier van het dragen van de kleding als qua waardigheidssymbolen. Tot slot gaan we naar het huis van de maker van de meeste tombes Komlla Agoudavi (Komlla is op een dinsdag geboren), maar treffen hem helaas niet thuis. Hij was net deze ochtend ontboden om een tombe voor een zojuist overleden dorpsgenoot te gaan ontwerpen. Een van zijn vrouwen zegt dat als we hem perse willen spreken we ook rustig even naar het huis van de overledene kunnen gaan, maar daar zie ik toch maar van af.

Op de weg terug naar Lomé vragen we in het dorp Toble Kopé, kopé schijnt in het Ewe "dorp" te betekenen voor de laatste keer naar de fetiche De Gaulle en het dorp Dablakopé. Ook in dit dorp heeft nog nooit iemand van de fetiche of het dorp, dat toch niet ver weg moet liggen, gehoord. Iedereen doet verschrikkelijk zijn best om ons ter wille te zijn, maar zonder het gewenste resultaat en zo blijft de vraag mij kwellen of dit magische monument nu echt wel bestaat.

Onderweg naar het Sarakawa Hotel om te gaan lunchen, passeren we de in de buitenwijken van Lomé de van bekleed beton gemaakte Colombe de la Paix, een enorme door President Eyadema opgerichte vredesduif. Tijdens anti regeringsdemonstraties zijn de vleugels van het arme beest afgehakt, omdat de demonstranten het gevoel hadden dat ze daarmee het bewind vleugellam konden maken. Het hotel ligt er uitgestorven bij en de buffetlunch aan het zwembad wordt vandaag niet geserveerd, "les événments politiques" en "la crise" worden als schuldigen aangewezen en hetzelfde gebeurt nog een keer bij Hotel du Bénin. Ten einde raad dan nog maar een keer naar Marox, een restaurant waar ik al eeder at en waar een solide maaltijd en voortreffelijk en goed gekoeld Togolees bier van de tap verkrijgbaar zijn.


Maandag, 14 februari 1994, Lomé vliegveld Lomé.

Vandaag word ik rond half twee op het vliegveld verwacht om terug te reizen naar Lagos en ga daarom al vroeg in de morgen naar centrum van Lomé om wat boeken en aardewerk te kopen. Aan de voet van de kathedraal is er een goed gesorteerde en door de nonnen gedreven boekwinkel met de fraaie naam "Le Bon Pasteur". Bidprentjes, foto's van de Paus op bezoek in Togo, kalenders met religieuze voorstellingen, ik voel me weer even terug in het goed katholieke Nijmegen van mijn kinderjaren. Maar ook veel studieboeken, Afrikaanse literatuur en lokale historie. Ik koop een boekje met Togolose legenden en een reisverslag van de duitse journalist Hugo Zöller, die in 1884 een bezoek aan de zojuist verworven kolonie bracht. Om de boeken te kunnen betalen en ook de rest van de dag door te kunnen komen, moet er nog wat geld worden gewisseld bij de tegenover de boekwinkel gelegen bank. Tot mijn niet geringe verbazing zijn de geboden koersen veel beter dan die van zaterdag op de zwarte markt, terwijl het toch andersom hoort te zijn.

Van het personeel in de boekwinkel probeer ik te weten te komen waar in Lomé aardewerk gebruiksvoorwerpen te koop zijn, dus geen toeristen aardewerk. Na enig rondvragen blijkt dit in de buurt van de Amerikaanse ambassade te zijn. Er met een taxi naar toe, want ook al is de ambassade niet ver weg en ook al is het nog vroeg in de ochtend, het is al erg warm en de vochtigheidsgraad is hoog. Bij de Amerikaanse ambassade aangekomen vraag ik de weg bij een van de bewakers "dan moet u in de buurt van de kathedraal zijn" is zijn advies. Na enig nadenken weet hij nog wel een marktje dichterbij, maar omdat ik dat marktje ook ken, weet ik dat ik ook daar niet naar toe wil. 't Is duidelijk dat hij mij naar de plaatsen verwijst waar blanken worden geacht hun aankopen te doen en ik leg hem uit dat ik daarin niet ben geinteresseerd. Ik wil gewoon aardewerk voor huishoudelijk gebruik kopen, potten of borden en daar waar de Togolezen deze ook kopen. De nadere uitleg helpt, de markt ligt om de hoek en is haast onzichtbaar omdat er een grote muur omheen is gebouwd, maar het is wel precies de plek die ik zoek.
Het aangeboden aardewerk is oranje rood van kleur, handgevormd, licht geglazuurd en eenvoudig tot niet gedekoreerd. Keuze te over in het straatje met potten, borden en schalen. De vaasachtige pot die ik wil kopen is bolrond en halfgeglazuurd en kost 200 FCFA, 60 cent. Tegen mijn gewoonte in, betaal ik zonder af te dingen.

Terug naar mijn kamer, douchen, omkleden en naar het vliegveld. Daar aangekomen slaat "Air Peut Etre" weer eens toe. Bij de ingang van de vertrekhal staat op een bord aangekondigd dat mijn vlucht, Lomé Libreville met een tussenlanding in Lagos, is vertraagd en daardoor niet in Lagos zal kunnen stoppen. Reden hiervoor is een om negen uur 's avonds ingaande avondklok in Gabon. Indien er in Lagos wordt gestopt, dan kan er in Libreville niet meer geland worden omdat het vliegtuig pas na het ingaan van de avondklok zal arriveren. Wat nu? De eerstvolgende vlucht van Air Afrique naar Lagos vertrekt pas op donderdag, maar woensdag worden de Togolese grenzen weer voor een paar dagen gesloten in verband met de tweede ronde van de parlementsverkiezingen. Waarom gaat u niet over de weg terug? Waarom denkt u dat ik hier met het vliegtuig naar toe ben gekomen? Juist ja, omdat ik even geen zin had om alle grensovergangen te voet te passeren, bovendien ben ik niet in het bezit van een visum voor Benin. Misschien is er nog wel plaats op de vlucht van Nigeria Airways van morgenmiddag, dat blijkt inderdaad het geval en men is daar zelfs bereid mijn, met Nairas betaalde Air Afrique, ticket te accepteren, iets dat iedere andere luchtvaartmaatschappij op het ogenblik weigert. De station manager van Air Afrique zal voor een hotel en vervoer zorgen en even later stap ik in een Mercedes met chauffeur om onderweg te gaan naar een hotel, waar je eerder met een Volkswagen model Kever verwacht te arriveren. Ik wil er dan ook niet blijven en maak een deal met de direkteur, we delen de waarde van aan mij gegeven Bon d'Herbergement en ik ga terug naar mijn kamer op de Universiteit.

Terwijl de papieren in het Hotel in orde worden gemaakt, alles moet er tenslotte "echt" uitzien, maak ik een praatje met de direkteur. Zijn naam is d'Almeida, terwijl het hotel dicht bij de Boulevard Augostino da Souza ligt, alwaar om de hoek het Restaurant Da Silveira dat is vernoemd naar zijn eigenaar. Bevind ik mij hier tussen Brazilianen? In Aného had ik ook al verkiezingsbiljetten met de naam d'Almeida gezien, hetgeen ik daar, gezien de achtergrond van het stadje, nogal authentiek had gevonden. Ik vertel de direkteur over de grote Braziliaanse gemeenschap in Lagos en denk dat hij best een Yoruba zou kunnen zijn. Zelf weet hij weinig van zijn afkomst, maar hij zegt geparenteerd te zijn aan flink wat families met Portugese namen.
Naderhand las ik dat er in Togo veel mensen met Portugese namen zijn, wier voorouders nooit overzee zijn geweest, maar huisslaven van de Portugezen in Porto Séguro waren en die, zoals de direkteur van het hotel me al zei, uiteraard de naam van hun meester kregen.

Terug naar de Universiteit en 's avonds Lomé in om te gaan dineren met een aantal studenten van het taleninstituut, Engelstalige Afrikanen die hier Frans studeren. Vroeg aan tafel en vroeg weer naar huis, want ook in Togo geldt een avondklok en men is beducht gearresteerd te worden. De Universiteit ligt vlak bij het huis van de President en een paar weken geleden zijn wat Engelstaligen door zeer oplettende soldaten gearresteerd, deze dachten met Ghanezen te maken te hebben. Ghana wordt er van verdacht de vorige maand de hand te hebben gehad in de aanslag op het leven van President Eyadema en de grenzen tussen beide landen zijn sindsdien gesloten. President Rawlings van Ghana en de Togolese President hebben openlijk een hekel aan elkaar, hetgeen nog versterkt wordt door de stamverwantschap tussen de bevolking in het zuiden van Togo en Ghanese president, die allen tot de Ewe stam behoren. De Ewe die door de noorderling Eyadema met alle mogelijke middelen uit het centrum van de macht worden gehouden.
Eten in "La Pergola" een buurtrestaurant aan de buitenkant van Lomé, de Afrikanen eten Europees, de Europeaan eet Togolees. Mory Royal, vis van de barbecue bedekt met stukjes tomaat en kruiden en met een bordje attieke, fijngemalen cassave. Er staat ook Mory, die niet "Royal" is op het menu, hierbij wordt de vis gebakken en niet op de barbecue bereid. Het is een erg smakelijke schotel, die ik in de Ivoorkust onder een andere naam ook al eens nuttigde.

Dinsdag, 15 februari 1994, Lomé Lagos.

De ochtend breng ik in en rond het guesthouse door en lees een paar hoofdstukken uit het boek over het Togo van ruim 100 jaar geleden dat ik gisteren kocht. Bijna het aardigste van het boek blijken de voetnoten, waarin hedendaagse Togolese historici commentaar geven op het verslag van de koloniale reiziger uit 1884. Zoals bijvoorbeeld waar de reiziger het uitgebreide begroetingsritueel tussen Afrikanen onderling beschrijft: Heb je goed geslapen? Hoe gaat het met je? En met je vrouw? Met de kinderen ook alles goed? En hoe gaat het met de varkens? En de kippen? In de voetnoot wordt vermeld dat dit een "plaisanterie stupide" is, omdat in de Afrikaanse etiquette nooit naar de gezondheid van de dieren wordt gevraagd. Ook tegenwoordig wordt er uit beleefdheid nog steeds uitgebreid begroet. Een eerste begroeting 's ochtends op kantoor verloopt vaak als volgt: "How was the night?", "Fine, thank you". "How is the family?", Fine". "How's work?" Fine, thank you". "How's the job?" "Not too bad". et cetera, et cetera. Uit beleefdheid antwoord je altijd dat het goed gaat. Het boek geeft overigens een aardige indruk over leven van alle dag uit die tijd, maar ook over de geringe honkvastheid van veel Afrikanen. Een voortdurend vestigen en vertrekken van groepen handelaren, ambachtslieden en arbeiders tussen de verschillende kustgebieden. Iets wat tot op de dag van vandaag in West Afrika nog steeds voortduurt, maar waar tegenwoordig ook Europa nadrukkelijk wordt geconfronteerd.

De tweede poging om per vliegtuig naar Lagos terug te reizen verloopt voorspoediger dan gisteren. Het vliegtuig is wel een paar uur te laat, maar landt en vertrekt uiteindelijk. Nigeria Airways heeft een zeer slechte reputatie, zeker onder de in Nigeria wonende Europeanen die je altijd medelijdend bejegenen als ze horen dat je met deze luchtlijn hebt gereisd. Zo ben ik op deze vlucht de enige blanke aan boord van de overvolle 737, maar klachten over de service heb ik absoluut niet, want hoe kan je nu klagen over iets dat er niet is? Het belangrijkste is dat het vliegtuig veilig in Lagos aankomt en dat is het geval.

's Avonds meldt het Nigeriaanse televisienieuws dat er in Lomé een belangrijke en tot de oppositie behorende politicus samen met een paar medestanders is vermoord door in militair uniform geklede personen. "Les événements politiques" en "la crise" zullen voorlopig nog wel een veelgehoord excuus in Togo blijven.



© Jacques de Rhoter

Duitse troepen in Togoland 1884

Printversie