|
OP BEZOEK BIJ DE BUREN V TOGO (28-02-1994)
In mei 1991 kocht ik voor het eerst een
ticket Lagos Lomé Lagos en sindsdien
heb ik mezelf vele malen de vraag "Togo
or not to go?" moeten stellen. De beweging
om tot een meer demokratisch geinspireerd
landsbestuur te komen en de onwil van de
zittende President en zijn entourage om
afscheid van de macht te nemen, leidde in
Togo tot, een op de dag van vandaag voortdurende,
erg onrustige politieke situatie. Herhaaldelijk
waren er proteststakingen, werd de avondklok
ingesteld, werden er aanslagen op het leven
van President Gnassingbe Eyadema gepleegd
en werden de grenzen gesloten. Daarnaast
waren er de negatieve reisadviezen van de
Togolese ambassade in Lagos, die bij herhaling
tot uitstel van de reis noopten. Ook nu
weer, bijna drie jaar later, moet ik de
reis, die voor het weekeinde van 6 februari
is gepland, uitstellen omdat in verband
met de eerste ronde van de parlementsverkiezingen
de grenzen zullen worden gesloten. Dan maar
het volgende weekend dat tussen de eerste
en tweede verkiezingsronde in valt.
Tussen de belangrijke Afrikaanse koninkrijken
van de Ashanti en Dahomey, lag een buffer
van onbetekenende koninkrijkjes, die 110
jaar geleden, op 5 juli 1884, tot "Territorium
unter Kaiserlich Deutschem Protektorat"
worden verklaard. De zojuist verworven kolonie
wordt door de Duitsers naar een van de stadjes
in het gebied vernoemd en zo verschijnt
Togoland op de kaart. De Duitse aanwezigheid
beperkt zich aanvankelijk tot het plaatsen
van wat grenspalen en het hier en daar hijsen
van de Duitse vlag. Op een kaart uit 1885
is dit nauwkeurig ingetekend onder de vermelding
"Grenzpfal gesetzt" en "Deutsche
Kriegsflagge gehisst". Het protektoraat
bestond echter uit niet meer dan een gebied
langs de kust dat nergens breder was dan
een kilometer of twintig. De meest landinwaarts
geplaatste grenspaal stond bij het stadje
Agoenyive, even ten noorden van Lomé.
Pas na de Conferentie van Berlijn in 1885,
waar Afrika tussen de grote Europese mogendheden
werd opgedeeld en er grenzen werden getrokken,
trekt men verder het binnen land in om het
koloniale gezag te vestigen.
Togoland blijft Togoland tot aan het begin
van de Eerste Wereldoorlog, wanneer Engelse
en Franse troepen snel een einde maken aan
het Duitse koloniale gezag. Aan het einde
van de oorlog neemt de Volkerenbond het
beheer van de voormalige Duitse kolonies
in Afrika over en wordt de koloniale administratie
van het land opgedragen aan Frankrijk. Een
van de eerste zaken die de Fransen organiseren
is het onderwijs en zo wordt het land langzaam
maar zeker een Frans sprekende natie. Togoland
verdwijnt van de kaart en "le Togo"
verschijnt, het is onder deze naam dat het
land in 1960 onafhankelijk zal worden.
Vrijdag, 11 februari 1994, Lagos Lomé.
Murtala Muhammed, het internationale vliegveld
van Lagos, is midden op de dag erg rustig,
omdat de meeste vluchten van en naar Europa
vroeg in de avond aankomen en voor middernacht
weer vertrekken. In de loop van de dag staan
er slechts een klein aantal regionale vluchten
op het programma. De airconditioning van
het vliegveld is weer eens buiten werking
en daardoor is het er onaangenaam warm.
Het bezit van een dubbel geconfimeerde ticket
en uitsluitend reizend met handbagage ontslaat
de reiziger niet van de verplichting om
tenminste twee tot drie uur voor het vertrek
van de vlucht in te checken. Alleen dan
kan de luchtvaartmaatschappij met enige
zekerheid een plaats in het vliegtuig garanderen.
De vlucht van Lagos naar Lomé duurt
nog geen 25 minuten. Passagiers met een
eerste klas of business class ticket mogen
zich verpozen in de First Class lounge van
Nigeria Airways. Helaas wordt daar de airconditioning
net vervangen en moeten de bezwete reizigers
het doen met de af en toe langs strijkende
bries van een ventilator en matig gekoelde
drankjes.
Toen ik in september vorig jaar naar de
Ivoorkust reisde, was er in Nigeria net
een nieuwe regering aan de macht die de
strijd met de alom heersende corruptie zei
te hebben aangebonden. Niet dat de gewone
burger daar iets van merkte, want het eisen
van steekpenningen ging gewoon door. Volgens
de media voert de, sinds november 1993 in
het zadel zittende, regering van Generaal
Abacha een oorlog tegen de indiscipline
en corruptie in het land (War Against Indiscipline
and Corruption WAIC). Ook daar merken de
burgers weinig van, want de bedragen die
als steekpenningen worden geeist voor dezelfde
dienst gaan steeds verder omhoog. Dit schijnt
te worden veroorzaakt door de onregelmatige
en soms zelfs maanden achterwege blijvende
betaling van de salarissen van veel overheidsdienaren.
Zo heb ik, als (legale) vreemdeling en afkomstig
uit een land dat niet tot het Gemenebest
behoort, ieder keer dat ik naar buiten Nigeria
wil reizen "toestemming tot vertrek"
(departure permit) nodig om te mogen afreizen.
Dit vereist een stempel in mijn vreemdelingenboekje,
een stempel dat bij aanmelding van de reis
bij de vreemdelingenpolitie in principe
gratis moet worden gezet, maar waar mijn
werkgever meestal 50 Naira, een gulden of
twee, voor betaalt. Het aanmelden van een
voorgenomen reis diende tot nu toe binnen
zeven dagen voor de vertrekdatum te gebeuren.
Plotseling zijn de regels, zonder dat dit
overigens bekend is gemaakt, gewijzigd en
dient de "alien" zich nu tenminste
zeven dagen voor vertrek te melden. Ik meld
mijn reis dus te laat aan en krijg geen
toestemming tot vertrek. Via "mensen
die de weg kennen" onderneeemt een
medewerker van het bedrijf waar ik werk,
alsnog een poging om het zo vurig gewenste
stempel te bemachtigen. Uit het verslag
achteraf blijkt dat het loven en bieden
begon bij 5.000 Naira en waar het uiteindelijk
op is afgemaakt, is mij nooit verteld. Wat
voor mij telde was, dat ik mijn stempel
had. In de boekhouding worden deze kosten
onder het hoofd "unreceipted protocol
expenses" verantwoord. Ter vergelijking:
de prijs van mijn business class retourticket
bedraagt 3.250 Naira.
Ook bij de kontrolepunten op het vliegveld
worden in alle openheid weer uiterst serieuze
pogingen gedaan om het inkomen op te vijzelen.
De schoudertas waar men mijn geld vermoedt,
wordt binnenstebuiten gekeerd om te voorkomen
dat er Nairas, een valuta die nergens ter
wereld enige waarde heeft, het land worden
uitgesmokkeld. Regelmatige reizigers hebben
dus nooit geld bij zich, tenzij ze perse
officieel gerold wensen te worden.
Bij het kontrolepunt "drugs" wordt
mij gevraagd of ik misschien missionaris
ben en op mijn ontkennende antwoord wordt
direkt doorgevraagd of ik dan misschien
journalist ben "want daar houden wij
hier niet zo erg van". Ik laat blijken
dat ik daarmee geheel op de hoogte ben en
vertel de kontroleur dat indien hij mijn
beroep wil weten, hij slechts mijn verblijfsvergunning
hoeft te raadplegen, dat is zo vroeg op
de dag wat te veel gevraagd en ik mag doorlopen.
Bij aankomst in Lomé vraagt de immigratieambtenaar,
die op het door mij ingevulde formulier
een adres in Lagos ziet, of het echt waar
is dat ik in Lagos woon en moet samen met
een collega erg lachen als ik dat bevestig.
Als een boer met kiespijn lach ik met hun
mee.
Na de douane, in de aankomsthal, eerst
een groot glas bier van de tap, iets dat
in Nigeria niet te koop is. Daarna snel
door naar de Universiteit van Lomé,
waar in het guesthouse van het taleninstituut
een kamer voor mij is gereserveerd.
Zaterdag, 12 februari 1994, Lomé
Aného Lomé.
De vanochtend verwachte auto met chauffeur,
blijkt bij aankomst een auto zonder chauffeur
te zijn en twee keer zoveel te moeten kosten
als gisteren was afgesproken, maar toen
wist men nog niet dat de klant blank zou
zijn en dus rijk. Gelukkig is er in dit
deel van Afrika altijd wel alternatief transport
te vinden in de vorm van stadstaxi's of
de taxi brousse. Het charteren van een taxi
is niet zo moeilijk. Logeer je in een hotel
dan staan er altijd wel wat taxi's in de
buurt en probeer je via het hotelpersoneel
een idee van de gangbare tarieven te krijgen,
want bij het ontbreken van een taximeter
moet de prijs worden onderhandeld. Meestal
neem ik een taxi voor een korte rit en kijk
eerst of auto en chauffeur mij bevallen.
Is dit het geval dan probeer ik tijdens
de rit uit te vinden of de chauffeur de
omgeving waar ik naar toe wil een beetje
kent en begin daarna te onderhandelen over
de prijs. Onderweg naar het het centrum
van Lomé wordt er zo een taxi voor
de rest van de dag gecharterd voor het schone
bedrag van 4.000 CFA Franken, een gulden
of twaalf.
De guide touristique van Air Afrique, die
ik heb gebruikt om deze reis voor te bereiden,
raadt de bezoeker van Togo aan om te beginnen
met een rondgang door het Nationale Museum
om een goede indruk te krijgen van de rijke
cultuur van het land. Slaafs volg ik dit
advies op, maar had beter moeten weten.
Het Museum is gevestigd in het voormalige
Maison de la RPT (Rassemblement du Peuple
Togolais), de politieke partij van het staatshoofd
Gnassingbe Eyadema, maar is inmiddels herdoopt
in Maison du Congres. Het ligt in het deel
van Lomé waar de ambassades, overheidsinstellingen
en grote bedrijven kantoor houden en waar
op zaterdagochtend dezelfde weldadige rust
heerst als zomers na een uur of zes in de
middag in het centrum van Rotterdam. De
ingang van het Museum zit nadrukkelijk op
slot en wordt min of meer bewaakt door een
drietal jeugdige gendarmes. Het blijkt dat
het Museum al geruime tijd is gesloten en
niet meer funktioneert. "Tenminste
18 maanden, want dat is zo lang wij hier
al zijn, hebben we hier nog nooit iemand
naar binnen zien gaan" verteld een
van de gendarmes mij desgevraagd. De uitdrukking
op zijn gezicht vertelt mij er bij dat dit
wat hem betreft dus al sinds mensenheugenis
is.
Lomé ligt op de grens met het buurland
Ghana en mijn eerste reisdoel, het stadje
Aného, ligt op de grens met Benin,
het andere buurland. Langs de kust bedraagt
de afstand van grens tot grens slechts 53
km, een autorit van nog geen uur. Toen er
nog geen landsgrenzen bestonden, werd ook
dit deel van West Afrika als slavenkust
aangeduid. Het stadje Agbodrafo, halverwege
Lomé en Aného, staat op de
eerste Duitse koloniale kaarten nog als
Porto Séguro aangeduid en was een
van de Portugese exporthavens voor gedwongen
gastarbeid overzee.
De Boulevard de la République vormt
in Lomé het begin van de weg dwars
door het land: in de stad links kantoren,
hotels en villa's en rechts het brede zandstrand
van de Golf van Guinee. Na een paar kilometer
verandert een deel van het strand plotseling
in een gigantische groentetuin, waarin tientallen
Togolezen druk bezig zijn met het verbouwen
van uitjes, sla, bietjes, wortelen, enzovoorts.
Het kustgebied sluit geheel aan bij dat
van de Ghanese buren, maar daar heb ik op
het strand alleen maar vissers gezien en
geen tuinders. Na de haven en het industriegebied
te zijn gepasseerd, rijden we tussen de
palmen en herinnert het landschap sterk
aan dat van de oostelijke Ivoorkust. Enorme
palmboomplantages met huizen en omheiningen
gebouwd van ineengevlochten palmbladeren.
Langs de weg natuurlijk ook overal de in
Afrika kennelijk onvermijdelijke kontroleposten
van het leger en de gendarmerie, maar het
gaat er erg gemoedelijk aan toe en we worden
overal vriendelijk doorgewuifd.
Aného, door de Duitsers Klein Popo
en later door de Fransen Petit Popo genoemd
(het Grote Popo ligt net aan de andere kant
van de grens in de Republiek Benin), moest
met een bezoek worden vereerd omdat het
de stad van de uit Brazilië teruggekeerde
bevrijde slaven zou zijn. Ik dacht er, net
als in het oude centrum van Lagos, resten
van wat hier als Braziliaanse architectuur
bekend staat te zullen vinden. We waren
het stadje door voordat we er erg in hadden
en ik had in het voorbijgaan maar twee villa-achtige
huizen met braziliaanse trekjes ontdekt.
Dan eerst maar ontbijten op het terras van
Hotel Oasis en genieten van het uitzicht
over de lagune en het stadje.
Na het ontbijt wordt Aného aan een
nadere inspektie onderworpen. Daar waar
de strook land tussen de zee en de lagune
naar schatting niet meer dan 200 meter breed
is en waar de weg naar Benin via een brug
over de lagune landinwaarts wordt gevoerd,
zijn de Gendarmerie en de Openbare Bibliotheek
gevestigd. Beide gebouwen zien er uit de
verte modern uit, maar blijken van dichtbij
oude gebouwen die van een nieuwe facade
zijn voorzien. Helaas kan er niet worden
gefotografeerd, maar sommige ornamenten
aan de buitenkant van de biblitheek doen
duidelijk braziliaans aan. We rijden de
oude en vol gaten zittende weg langs het
strand af, zien hier en daar wel huisjes
die zijn opgebouwd uit handgevormde gesloopte
rode bakstenen, maar geen Braziliaans Portugees
geinspireerde bouwstijlen, ornamenten en
smeedwerk zoals in Lagos. Bijna aan het
einde van de weg en pal op het strand staat
een statige witte kerk "Eglise de Saint
Pierre et Saint Paul" die nog door
Duitse missionarissen is gebouwd. Kennelijk
heeft de bouw nogal even geduurd, in een
van de stenen van de fundering staat 1898
gekrast, boven de ingang staat 1901 en hoog
in de gevel staat 1924 als bouwjaar aangegeven.
Het gebouw is min of meer in onbruik geraakt,
de kerk wordt niet gebruikt, maar de aan
de kerk gebouwde parochiekantoor nog wel.
De er kantoorhoudende priester begroet ons
vriendelijk en beweert dat het gebouw al
meer dan 100 jaar oud is, de erediensten
worden tegenwoordig wat verder landinwaarts
gehouden, omdat de dreigende zee wat te
dicht bij kwam.
Verder door het stadje zwervend ontdekken
we nog wat vergane glorie uit de twintiger
jaren, onbewoonde en vervallen villas met
mooie namen in de gevel. Het is de uit Brazilië
terugkerende slaven hier destijds duidelijk
minder voor de wind gegaan, dan hun lotgenoten
die zich in Lagos vestigden.
Terug naar Lomé. De chauffeur heeft
benzine nodig en hoewel er geen gebrek aan
benzinestations is, doet hij liever zaken
op de onofficiële markt. Op veel plaatsen
langs de weg wordt benzine in flessen te
koop aangeboden tegen een prijs die ongeveer
10% onder die van de stations ligt. Vanuit
Nigeria en via Benin wordt de brandstof
Togo binnengesmokkeld. Na een paar kilometer
stopt de chauffeur om kokosnoten te kopen.
De prijs? Cinq pour Cent, vijf verse noten
voor 100 FCFA ofwel 30 cent. Een drink ik
er leeg en de andere bewaar ik in de koelkast
van mijn kamer, gekoeld zal de verse kokosmelk
nog lekkerder blijken.
Apart zijn ook de kilometerpaaltjes. Rijdend
in de richting Ghana staat er de afstand
tot de Ghanese grens op aangegeven, de andere
kant op, richting Benin de afstand tot de
grens met Benin.
's Middags, terug in Lomé, moet
er geld worden gewisseld. De chauffeur weet
de weg naar en op de zwarte markt en geeft
wat nuttige tips. Zelf heb ik in het vliegtuig
aan de hand van de krant zo'n beetje berekend
wat de officiële koers is. Na flink
onderhandelen komen we tot zaken tegen schijnbaar
aantrekkelijke koersen en kunnen nu de Grand
Marché op om inkopen te gaan doen.
Begeleidt door Anna, de Togolese vriendin
van een Nigeriaan die ik op de universiteit
heb ontmoet, maak ik mijn ronde. De Grand
Marché is letterlijk een heel grote
markt waar werkelijk alles te koop is, de
sfeer, de kleur en de geur zijn Afrika in
optima forma en het is altijd weer een belevenis
over een dergelijke markt te dwalen. Aan
de voet van de door de Duitsers gebouwde
kathedraal de sektie waar de katoentjes
van Vlisco uit Helmond worden verkocht en
het domein van de Nana Benz, koopvrouwen
die met de verkoop van de populaire "Véritable
Wax Hollandais" zo rijk zijn geworden,
dat ze zich per Mercedes Benz kunnen verplaatsen.
Togo funktioneert als distributiecentrum
voor West Afrika voor deze stoffen, maar
door de politieke en ekonomische crises
is de handel dusdanig in het slop geraakt,
dat er daardoor zelfs in Helmond ontslagen
zijn gevallen. Nadat Anna alle inkopen voor
de avondmaaltijd heeft gedaan, gaan we terug
naar onze basis. Onderweg stoppen we nog
even om bier te drinken en Anna gaat er
alleen op uit om wat muziek voor mij te
kopen, waarvan bij terugkomst blijkt dat
de prijs voor haar een kwart lager is dan
die ik kon bedingen.
Zondag, 13 februari 1994, Lomé Davié
Lomé.
Vandaag wil ik eerst de, alweer volgens
de toeristengids van Air Afrique, beroemde
fetiche de Gaulle in het dorp Dablakopé
gaan bekijken. Het is een Ewe graftombe,
die gemaakt is naar de beeltenis van de
grote Franse generaal. Na eerst in Hotel
du Bénin te hebben ontbeten en een
wegenkaart van Togo te hebben gekocht, ga
ik op de Boulevard van Lomé op zoek
naar een taxi om er naar toe te gaan. Er
zijn wat kleine complicaties, het dorp komt
niet voor op de wegenkaart en de aangeroepen
taxichauffeurs kennen dorp noch tombe. Iemand
komt van het strand af naar ons toe om te
helpen, vindt dat de foto van de fetiche
die ik laat zien hem bekend voorkomt, maar
weet niet waar het bijbehorende dorp is
te vinden. In de gids staat nog een andere
foto van een begraafplaats met tombes afgebeeld
en wanneer ik deze laat zien licht zijn
gezicht blij op "Mais alors, c'est
mon village ca!" Davié heet
het dorp, het staat op de kaart en ligt
slechts een kilometer of dertig ten noorden
van Lomé. Het bezoeken van de begraafplaats
zal zeker geen problemen opleveren en de
mensen in zijn dorp zullen mij graag helpen
en misschien weten ze daar ook wel waar
het dorp Dablakopé ligt.
Davié ligt aan de grote doorgaande
weg van Lomé naar het Noorden van
Togo. Hoewel het land erg smal is, aan de
zuidkust 53 kilometer en op het breedste
punt net even 100 kilometer, liggen de noord
en de zuidgrens zo'n 600 kilometer van elkaar
verwijderd. Lomé is niet erg groot,
binnen 10 minuten zijn we buiten de stad
en rijden direkt door wat zo mooi het Afrikaanse
platteland heet. Veel kleine dorpen met
hutten gebouwd van klei die bedekt zijn
met daken van stro, terwijl in bijna alle
riviertjes die worden gepaseerd, lijf en
lijfgoed een goede wasbeurt krijgen. Onderweg
weer militaire kontroles, maar nergens gezeur
om geld of anderszins.
Eenmaal in Davié aangekomen hoeft
er niet lang naar de begraafplaats te worden
gezocht want deze ligt aan de grote weg
en valt direkt op omdat er geen omheining
om heen staat. De oude bewaker spreekt geen
Frans en mijn chauffeur, die uit het noorden
van het land komt, onvoldoende Ewe om de
conversatie gaande te houden. Er wordt een
tolk bijgeroepen, die onmiddelijk als gids
begint op te treden. De tombe van de foto
is helaas door onbekenden vernield, hetgeen
mij nauwelijks verbaasd. De begraafplaats
ligt aan de buitenkant van het dorp ingeklemd
tussen de grote weg en een vuilstortplaats
en heeft geen enkele bescherming. Er lopen
wat voetpaden overheen en er spelen kinderen
op de plekken waar wat meer ruimte is. Gelukkig
zijn er ook nog wat tombes die in redelijke
staat verkeren en tegen het maken van foto's
bestaat geen enkel bezwaar. Ook de zelf
benoemde gids heeft nog nooit van het dorp
Dablakopé gehoord, maar adviseert
een dorpje terug nog maar eens te vragen.
Maar waarom gaan we eerst nog niet even
naar de andere begraafplaats van het dorp
en de artiest die al deze tombes maakt woont
ook in dit dorp en waarom zoeken we hem
ook niet even op, stelt hij voor. Ja waarom
eigenlijk niet. Onze gids heet Koumi, want
hij is op een zaterdag geboren en in de
Ewe traditie worden kinderen naar de dag
van hun geboorte vernoemd, de bewaker bij
het guesthouse in Lomé heet Kofi
want hij kwam op een vrijdag ter wereld.
Ook de andere begraafplaats van het dorp
ligt er troosteloos bij. Wie het zich kan
permiteren richt een tombe op, en vaak is
de tombe een reflektie van het beroep van
de overledene: hier een jager, daar een
landbouwer en dit is het graf van een helderziende.
Wat hier ook zichtbaar wordt gemaakt, is
dat de landsgrenzen van veel Afrikaanse
landen volkomen kunstmatig tot stand zijn
gekomen, zonder enige rekening met stam
en familiebanden te houden. Zo wonen de
Ewe in het zuid westen van Ghana, het zuiden
van Togo en het zuid oosten van Benin. De
presidenten van de beide buurlanden, Rawlings
en Soglo, zijn allebei Ewe. Op de begraafplaats
zijn er mensen afgebeeld, zoals hoogwaardigheidsbekleders
in Ghana rondgaan, zowel qua de manier van
het dragen van de kleding als qua waardigheidssymbolen.
Tot slot gaan we naar het huis van de maker
van de meeste tombes Komlla Agoudavi (Komlla
is op een dinsdag geboren), maar treffen
hem helaas niet thuis. Hij was net deze
ochtend ontboden om een tombe voor een zojuist
overleden dorpsgenoot te gaan ontwerpen.
Een van zijn vrouwen zegt dat als we hem
perse willen spreken we ook rustig even
naar het huis van de overledene kunnen gaan,
maar daar zie ik toch maar van af.
Op de weg terug naar Lomé vragen
we in het dorp Toble Kopé, kopé
schijnt in het Ewe "dorp" te betekenen
voor de laatste keer naar de fetiche De
Gaulle en het dorp Dablakopé. Ook
in dit dorp heeft nog nooit iemand van de
fetiche of het dorp, dat toch niet ver weg
moet liggen, gehoord. Iedereen doet verschrikkelijk
zijn best om ons ter wille te zijn, maar
zonder het gewenste resultaat en zo blijft
de vraag mij kwellen of dit magische monument
nu echt wel bestaat.
Onderweg naar het Sarakawa Hotel om te
gaan lunchen, passeren we de in de buitenwijken
van Lomé de van bekleed beton gemaakte
Colombe de la Paix, een enorme door President
Eyadema opgerichte vredesduif. Tijdens anti
regeringsdemonstraties zijn de vleugels
van het arme beest afgehakt, omdat de demonstranten
het gevoel hadden dat ze daarmee het bewind
vleugellam konden maken. Het hotel ligt
er uitgestorven bij en de buffetlunch aan
het zwembad wordt vandaag niet geserveerd,
"les événments politiques"
en "la crise" worden als schuldigen
aangewezen en hetzelfde gebeurt nog een
keer bij Hotel du Bénin. Ten einde
raad dan nog maar een keer naar Marox, een
restaurant waar ik al eeder at en waar een
solide maaltijd en voortreffelijk en goed
gekoeld Togolees bier van de tap verkrijgbaar
zijn.
Maandag, 14 februari 1994, Lomé vliegveld
Lomé.
Vandaag word ik rond half twee op het vliegveld
verwacht om terug te reizen naar Lagos en
ga daarom al vroeg in de morgen naar centrum
van Lomé om wat boeken en aardewerk
te kopen. Aan de voet van de kathedraal
is er een goed gesorteerde en door de nonnen
gedreven boekwinkel met de fraaie naam "Le
Bon Pasteur". Bidprentjes, foto's van
de Paus op bezoek in Togo, kalenders met
religieuze voorstellingen, ik voel me weer
even terug in het goed katholieke Nijmegen
van mijn kinderjaren. Maar ook veel studieboeken,
Afrikaanse literatuur en lokale historie.
Ik koop een boekje met Togolose legenden
en een reisverslag van de duitse journalist
Hugo Zöller, die in 1884 een bezoek
aan de zojuist verworven kolonie bracht.
Om de boeken te kunnen betalen en ook de
rest van de dag door te kunnen komen, moet
er nog wat geld worden gewisseld bij de
tegenover de boekwinkel gelegen bank. Tot
mijn niet geringe verbazing zijn de geboden
koersen veel beter dan die van zaterdag
op de zwarte markt, terwijl het toch andersom
hoort te zijn.
Van het personeel in de boekwinkel probeer
ik te weten te komen waar in Lomé
aardewerk gebruiksvoorwerpen te koop zijn,
dus geen toeristen aardewerk. Na enig rondvragen
blijkt dit in de buurt van de Amerikaanse
ambassade te zijn. Er met een taxi naar
toe, want ook al is de ambassade niet ver
weg en ook al is het nog vroeg in de ochtend,
het is al erg warm en de vochtigheidsgraad
is hoog. Bij de Amerikaanse ambassade aangekomen
vraag ik de weg bij een van de bewakers
"dan moet u in de buurt van de kathedraal
zijn" is zijn advies. Na enig nadenken
weet hij nog wel een marktje dichterbij,
maar omdat ik dat marktje ook ken, weet
ik dat ik ook daar niet naar toe wil. 't
Is duidelijk dat hij mij naar de plaatsen
verwijst waar blanken worden geacht hun
aankopen te doen en ik leg hem uit dat ik
daarin niet ben geinteresseerd. Ik wil gewoon
aardewerk voor huishoudelijk gebruik kopen,
potten of borden en daar waar de Togolezen
deze ook kopen. De nadere uitleg helpt,
de markt ligt om de hoek en is haast onzichtbaar
omdat er een grote muur omheen is gebouwd,
maar het is wel precies de plek die ik zoek.
Het aangeboden aardewerk is oranje rood
van kleur, handgevormd, licht geglazuurd
en eenvoudig tot niet gedekoreerd. Keuze
te over in het straatje met potten, borden
en schalen. De vaasachtige pot die ik wil
kopen is bolrond en halfgeglazuurd en kost
200 FCFA, 60 cent. Tegen mijn gewoonte in,
betaal ik zonder af te dingen.
Terug naar mijn kamer, douchen, omkleden
en naar het vliegveld. Daar aangekomen slaat
"Air Peut Etre" weer eens toe.
Bij de ingang van de vertrekhal staat op
een bord aangekondigd dat mijn vlucht, Lomé
Libreville met een tussenlanding in Lagos,
is vertraagd en daardoor niet in Lagos zal
kunnen stoppen. Reden hiervoor is een om
negen uur 's avonds ingaande avondklok in
Gabon. Indien er in Lagos wordt gestopt,
dan kan er in Libreville niet meer geland
worden omdat het vliegtuig pas na het ingaan
van de avondklok zal arriveren. Wat nu?
De eerstvolgende vlucht van Air Afrique
naar Lagos vertrekt pas op donderdag, maar
woensdag worden de Togolese grenzen weer
voor een paar dagen gesloten in verband
met de tweede ronde van de parlementsverkiezingen.
Waarom gaat u niet over de weg terug? Waarom
denkt u dat ik hier met het vliegtuig naar
toe ben gekomen? Juist ja, omdat ik even
geen zin had om alle grensovergangen te
voet te passeren, bovendien ben ik niet
in het bezit van een visum voor Benin. Misschien
is er nog wel plaats op de vlucht van Nigeria
Airways van morgenmiddag, dat blijkt inderdaad
het geval en men is daar zelfs bereid mijn,
met Nairas betaalde Air Afrique, ticket
te accepteren, iets dat iedere andere luchtvaartmaatschappij
op het ogenblik weigert. De station manager
van Air Afrique zal voor een hotel en vervoer
zorgen en even later stap ik in een Mercedes
met chauffeur om onderweg te gaan naar een
hotel, waar je eerder met een Volkswagen
model Kever verwacht te arriveren. Ik wil
er dan ook niet blijven en maak een deal
met de direkteur, we delen de waarde van
aan mij gegeven Bon d'Herbergement en ik
ga terug naar mijn kamer op de Universiteit.
Terwijl de papieren in het Hotel in orde
worden gemaakt, alles moet er tenslotte
"echt" uitzien, maak ik een praatje
met de direkteur. Zijn naam is d'Almeida,
terwijl het hotel dicht bij de Boulevard
Augostino da Souza ligt, alwaar om de hoek
het Restaurant Da Silveira dat is vernoemd
naar zijn eigenaar. Bevind ik mij hier tussen
Brazilianen? In Aného had ik ook
al verkiezingsbiljetten met de naam d'Almeida
gezien, hetgeen ik daar, gezien de achtergrond
van het stadje, nogal authentiek had gevonden.
Ik vertel de direkteur over de grote Braziliaanse
gemeenschap in Lagos en denk dat hij best
een Yoruba zou kunnen zijn. Zelf weet hij
weinig van zijn afkomst, maar hij zegt geparenteerd
te zijn aan flink wat families met Portugese
namen.
Naderhand las ik dat er in Togo veel mensen
met Portugese namen zijn, wier voorouders
nooit overzee zijn geweest, maar huisslaven
van de Portugezen in Porto Séguro
waren en die, zoals de direkteur van het
hotel me al zei, uiteraard de naam van hun
meester kregen.
Terug naar de Universiteit en 's avonds
Lomé in om te gaan dineren met een
aantal studenten van het taleninstituut,
Engelstalige Afrikanen die hier Frans studeren.
Vroeg aan tafel en vroeg weer naar huis,
want ook in Togo geldt een avondklok en
men is beducht gearresteerd te worden. De
Universiteit ligt vlak bij het huis van
de President en een paar weken geleden zijn
wat Engelstaligen door zeer oplettende soldaten
gearresteerd, deze dachten met Ghanezen
te maken te hebben. Ghana wordt er van verdacht
de vorige maand de hand te hebben gehad
in de aanslag op het leven van President
Eyadema en de grenzen tussen beide landen
zijn sindsdien gesloten. President Rawlings
van Ghana en de Togolese President hebben
openlijk een hekel aan elkaar, hetgeen nog
versterkt wordt door de stamverwantschap
tussen de bevolking in het zuiden van Togo
en Ghanese president, die allen tot de Ewe
stam behoren. De Ewe die door de noorderling
Eyadema met alle mogelijke middelen uit
het centrum van de macht worden gehouden.
Eten in "La Pergola" een buurtrestaurant
aan de buitenkant van Lomé, de Afrikanen
eten Europees, de Europeaan eet Togolees.
Mory Royal, vis van de barbecue bedekt met
stukjes tomaat en kruiden en met een bordje
attieke, fijngemalen cassave. Er staat ook
Mory, die niet "Royal" is op het
menu, hierbij wordt de vis gebakken en niet
op de barbecue bereid. Het is een erg smakelijke
schotel, die ik in de Ivoorkust onder een
andere naam ook al eens nuttigde.
Dinsdag, 15 februari 1994, Lomé
Lagos.
De ochtend breng ik in en rond het guesthouse
door en lees een paar hoofdstukken uit het
boek over het Togo van ruim 100 jaar geleden
dat ik gisteren kocht. Bijna het aardigste
van het boek blijken de voetnoten, waarin
hedendaagse Togolese historici commentaar
geven op het verslag van de koloniale reiziger
uit 1884. Zoals bijvoorbeeld waar de reiziger
het uitgebreide begroetingsritueel tussen
Afrikanen onderling beschrijft: Heb je goed
geslapen? Hoe gaat het met je? En met je
vrouw? Met de kinderen ook alles goed? En
hoe gaat het met de varkens? En de kippen?
In de voetnoot wordt vermeld dat dit een
"plaisanterie stupide" is, omdat
in de Afrikaanse etiquette nooit naar de
gezondheid van de dieren wordt gevraagd.
Ook tegenwoordig wordt er uit beleefdheid
nog steeds uitgebreid begroet. Een eerste
begroeting 's ochtends op kantoor verloopt
vaak als volgt: "How was the night?",
"Fine, thank you". "How is
the family?", Fine". "How's
work?" Fine, thank you". "How's
the job?" "Not too bad".
et cetera, et cetera. Uit beleefdheid antwoord
je altijd dat het goed gaat. Het boek geeft
overigens een aardige indruk over leven
van alle dag uit die tijd, maar ook over
de geringe honkvastheid van veel Afrikanen.
Een voortdurend vestigen en vertrekken van
groepen handelaren, ambachtslieden en arbeiders
tussen de verschillende kustgebieden. Iets
wat tot op de dag van vandaag in West Afrika
nog steeds voortduurt, maar waar tegenwoordig
ook Europa nadrukkelijk wordt geconfronteerd.
De tweede poging om per vliegtuig naar
Lagos terug te reizen verloopt voorspoediger
dan gisteren. Het vliegtuig is wel een paar
uur te laat, maar landt en vertrekt uiteindelijk.
Nigeria Airways heeft een zeer slechte reputatie,
zeker onder de in Nigeria wonende Europeanen
die je altijd medelijdend bejegenen als
ze horen dat je met deze luchtlijn hebt
gereisd. Zo ben ik op deze vlucht de enige
blanke aan boord van de overvolle 737, maar
klachten over de service heb ik absoluut
niet, want hoe kan je nu klagen over iets
dat er niet is? Het belangrijkste is dat
het vliegtuig veilig in Lagos aankomt en
dat is het geval.
's Avonds meldt het Nigeriaanse televisienieuws
dat er in Lomé een belangrijke en
tot de oppositie behorende politicus samen
met een paar medestanders is vermoord door
in militair uniform geklede personen. "Les
événements politiques"
en "la crise" zullen voorlopig
nog wel een veelgehoord excuus in Togo blijven.
|