|
OP BEZOEK BIJ DE BUREN VI BENIN EN TOGO
(20-11-1994)
Na jaren te hebben geweigerd in gezelschap
van meer dan 2 à 3 personen op reis
te gaan, is het nu dan toch zover. Samen
met het in Lagos gevestigde reisburo "Bon
Voyage" heb ik voor een groep collega's
een weekendtrip naar het buurland Benin
georganiseerd. Om het bezoek goed voor te
bereiden was ik eind september met een medewerkster
van het reisburo ook al een paar dagen op
bezoek in Benin. Eenmaal onderweg, ga ik
aansluitend een paar dagen naar Lomé
in Togo, dat ik in februari van dit jaar
al eens eerder bezocht.
De Republiek Benin, werd onder de naam
Dahomey, op 1 augustus 1960 onafhankelijk
van Frankrijk. In 1975 werd het land herdoopt
tot Volksrepubliek Benin, maar na de verkiezing
van de huidige president Soglo werd de verwijzing
naar de marxistische idealen van zijn voorganger
Generaal Kérékou uit de naam
van het land verwijderd. Dit laatste is
nog steeds goed te zien in het visum stempel
van de Beninese ambassade in Lagos, waar
een paar maal de naam "République
............ du Bénin" in voorkomt.
Het bijvoeglijk naamwoord "populaire"
is bij het keren van het tij heel praktisch
uit het stempel weggesneden. De naam "Benin"
heeft overigens weinig te maken met het
in het huidige Nigeria gelegen voormalige
Afrikaanse koninkrijk met dezelfde naam.
De invloedsfeer van het koninkrijk Benin
reikte nooit verder dan even ten westen
van Lagos, zo'n 100 km van het land dat
de naam inpikte. Historisch bezien was de
naam Dahomey, de verwijzing naar het gelijknamige
koninkrijk dat in het zuid westen van het
land was gesitueerd, juister. Maar voor
de uit het noorden van het land afkomstige
President Kérékou was dit
óók het gebied waar de meerderheid
van zijn politieke tegenstanders woonde,
iets wat zeker tot de naamswijziging heeft
bijgedragen.
Benin is een smal en maar langgerekt land,
dat tussen Nigeria en Togo ligt ingeklemd.
De kustlijn bedraagt ongeveer 125 kilometer
en de afstand van de Oceaan tot de noordelijke
grens, de rivier de Niger, is maximaal 675
kilometer. Er zijn geen recente bevolkingsgegevens
beschikbaar, maar het land zou een bevolking
van ongeveer 5 miljoen inwoners hebben.
Vrijdag, 11 november 1994, Lagos Seme Porto
Novo Cotonou
Om een uur of één vertrekken
we met de bus vanuit Lagos naar de grens,
een rit van ruim twee uur. Hoewel de regentijd
al een week of zes voorbij zou moeten zijn,
valt de regen weer met bakken uit de hemel,
ook in Afrika zijn de seizoenen van slag.
De grensovergang aan de Nigeriaanse kant
van de grens met de Republiek Benin heet
Seme Poji en is een van de beruchtste grensovergangen
van het land. Volgens de Nigeriaanse regering
is de strijd tegen indiscipline en corruptie
voluit aan de gang, maar aan de grens heeft
men zo zijn eigen opvattingen. Eind september
moest ik langs alle vijf de overheid vertegenwoordigende
diensten: de Gezondheidsdienst, de Douane,
de Immigratiedienst, de Staatsveiligheidsdienst
(SSS) en de drugbestrijders van de NDLEA
de National Drugs Law Enforcement Agency
en allen vonden dat de reiziger, papieren
in orde of niet, er wat voor over moet hebben
om te mogen passeren. In de loop van de
jaren heb ik geleerd wat er gedaan moet
worden om niet overmatig lang te worden
opgehouden, zonder gelijktijdig grof te
worden bestolen. Neem alleen zichtbaar die
hoeveelheid geld mee die je kwijt wilt raken
en laat je vooral niet opnaaien door de
superieure vaklieden op dit gebied (de Nigeriaanse
bureaucratie dus). Het reisburo verzorgt
deze keer de grensformaliteiten en we hoeven
zelfs de bus niet uit, een ongekende luxe!
Aan de Beninese kant van de grens heerst
een en al vriendelijkheid en na het stempelen
van de paspoorten gaan we onderweg naar
het 20 minuten verderop gelegen Porto Novo.
Halverwege slaan we rechts af de weg tussen
Cotonou en Porto Novo op en komen vrijwel
direkt in aanraking met een typisch beninees
verschijnsel, de verkoop langs de weg van
benzine in flessen van alle maten en soorten
en tegen een prijs die ruim onder die van
de door de staat beheerde benzinestations
van Sonacop ligt. 't Is dan ook benzine
die vanuit Nigeria het land wordt binengesmokkeld.
Porto Novo, door de lokale Goun bevolking
Hogbonou genoemd en door de Yorubas Adjatche,
werd in 1730 door de zeevaarder Eucharistus
de Campos herdoopt tot Porto Novo, vanwege
de vermeende gelijkenis van het stadje met
Porto in zijn vaderland Portugal. De stad,
gelegen aan de rivier de Ouemé, lag
ooit aan de westelijke buitengrens van de
Yoruba koninkrijken en de Yoruba verwantschap
is ook heden ten dage nog zichtbaar.
Vriendschaps en protektoraatsverdragen
tussen de koningen van Porto Novo en de
Fransen vormden tijdens de Conferentie van
Berlijn in 1884/85 een belangrijke grondslag
voor de Franse koloniale claim op Dahomey.
Op deze Conferentie verdeelden de toenmalige
Europese grootmachten het Afrikaanse continent
op basis van aantoonbare invloedssferen.
In West Afrika werd "invloed"
voornamelijk bewezen door de met de veelal
aan de kust gelegen koninkrijkjes afgesloten
protektoraatsovereenkomsten. Het zou nog
tot 1898 duren voordat het koloniale gezag
ook inderdaad was gevestigd en de grenzen
van de huidige Afrikaanse staten min of
meer vast kwamen te liggen. Zoals de Engelsen
het Koninkrijk Benin in Nigeria en het Ashanti
koninkrijk in Ghana nog moesten veroveren,
zo moesten de Fransen het Koninkrijk Dahomey
nog overtuigen van hun territoriale rechten.
Porto Novo is de hoofdstad van de Republiek
Benin, maar de ministeries en het Presidentiële
Paleis zijn in in Cotonou gevestigd. Het
Beninese parlement zetelt in het voormalige
Paleis van de Goeverneur, dat vanwege "veiligheidsredenen"
helaas niet kan worden bezocht. Tegenover
het parlementsgebouw ligt het in een oud
koloniaal woonhuis gevestigde Etnografisch
Museum. Het museum heeft een kleine maar
goed onderhouden collectie, waarvan ik zelf
de aan het Ifa orakel verbonden deel het
interessantste vind. De tentoongestelde
orakelborden, maar vooral de verklaring
van de orakeltekens suggereren grote verwantschap
met de Chinese I Tsjing. De houten orakelborden
zijn meestal rond of ovaal, met een doorsnede
variërend tot zo'n 35cm, soms zijn
ze vierkant. De buitenrand is van sober
tot rijk besneden met aan de bovenkant altijd
een afbeelding van het gezicht van Eshu,
de goddelijke boodschapper. Het orakel wordt
geraadpleegd via de orakelpriester, de babalawo,
die door het werpen van een orakelketting
de tekens vindt die op het met poeder bestrooide
middengedeelte van het orakelbord worden
genoteerd. De orakelketting bestaat uit
twee maal zes met elkaar verbonden ronde
of ovale schijfjes, die afhankelijk van
de positie waarin ze bij het werpen terecht
komen, verwijzen naar de godheid die moet
worden geraadpleegd. De notering van de
orakeltekens gebeurt door middel van streepjes
in de poeder en geeft zo doende de op de
I Tsjing gelijkende patronen. Naast de Ifa
zaal zijn er ook veel maskers, krijgswerktuigen
en een smidse te zien. Aan de maskers zijn
ook aardige verhalen vebonden. Sommige hebben
een religieuse betekenis, andere zijn bedoeld
om kommentaar te geven op ontwikkelingen
of gebeurtenissen in de gemeenschap. Zo
is daar een masker waar bovenop een lokale
jonge vrouw in Europese kledij en met twee
blanke kinderen staat afgebeeld. In dienst
getreden bij de in Porto Novo wonende blanken,
brak zij niet alleen met de normale arbeidsverdeling
binnen het gezin, maar ook met de gebruikelijke
manier van kleden, ergo onaangepast gedrag
en ontkenning van de eigen cultuur. Een
ander masker laat een afbeelding zien van
een man met enorm gezwollen geslachtsdelen,
de vreemdganger in de gemeenschap waar voor
wordt gewaarschuwd. Meer vrouwen hebben
mag, maar achter welke vrouw dan ook aanlopen
gaat tegen de geldende sociale gedragskode
in.
Na het bezoek aan het Etnografisch Museum
rijden we door de stoffige en slecht onderhouden
straten van het stadje naar ons volgende
reisdoel het Afin Oba (afin=paleis, Oba=koning
in het Yoruba), het voormalige koninklijk
paleis van Porto Novo. Onderweg passeren
we restanten van wat eens de huizen moeten
zijn geweest van Europese kooplieden, vele
zijn uitgevoerd in de overal langs de westkust
van Afrika voorkomende Braziliaanse stijl.
De bouwstijl meegebracht door vanuit Brazilië
terugkerende vrijgelaten of vrijgekochte
slaven, die duidelijk vakonderwijs hadden
genoten van hun Portugese bazen. Het paleis
is een groot uit klei opgetrokken complex
en geeft een goede indruk van de wijze waarop
het hof in de Yoruba en de Yoruba verwante
koninkrijken was georganiseerd. Terwijl
de Engelsen in hun kolonies de lokale heersers
handhaafden, werden deze door de Fransen
van hun macht ontdaan en weggezonden. In
tegenstelling tot Nigeria, waar de traditionele
heersers nog steeds een rol spelen, kan
er in Porto Novo helaas geen Oba in zijn
paleis worden bezocht. De historische kennis
van de rondleiders vergoedt veel van dit
gemis. Het museum is zeer sober van aankleding
en wordt derhalve hoofdzakelijk funktioneel
beschouwd, hoewel onze rondleidster er toch
ook een flinke portie traditionele godsdienstige
gebruiken aan toe weet te voegen. Het is
trouwens opvallend hoe goed het museumpersoneel
in Benin op zijn taak is voorbereid.In het
donker rijden we naar Cotonou, waar Hotel
du Lac onze basis voor het weekeind zal
zijn.
Zaterdag, 12 november 1994, Cotonou Abomey
Ouidah Cotonou
Hotel du Lac ligt inderdaad aan het water
doch niet aan een meer, maar aan de lagune
die, goed zichtbaar vanuit het hotel, via
een zeer nauwe opening in open verbinding
staat met de Golf van Guinee. We ontbijten
op het hooggelegen terras dat een mooi uitzicht
biedt over het water en het oudere deel
van Cotonou. Het is vervelend om te zien
hoe de katholieke kerk het uitzicht op de
koloniale kathedraal aan het verpesten is
door er een hoog betonnen gebouw voor te
zetten, waarin de kantoren van het aartsdiocees
zullen worden gevestigd.
Ons eerste reisdoel deze zaterdag is Abomey,
de hoofdstad van het vroegere Koninkrijk
Dahomey, dat in de zeventiende eeuw door
de aan de Yoruba verwante Fon werd gesticht.
Sommige bronnen spreken dat de stichting
werd ingegeven door de noodzaak zich te
weer te stellen tegen de buurvolken die
voortdurend op zoek waren naar verhandelbare
slaven. In het westen waren dat de Yorubas
en in het oosten de Fante (nu Ghana) en
de Guin (nu Togo). Andere bronnen spreken
van een broederstrijd om de troon van het
koninkrijk Allada, ook wel Ardra genoemd,
waarbij de verslagen broers vluchtten en
de Koninkrijken van Porto Novo en Dahomey
stichtten. De kleinzoon van de stichter
van Dahomey veroverde naderhand de Koninkrijken
van Allada en Ouidah en vestigde vervolgens
een op militaire leest georganiseerde staat.
Hoe het ook zij, Dahomey werd welvarend
door de slavenhandel en de retourhandel
via Ouidah en trachtte zelfs het alleenrecht
op de uitvoer van gastarbeid naar Bahia
in Brazilië met de Portugezen overeen
te komen. Op praktische gronden, de Portugezen
wilden geen te grote concentraties van slaven
afkomstig uit hetzelfde gebied, werd dit
echter afgewezen. Het verbieden van de slavenhandel
aan het einde van de achttiende eeuw leidde
niet direct tot het beëindigen daarvan,
hoewel patrouillerende Engelse en later
ook Franse oorlogsschepen de handel wel
ernstig bemoeilijkten. Het ontstaan van
steden als Freetown in Sierra Leone en Libreville
in Gabon is te danken aan het aanlanden
van op de oceaan in beslag genomen scheepsladingen
slaven, die naar hun eigen continent werden
teruggebracht. Hoewel de slavenhandel nog
lang door zou gaan, in Brazilië wordt
de slavernij pas in 1888 officieel afgeschaft,
schakelt men in Dahomey halverwege 19e eeuw
geleidelijk over op de produktie van palmolie
en neemt de betekenis van Ouidah als handelscentrum
af. Wanneer de Europese mogendheden Afrika
aan het eind van de negentiende eeuw onderling
verdelen, valt Dahomey toe aan Frankrijk.
Koning Gbêhanzin van Dahomey weigert
echter zijn Koninkrijk zonder meer over
te dragen aan de Fransen en er volgt een
jarenlange strijd. Het belangrijke wapenfeit
van de Dahomeyse strijdkrachten tijdens
deze oorlog is het doodden van de Franse
commandant Forax. Door hun superieure bewapening
dwingen de Fransen uiteindelijk in 1894
de koning van Dahomey zijn land onder Frans
bestuur te plaatsen. De koning en een aantal
van zijn getrouwen worden naar Martinique
verbannen. Hoewel er nog wel een opvolger
wordt benoemd, takelt het Koninkrijk door
Franse maatregelen snel af en wordt ook
Koning Agooli Agbo, de laatste monarch,
in 1900 naar Gabon verbannen. Zo komt er
na bijna 300 jaar een einde aan het Koninkrijk
Dahomey.
Alvorens de grote weg van Cotonou naar
Abomey te bereiken, moet er een kilometer
of tien door Cotonou en haar voorsteden
worden getoerd. De doorgaande wegen in de
stad zijn geasfalteerd maar de meeste straten
die de woonwijken, de quartiers, ingaan,
zijn onverhard en al naar gelang het seizoen
stoffig of modderig. Hét middel van
openbaar in Cotonou is de bromfietstaxi,
waarvan er duizenden op de weg moeten zijn.
De taxibestuurder is te herkennen aan een
soort ruim vallend half lang jasje (model
blousend colbert), gemaakt van een dunne
gele stof en op de rug voorzien van het
nummer van zijn vergunning.
Eenmaal buiten de drukte van Cotonou rijden
we over een tweebaans en goed onderhouden
asfaltweg naar het ruim twee uur verder
gelegen Abomey. De enige stad van enige
omvang die we onderweg passeren is Allada,
waarvan de naam in Dahoney een bizondere
betekenis had. Als een koning stierf, werd
zijn dood in bedekte termen aangeduid door
te melden dat "de Koning naar Allada
was afgereisd". Helaas kan niemand
het ontstaan van de uitdrukking meer verklaren.
Ook in Nigeria hoor je heden ten dage zelden
dat een Oba is overleden. Over het algemeen
wordt zijn verscheiden aangekondigd met
de mededeling dat "hij zich met zijn
voorouders heeft vereningd he joined his
ancestors". Na Allada zien we in veel
van de dorpen onderweg, zoals zo vaak in
Afrika, de produkten welke een dorp produceert
langs de weg uitgestald: ananassen, houtskool
en vijzels en stampers om yam fijn te stampen
zijn zo de specialiteiten die op deze route
te koop worden aangeboden.
Aan de ingang van de stad Abomey staat
een groot standbeeld van Koning Gbêhanzin,
de man die zo lang de aanstormende Fransen
wist te weerstaan. Even verder op zien we
aan de resten van de muren die er nog staan,
hoe omvangrijk het Paleiscomplex ooit geweest
moet zijn. Een deel van het voormalige Paleis
huist tegenwoordig het aan het Koninkrijk
Dahomey gewijde Historisch Museum. Onze
rondleider weet beeldend te vertellen over
het enerzijds beruchte en anderzijds beroemde
verleden, de godsdienstige gebruiken en
de kunstuitingen. Beroemd zijn de verhalen
over de honderden en soms duizenden echtgenotes
van de koningen. Berucht zijn de jaarlijkse
mensenoffers, die pas in 1894 zouden worden
afgeschaft. De te offeren mensen werden
geacht te fungeren als boodschappers tussen
de koningen en hun overleden voorouders.
De naar zeggen originele altaren in het
museum zijn vervaardigd uit klei met als
bindmiddel palmolie en het bloed van de
geofferde boodschappers. Het was kennelijk
ook gebruikelijk om echtgenoten en bedienden
met de overleden koningen mee te begraven.
De geringe waarde van een mensenleven werd
nog eens extra benadrukt door de gewoonte
dat mannen die slechts een glimp opvingen
van een van de echtgenotes van de koning
dat letterlijk de kop kostte. Het was dus
zaak wanneer de dames en hun eunuchen voorbij
kwamen zich in het stof te werpen met het
gezicht naar de grond! Koning Gezo (1818
1858) had overigens helemaal geen vertrouwen
in mannen, hij was de oprichter van een
legerkorps van vrouwelijke soldaten, de
Ahosi, die door de Europeanen het Amazoneleger
werden genoemd. Gezo vond vrouwen loyaler
en minder geneigd tot samenspannen tegen
de kroon. De vrouwen, hoewel vaak afgeschilderd
als onooglijke manwijven, zien er op oude
foto's heel vrouwelijk uit en schijnen uitstekende
vechtsoldaten te zijn geweest.
Kunstuitingen in Dahomey, zoals ook bij
veel van de buurvolken, zijn gericht op
het hof, de verheerlijking van de koning
als persoon en zijn daden. De buitenkant
van het paleis is gedecoreerd met kleurrijke
pictogrammen, reliëfstenen vervaardigd
uit klei. Dezelfde afbeeldingen van koninklijke
symbolen komen terug op grote ceremoniële
parapluies en banieren. In de tronenzaal
zien we de tronen van de koningen met daarbij
een parapluie, waarop het symbool dat hun
regeerperiode verbeeldt staat afgebeeld.
De tronen zijn van hout en lijken op vergrote
versies van de stools die ik eerder bij
de Ashanti in Ghana zag. Het meeste indruk
maakt de troon waarvan de poten op de schedels
van vier overwonnen vijanden rusten. Na
de zaal met tronen bezoeken we de zaal met
Asen of voorouderaltaren, kleine uit metaal
vervaardigde constructies op een pijpvormige
voet van anderhalf à twee meter hoog
met steeds het symbool van de betreffende
monarch er in verwerkt. Ook zijn er nog
wat oude kanonnen te zien die door ruilhandel
werden verkregen, de prijs 15 mannelijke
of 21 vrouwelijke slaven. Tenslotte krijgen
we het beste zicht op de nog steeds beoefende
en zeer kleurige appliquékunst op
het marktje aan de buitenkant van het museum,
waar de oude symbolen met hedendaagse materialen
nog steeds worden verwerkt en met graagte
verkocht.
Na de lunch gaan we langs de klassieke
route via Allada naar Ouidah, ooit een der
belangrijkste uitvoerhavens van gedwongen
gastarbeiders langs de Slavenkust. Hoewel
op landkaarten uitsluitend het gebied tussen
Lagos en Lomé als zodanig wordt aangeduid,
vond de handel in en het transport van slaven
naar Noord en Zuid Amerika plaats van Angola
in het zuiden tot voorbij de Senegalese
hoofdstad Dakar in het noorden. De Europeanen
vernoemden de diverse kustgebieden echter
naar hun belangrijkste exportprodukt, vandaar.
Het Historisch Museum is gevestigd in het
(herbouwde) voormalige Portugese Fort São
Jão de Ajuda en is gewijd aan de
slavenhandel en de Afrikaanse diaspora.
Ook worden er paralellen getrokken tussen
een aantal gebruiken in de bestemmingslanden
van de slaven en Ouidah. Tot aan het einde
van de slavenhandel diende het Fort als
een opslagplaats voor deze handelswaar,
die daar verbleef in afwachting van verkoop
en transport. Zowel de Afrikaanse verkopers
als de Europese kopers van de slaven kenden
geen enkel gevoel van medemenselijkheid,
handel was handel niets meer en niets minder.
Voor vertrek werden de slaven nog even gebrandmerkt,
zodat er naderhand geen misverstand over
de eigendom kon ontstaan. Ook bij het ontwerpen
van de schepen die de slaven naar de overkant
van de Atlantische Oceaan moesten vervoeren,
was maximale capaciteitsbenutting van het
scheepsruim belangrijker dan enige vorm
van comfort. Veel slaven stierven in het
Fort en tijdens het transport. Voor hen
die nog aan land stierven, is op de plek
waar vroeger geladen werd, zo'n drie kilometer
aan het strand buiten Ouidah, een opzichtig
monument ter nagedachtenis opgericht.
Nadat Dahomey aan het eind van de vorige
eeuw onder Frans bestuur was gekomen, bleef
een deel van Ouidah onder Portugees gezag
tot zelfs na de onafhankelijkheid. Lokale
bronnen vertelden mij dat de bevolking van
Ouidah op de eerste verjaardag van de Republiek
Dahomey de aanwezigheid van de Portugezen
op hun grondgebied zat waren, het fort in
brand staken en een einde aan een Portugese
verblijf van honderden jaren maakten. De
officiële lezing luidt echter dat aan
de vooravond van de viering van de onafhankelijkheid
de regering van Dahomey de Portugezen voor
de keuze had gesteld vrijwillig te vertrekken
of met geweld te worden verwijderd. Hoewel
de Portugezen hardnekkig weigerden toe te
geven, gingen ze uiteindelijk toch, maar
niet nadat eerst alles wat ze niet mee konden
nemen was verbrand. Inclusief het Fort.
Ouidah is ook het religieuze centrum van
de Voodoo, dat met de slaven is uitgewaaierd
naar vooral het Caraïbisch gebied en
Brazilië. Midden in de stad ligt tegenover
de katholieke Notre Dame kathedraal de Tempel
van de Python. Deze "tempel" is
tegenwoordig meer een commerciële dan
een religieuze instelling en van interessante
religieuze aktiviteiten, waarover ik ooit
een boeiend verslag las in het boek "French
Lessons in Africa" van de Brit Peter
Biddlecombe, is geen spoor meer te bekennen.
Op de binnenplaats van de Tempel van de
Python kijk je recht in het gezicht van
het heiligenbeeld, dat tegen de toren van
de kathedraal is aangebracht en de heidense
bedoening aan de overkant een beetje in
de gaten houdt.
In 1992 was Ouidah het centrum van eerste
wereldfestival van Voodoo Kunst en Cultuur,
dat gelovigen uit de hele wereld "terug
naar huis" bracht. In de stad zelf
(in het Voodoo Museum) en in de direkte
omgeving zijn nog de vele aan dit festival
gerelateerde kunstwerken te zien. Het Voodoo
Museum zelf toont de hedendaagse artistieke
verbondenheid met de oude cultuur.
Zondag, 13 november 1994, Cotonou Ganvié
Cotonou
Ganvié is een stad in het water,
gebouwd op palen midden in het Lac Nokoué
en waar zo'n 30.000 mensen wonen. De stad
zou zijn gesticht in de 17e eeuw door mensen
die op de vlucht waren voor het leger van
Dahomey. Soldaten uit Dahomey mochten op
religieuze gronden geen door water overstroomde
gebieden betreden en zo werden de vluchtelingen
door het water beschermd. Het stadje is
zowel voor de bewoners als de nieuwsgierige
bezoekers uitsluitend per boot te bereiken.
De lokale bevolking peddelt, wij hebben
een pirogue met hulpmotor. De waterstand
in het meer is niet al te hoog en dat helpt
de lokale vissers bij de bizondere manier
van visvangst. Met behulp van takken en
bij wijze van fuik worden stukken water
afgezet. De vissen die op deze manier worden
ingesloten worden, eten zich vet aan de
plantaardige grondstoffen binnen de fuik
en worden na verloop van tijd met de handen
uit de fuik geschept, er komt net noch hengel
aan te pas!
Ganvié bezit alle faciliteiten, die
in een dorp van deze omvang mogen worden
verwacht, meerdere kerken, een postkantoor,
een kraamkliniek, toeristenwinkels, enzovoorts.
De dorpsmarkt echter wordt gevormd door
drijvende kramen. Aan de buitenkant van
het dorp staat een watertoren met daarop
groot het opschrift "EAU POUR TOUS,
SANS EAU PAS DE VIE". Dit vinden de
bewoners van Ganvié zelf kennelijk
ook, want hoewel de regering aktief heeft
geprobeerd de bewoners naar de vaste wal
te verhuizen, weigerden deze en bloc en
gaven de voorkeur aan het leven boven het
water.
Na Ganvié rijden we terug naar en
door Cotonou, de de facto hoofdstad van
de Republiek Benin en een belangrijke havenstad.
De Fransen duiden Cotonou als de "capitale
économique" en Porto Novo als
de "capitale politique". In Cotonou
zijn niet veel bezienswaardigheden, het
is een jonge stad, die volgens de Franse
kronieken uit het eind van de vorige eeuw
uit niet veel meer dan een aantal op zand
gebouwde barakken bestond. Geen wegen, geen
drinkwater en geen hygiënische of medische
voorzieningen. Onderweg zien we wat monumenten
uit het marxistische verleden van het land:
het enorme Stade de l'Amitié en de
Place de L'Etoile Rouge, waar een gigantische
Rode Ster is gekonstrueerd, die in tegenstelling
tot de enorme bronzen kop van Lenin niet
naar de vrijgevige afzenders kon worden
teruggestuurd.
Na de lunch gaan mijn reisgenoten terug
naar Lagos en heb ik nog een rustige middag
aan het water, alvorens naar Lomé
in Togo te reizen. Op het terras word ik
aangesproken door een handelaar in Afrikaanse
kunst. Ik heb niet zozeer belangstelling
voor zijn kunststukjes als wel hoe die uitgevoerd
kunnen worden. Net zoals in Nigeria geen
enkel probleem. Hij kent de juiste mensen
op het Ministerie van Cultuur en bij de
Douane, alsook de geldende tarieven om aan
een uitvoervergunning te komen. Weer wat
leuke informatie voor één
van mijn vrienden, die onderzoek aan het
doen is naar de illegale handel in oude
Afrikaanse kunstvoorwerpen.
's Avonds verschijnt de President op de
televisie, weldoorvoed en in kleding die
velen van ons graag zouden willen dragen
als we het zouden kunnen betalen. Toch is
het gemiddelde inkomen per hoofd van de
bevolking in Benin minder dan $350 per jaar.
Hij doet verslag van de zojuist in Frankrijk
afgesloten tweejaarlijkse topconferentie
van Franstalige staatshoofden een conferentie
die geen enkele zichzelf respecterende Afrikaanse
President wenst te missen.
Maandag, 14 november 1994, Cotonou Lomé
Vanaf Hotel du Lac bedraagt de afstand naar
Lomé, de hoofdstad van het buurland
Togo, ongeveer 150km en van het hotel naar
de grens zo'n 100km. De rit verloopt vlot
en zonder al te veel oponthoud bij de vele
controleposten van de Beninese gendarmerie.
Een paar weken geleden moet dat nog heel
anders zijn geweest, want toen staakten
de chauffeurs langs deze route omdat ze
vonden dat ze te vaak werden gestopt en
dat dit te veel geld kostte. Het probleem
is kennelijk, doch wellicht slechts tijdelijk,
opgelost want tot aan de grens hoeft er
niet te worden betaald. Volgens de chauffeur
komt dat door mijn aanwezigheid in de taxi.
Wanneer ik hem dan zeg dat hij mij dan maar
een korting moet geven, zegt hij dat hij
op de terugweg nu zeker dubbel zal worden
belast en geen korting kan geven. Wanneer
wij onderweg in het dorp Sègboroué
benzine tanken valt mij de penetratie van
de Islam in het zuiden van de West Afrikaanse
landen weer eens op. Tegenover het benzinestation
wordt een door de regering van Koeweit gefinancierde
moskee gebouwd. Al snel bereiken we Grand
Popo, alweer een voormalige grote uitvoerhaven
van slaven, maar nu niet meer dan een doods
dorp. Over een kilometer of veertig is het
Beninese grondgebied langs de kust niet
meer dan een strook land van een kilometer
breed. Aan de linker kant van de weg de
zee, aan de rechter kant een strook land
tot aan de lagune, die de grens met Togo
vormt.
Na de Nigeriaans Beninese grens, zijn de
grensformaliteiten aan de grens tussen Benin
en Togo een waar genot. Het lijkt allemaal
een beetje op een openlucht school: een
breed opengebouwd trappenhuis, waar de ambtenaren
achter een langwerpige schrijftafel zitten,
met voor zich een paar rijen ouderwetse
lange houten (school )banken. De reiziger
sluit aan op de bank en wacht op zijn beurt.
Geen gezeur om geld, geen open of bedekte
bedreigingen. Waarschijnlijk "uit dankbaarheid"
zie ik hier en daar wat geld schuiven, maar
wat mij betreft worden slechts de noodzakelijk
gegevens genoteerd en mijn paspoort gestempeld
waarna ik gratis het land mag verlaten.
Na door het niemandsland te zijn gewandeld,
arriveer ik letterlijk aan de Togolese voordeur:
een klein wit gebouwtje met boven de ingang
keurig het woord "ENTREE". Er
zijn onderhandelingen aan de gang tussen
de weldoorvoede grensbeambte van dienst
en een aantal over onvoldoende papieren
beschikkende grenspassanten. De wachtenden
bespreken verontwaardigd de vraagprijs om
Togo binnen te mogen gaan. Snel wordt ik,
als storende faktor, naar voren geroepen
en doorgelaten, waarna de onderhandelingen
in alle rust kunnen worden voortgezet. Aan
de Togolese kant dezelfde opsteling als
zojuist in Benin, wederom sluit ik aan op
de schoolbank. Terwijl ik een formulier
invul, zie ik hoe één van
de ambtenaren verontwaardigd een biljet
van duizend CFA Franken uit het paspoort
van een vrouw haalt en haar op strenge toon
vraagt of ze dit soms per ongeluk is vergeten
uit haar paspoort te halen. Zich uitgebreid
verontschuldigend, neemt ze haar geld terug.
Show, zal mijn taxichauffeur later zeggen,
ze weten niet wie jij bent, dus zijn ze
voorzichtig.
In Aného, direkt na de grens stoppen
we bij Hotel Oasis, waar er van het prachtige
uitzicht over de lagune kan worden genoten
en ik na maanden weer eens een Togolees
EKU pilsje kan nuttigen. Onderweg naar de
andere kant van het, aan de zeezijde 53km
brede, land beginnen gelijk al de controles
van de Togolese gendarmerie. Om ongehinderd
te mogen passeren, dient de chauffeur 300
CFA Franken, ongeveer een gulden, te betalen.
Nadat aan het begin van dit jaar de CFA
Frank werd gedevalueerd en overal de prijzen
omhoog schoten, werd ook dit tarief, dat
voorheen 200 CFA bedroeg, snel aangepast.
De chauffeur vertelt dat toen hij op een
dag het "normale" bedrag wilde
betalen, dit werd geweigerd en hem werd
medegedeeld dat "a cause de la dévaluation"
er van af nu aangepaste tarieven zouden
gelden.
Op de campus van de universiteit van Lomé,
waar ik de komende dagen bij mijn vriendin
zal logeren, is het rustig als altijd. De
prijs van een eenvoudige kamer is onveranderd
6.000 CFA, twintig Nederlandse guldens per
nacht.
Na de siësta de stad in. Onderweg
van de campus naar de weg om een taxi te
nemen, zien we uit de verte dat zowel het
menselijke als het wegverkeer weggestuurd
worden. President Eyadema is onderweg van
de stad naar zijn even voorbij de Universiteit
gelegen huis en dient zonder oponthoud te
kunnen passeren. Even later flitst een klein
convooi van drie grote Mercedessen, voorafgegaan
en gevolgd door zwaarbewapende militairen,
voorbij en kan het verkeer weer op gang
komen. Een voordeel van de Route Présidentiele
is wel dat de weg is geasfalteerd en goed
wordt onderhouden, een normaal verschijnsel
in Afrika.
De taxi zet ons af bij de Grand Marché
van Lomé, waar Afrika mijn ogen,
neusgaten en oren binnendringt. Veel kleuren,
allerlei exotische geuren, luid gekakel
van mensen en de door akoustische gitaren
overheerste West Afrikaanse muziek. Vlees,
groenten en fruit moeten er worden gekocht.
Nog nooit heb ik aan de vleesverkoop op
z'n afrikaans kunnen wennen. Onbeschermd
tegen vliegen en ander ongedierte ligt het
op houten tafels uitgestald en voordat je
je keus bepaalt, wil je letterlijk even
weten wat voor vlees je in de kuip hebt
en betast je het dus even. Ieder vorm van
hygiëne ontbreekt. Daar staat tegenover
dat het vlees thuis wordt schoongewassen
voordat het wordt bereid, doch met water
wat meestal niet als drinkwater kan worden
gebruikt. Ik bedenk maar, dat als je het
vlees lang genoeg braadt, eventueel ongedierte
vanzelf dood gaat en maak me verder niet
druk.
Dinsdag, 15 november 1994, Lomé
Dinsdagmorgen eerst een ticket terug naar
Lagos kopen en wat door de stad slenteren.
Een vaste stopplaats is de achter de kathedraal
gelegen en door de nonnen bestierde boekhandel
"Le Bon Pasteur", waar ik weer
een paar boeken over de geschiedenis van
Togo koop. Even verderop is een kleine toeristenmarkt
met onder ander leuke kralen en een goede
gelegenheid om mijn collectie weer eens
wat uit te breiden. Dat de economische crisis
heerst blijkt ook op de Grote Markt. Ooit
het grootste distributiecentrum voor onvervalste
Dutch Wax van Vlisco uit Helmond, waar de
marktvrouwen zo rijk van werden dat ze in
gechauffeurde Mercedes Benzen rondreden
en Nana Benz werden genoemd. Er zijn nog
maar weinig van deze dames over, de tijden
zijn zelfs zo somber dat nieuwe generatie
stoffen verkopende marktvrouwen zichzelf
Nana Deux Chevaux noemen.
Woensdag, 16 november 1994, Lomé
Kpalimé Missahohé Lomé
Volgens de "Guide Touristique"
van Air Afrique is de meest sympatieke manier
om Togo te ontdekken de "taxi brousse",
de bush taxi, een goedkoop en doelmatig
vervoermiddel. Het openbaar vervoer, of
wat daar voor door gaat, is in veel Afrikaanse
landen in handen van partikuliere ondernemers
en het loopt naar mijn ervaring gesmeerd.
Ik wil vandaag eerst naar Kpalimé,
een stad op zo'n 120 km ten noord oosten
van Lomé en van daar naar de ruim
100 jaar geleden door de Duitse koloniale
administratie gestichte nederzettingen in
de bergen.
Het vervoerssysteem in Togo werkt dusdanig
eenvoudig dat, ook wanneer je ter plaatse
niet bekend bent, het wel heel erg mis moet
gaan om niet op de gewenste bestemming aan
te komen. Men gaat eerst naar "het
station" (gare routière) van
waar de busjes naar de gekozen bestemming
vertrekken. Vrijwel iedere (stads )taxichauffeur
weet waar dat is. Op het station aangekomen
koopt men een kaartje of betaalt aan een
min of meer officiële bevrachter, wacht
tot het busje vol is en daarna komt men
vanzelf waar men naar toe wil. Het station
voor Kpalimé ligt vlak bij het Algemeen
Ziekenhuis van Lomé en heet Gare
de Kodomé, een enkele reis naar Kpalimé
kost 850 CFA Franken, nog geen 3 gulden.
Er is helaas net een vol busje vertrokken
en het duurt bijna veertig minuten voor
dat alle plaatsen in het volgende busje
zijn verkocht en we kunnen vertrekken. Ik
verveel me geen moment, want er gebeurt
van alles en nog wat in en om de bus. Passagiers
en hun vracht arriveren, er wordt eten en
drinken verkocht en de passagiers kletsen
wat met elkaar. Naast mij komt een jonge
student te zitten, die vraagt of ik toevallig
een Duitser ben. Normaal wend ik me dan
verontwaardigd af, maar vandaag moeten nog
een paar uur naast elkaar zitten dus gedraag
ik me maar eens sociaal. Espoir blijkt een
student Duits te zijn, die graag zijn taalvaardigheid
wat wil aanscherpen en bovendien uit de
omgeving van Kpalimé blijkt te komen.
Hij zal de rest van de dag niet meer van
mijn zijde wijken.
Met het busje hebben we het getroffen, het
ziet er nog behoorlijk uit en is comfortabeler
dan een trein van de Nederlandse Spoorwegen
tijdens het spitsuur. Hier worden tenminste
uitsluitend zitplaatsen verkocht en vol
is vol. In Togo zijn erg veel kontroleposten
langs de weg, die afwisselend door militairen,
politie of de gendarmerie worden bemand.
Bij de eerste de beste kontrole, vlak buiten
Lomé, is het direkt raak. De chauffeur
moet nog even wennen, in plaats van de hier
gebruikelijk 200 CFA Franken te betalen,
maakt hij ruzie met de agenten, die prompt
zijn papieren in beslag nemen en er op hun
motor vandoor gaan. Met gevaar voor zijn
eigen leven, en erger nog het onze, keert
hij midden op de grote weg en scheurt achter
de agenten aan. Mijn medepassagiers mopperen
dat de chauffeur toch weet wat hij moet
betalen, waarom dan ruziën, je verliest
het toch. Gelukkig zit er een gepensioneerde
gendarme in het busje, die het probleem
even later sust.
Op de weg naar Kpalimé is het een
graad of 35 Celsius, door het busje schalt
"Jingle Bells" van Boney M. Bij
de door militairen bemande controle posten
dienen alle passagiers uit te stappen, voor
de kontrolepost langs te wandelen om vervolgens
100 meter verder weer in te stappen. Dit
zijn ook de punten waar de dorpsbevolking
versnaperingen aan de man tracht te brengen,
een pikant soort saté en hardgekookte
eieren vinden gretig aftrek. Net als ik
al eerder in Togo had gezien, grote direkt
toegankelijk begraafplaatsen langs de weg.
Er wordt door de kinderen gespeeld en de
mannen uit het dorp liggen lui uitgestrekt
op de grafstenen naar het voorbij snellende
verkeer te kijken. Helaas ontbreken op deze
begraafplaatsen de zo kleurrijke Ewe grafmonumenten.
In Kpalimé aangekomen nemen Espoir,
die zich als mijn gids opwerpt, en ik een
taxi naar het hoog in de bergen gelegen
voormalige Duitse hospitaal. De weg klimt
geleidelijk naar bijna 700 meter en wordt
nog steeds omzoomd door de bij de aanleg
door de Duitsers aangeplante mangobomen.
Onderweg passeren we Missahohé, de
voormalige koloniale post Misahöhe.
In de gebouwen van het oude ziekenhuis zijn
nu een hotel en een restaurant gevestigd.
Het is er lekker koel en de 's nachts daalt
de temperatuur zover, dat air conditioning
overbodig is. Het hotel is nu vooral een
geliefd oord bij vlindervangers en liefhebbers
van unieke flora. De er rondhangende gidsen
proberen mij zover te krijgen en lange bergwandeling
te maken, maar omdat ik voor donker weer
in Lomé terug wil zijn is daar geen
tijd voor. "Maar boven op de berg kun
je het Volta Meer zien", dit geeft
de doodslag voor toch een snelle klimpartij,
want ooit bekeek ik het in Ghana gelegen
Volta Meer vanaf de grote dam bij Akosombo.
Groot was dan ook mijn teleurstelling dat
er niets van het meer te zien viel, omdat
er te veel damp in de lucht hing.
Terug in Lomé ga ik eerst in, het
vooral door Duitsers gefrequenteerde, restaurant
Marox een halve liter koude pils van het
vat drinken. Tappils dat we in Nigeria zo
node moeten missen. Onderweg passeert de
taxi het Ministerie met de prachtige naam
"Ministere pour la Santé Publique
et la Lutte contre le SIDA" Ministerie
van Volksgezondheid en de Strijd tegen AIDS.
Kom daar in Nederland maar eens om.
's Avonds eten en drinken we op een terrasje
net buiten de poorten van de Universiteit.
Heerlijke dundu, als patates frites klaargemaakte
snippers yamknol. Eric, een Liberiaanse
vluchteling, schuift bij ons aan tafel.
Hij is na zijn studie Frans aan de Universiteit
blijven hangen en confronteert mij voor
het eerst met de clandestien studerende
student. Hij vertelt dat de Universiteit,
waar zo'n vier duizend officiële studenten
staan ingeschreven, er ook nog een paar
honderd heeft die zonder te zijn ingeschreven
colleges volgen. Allerlei vakken worden
er gevolgd, één van zijn vrienden
doet al twee jaar rechten, maar er zijn
ook veel eerste jaars die clandestien een
"voorbereidend" eerste jaar volgen,
om zo hun kans om te slagen tijdens de officiële
studie te vergroten. Zwart studeren in Togo
heeft wel het grote nadeel dat je nooit
aan de examens kan deelnemen en dus zonder
bul de Universiteit verlaat. Het zou mij
niet verbazen als ook daar binnenkort een
mouw zal worden gepast.
Donderdag, 17 november 1994, Lomé
Vandaag doe ik vanuit mijn luie stoel de
reis gisteren nog eens over door het reisverslag
van de Duitser Heirich Klose te lezen. In
augustus 1894 maakt Klose de reis van Lomé
via Kpalimé naar wat toen nog Misahöhe
heette via min of meer dezelfde route die
ik gisteren nam. Eenmaal terug in Berlijn
doet hij er nauwkeurig verslag van. Waar
ik gisteren zo'n uur of drie over deed,
kostte Klose destijds een dag of zes, maar
hij ging dan ook te voet.
De Togolezen doen veel moete om hun nog
jonge geschiedenis te dokumenteren, dit
valt natuurlijk niet mee in een land waar
tot voor kort haast uitsluiten orale geschiedenis
bestond. De Universiteit geeft mooie boeken
uit, die zijn gebaseerd op dokumenten van
de Duitsers en Fransen. En om de historie
voor zo veel mogelijk mensen toegankelijk
te maken, zijn de prijzen erg laag. Veel
dingen die Klose observeerde, observeert
ook de moderne reiziger nog steeds
's Middags een laatste wandeling door het
stoffige Lomé, want net als in het
buurland Benin zijn hier alleen de belangrijkste
wegen geasfalteerd. Overal stof, in verval
geraakte koloniale huizen en muren met het
opschrift "Interdit d'uriner".
Graag wil ik nog eens op de vlak bij de
Amerikanse Ambassade gelegen pottenmarkt
rondkijken. Tot mijn verbazing staan daar
vier grote autobussen met nummerplaten van
Ivoorkust op het punt naar Abidjan te vertrekken.
De kortste route loopt via Ghana, maar de
grenzen tussen Togo en Ghana zijn al sinds
het begin van het jaar gesloten. Minder
gesloten dan ik dacht, want aan het ophalen
van een officieel gesloten slagboom hangt
een eenvoudig prijskaartje.
Later op de avond testen we het nut van
de militairen, die alle toegangen tot de
Universiteit bewaken. Het zusje van mijn
vriendin, dat zonder enig geldig reisdokument
al vanuit Nigeria, via Benin naar Togo was
gereisd, wordt zonder enig probleem op de
campus toegelaten op vertoon van haar studentenkaart
van de Universiteit van Ibadan in Nigeria.
Vrijdag, 18 november 1994, Lomé
Lagos
Air Afrique vertrekt precies op het afgesproken
uur naar Lagos. De vlucht duurt een half
uur maar is erg interessant, niet vanwege
het uitzicht doch vanwege de medepassagiers.
De vrouw die naast mij zit is een directeur
van het Ministerie van Transport en Luchtvaart
en aan de andere kant van het gangpad reist
het voormalige Nigeriaanse staatshoofd Generaal
Obasanjo. Mijn buurvrouw stelt mij aan de
Generaal voor en met enige trots begroet
ik hem met de passende beleefdheden in het
Yoruba, iets dat zeer wordt geapprecieëerd.
Wanneer ik naar haar reis informeer, vertelt
Mevrouw de Direkteur mij een echt Nigeriaans
verhaal. Ze is onderweg geweest naar de
Senegalese hoofdstad Dakar, waar de ICAO
International Civil Aviation Organisation
haar jubileumcongres hield. Helaas waren
er wat problemen geweest met de haar vlucht,
omdat de op Dakar vliegende luchtvaarmaatschappijen
hadden geweigerd de Nigeriaanse delegatie
op door Nigeria Airways uitgegeven tickets
te vervoeren. Nigeria Airways is eigendom
van de Nigeriaanse staat en haar Ministerie
van Transport is verantwoordelijk voor het
reilen en zeilen van de luchtvaartmaatschappij.
Ze was uiteindelijk in Abidjan, de hoofdstad
van Ivoorkust, terecht gekomen toen bleek
dat verder doorreizen geen zin meer had:
het congres inmiddels was afgelopen. Toch
even leuk kunnen winkelen van de reistoelage
en nu weer op tijd voor het weekend terug
naar huis. Met Generaal Obasanjo praat ik
wat over de geruchten dat hij een politieke
partij aan het oprichten is, hetgeen hij
ontkent, en de Nationale Constitutionele
Conferentie, die bezig is een nieuwe Nigeriaanse
grondwet voor te bereiden. Daarna wijdt
hij zich weer aan de welgevormde Nigeriaanse
dame die aan zijn andere zijde zit. Aan
het eind van de reis vertelt de Generaal
nog dat hij op terugreis is vanuit Johannesburg.
Deze trip wordt met een omweg van twee keer
anderhalf uur via Abidjan gemaakt, eerst
vliegt men Nigeria voorbij om vervolgens
terug te gaan. Op mijn vraag of hij verwacht
dat er spoedig een direkte luchtverbinding
tussen Nigeria en Zuid Afrika tot stand
zal komen, wordt alom hartelijk gelachen
"ik weet toch zeker wel dat er van
de hele vloot van Nigeria Airways maar drie
vliegtuigen luchtwaardig zijn?" Domme
vraag dus, zo vindt ook de dame van het
Ministerie van Transport. En zo ben ik dus
al voor de landing van het vliegtuig op
Nigeriaans grondgebied al weer terug in
de allerdaagse werkelijkheid van het Nigeriaanse
leven.
|