Deze week maar één foto>>>>

OP BEZOEK BIJ DE BUREN III GHANA (05-04-1993)

November vorig jaar, tijdens een korte vakantie in Europa, zocht ik Nico Kervezee op. Nico is een bevriend Rotterdams kunstenaar, die in de zomer, te voet, de traditionele Sint Jacobs pelgrimage naar Santiago de Compostella had gemaakt. Voor hij zich volledig aan de schilderkunst was gaan wijden, had hij gevaren en al pratend over zijn voettocht wisselden we ook ervaringen uit over minder bekende streken en plaatsen die een van ons in het verleden ooit had bezocht. Zelf verhaalde ik over een tocht, die ik begin 1988, maakte over de Rio Muni, de grensrivier tussen Gabon en Equatoriaal Guinee, republieken in Centraal Afrika. Ook vertelde ik over de ervaringen van een collega in Bata, een stadje gelegen op het vaste land van Equatoriaal Guinee. Hierop kwam direkt een reaktie, want deze plaatsnaam kwam hem bekend voor. Dit verraste mij behoorlijk omdat de meeste Nederlanders bij het woord Bata direkt aan een schoenenwinkel moeten denken. Nico was Bata tegengekomen in de zojuist, onder de titel "Alleen de havens zijn ons trouw", verschenen verzamelde reisverslagen van J. Slauerhoff. Bijna een derde deel van het boek gaat over de reizen die de auteur, als scheepsarts in de dertiger jaren, naar de Golf van Guinee maakte. Na het lezen van het boek, nam ik mij onmiddelijk voor om een aantal van de plaatsen, die Slauerhoff zestig jaar geleden bezocht en beschreef, ook te gaan bekijken. Eerste bezoek: Ghana, de voormalige Goudkust.

Vrijdag, 19 maart 1993 Lagos Accra
Met het vliegtuig, een DC9 van Ghana Airways "Africa's friendliest airline" bedraagt de afstand Lagos Accra even drie kwartier. Zoals zo vaak in Lagos, overtreft de vertraging ruim de vliegduur, maar omdat we (ik maak deze trip met twee collega's) 1ste klas tickets hebben kunnen bemachtigen, voor de vriendelijke prijs van nog geen $125, brengen we de wachttijd door in de First Class Lounge van Nigeria Airways. Nu is de vertrekhal van Schiphol vele malen comfortabeler dan deze speciale lounge op het vliegveld van Lagos, maar we hebben in ieder geval een werkend toilet. Toiletpapier, zeep en handdoeken ontbreken. Er is wel gin maar geen tonic, er zijn geen ijsblokjes en het bier is niet gekoeld. De airconditioning werkt "toevallig" even niet, maar er is gelukkig een werkende fan gevonden. De televisie doet het wel, maar ontvangt slechts vage beelden van een lokaal station, omdat er wat "problemen" met de antenne zijn. Kotoka International Airport in Accra blijkt bij aankomst een goed georganiseerd vliegveld te zijn waar alles werkt. Geen gezeur om geld bij de immigratie en douane ambtenaren, maar een vlotte afhandeling. Een ware verademing na Lagos.

Zaterdag, 20 maart 1993 Accra Cape Coast Elmina Obuasi
De eerste indrukken van Accra bij daglicht zijn eveneens positief. De stad lijkt op een grote en ruim opgezette tuinstad, met overwegend laagbouw en met bomen en ander groen omzoomde pleinen en wegen. Het verkeer is gedisciplineerd en wordt op een aantal punten geregeld door politie agenten die nog zijn gekleed in de koloniaal aandoende "lange korte broek", wat een nogal een koddig gezicht is. Al met al krijgen we de indruk met een goed georganiseerde samenleving te maken te hebben. Een indruk, die in de komende dagen zal worden bevestigd.

Ons reisdoel vandaag is een aantal van de forten en kastelen (of de overblijfselen ervan) die, tussen het einde van de 15e eeuw en het midden van de 18e eeuw, door handeldrijvende Europese naties langs de kust van de Golf van Guinee zijn gebouwd. De eerste versterking, het Kasteel van Elmina, werd door de Portugezen al rond 1482 opgericht. Tot aan het begin van de 17e eeuw behouden de Portugezen het, door de Paus verleende, monopolie op de handel in dit gebied, hoewel er in de loop van de 16e eeuw ook sporadisch Engelse en Franse handelsschepen verschijnen. De belangrijkste handelsgoederen zijn goud, specerijen, ivoor, was en boomschors, dat als kleurstof voor verf wordt gebruikt. Aan het begin van de 17e eeuw verschijnt ook de vaderlandse West Indische Compagnie op het toneel en worden de Portugezen al snel verdreven. Kort na de Nederlanders vestigen ook de Engelsen, Denen, Zweden en Duitsers handelsposten. Het is dan ook in deze periode dat de meeste van de ongeveer 60 bekende forten, kastelen en versterkingen langs de 500 kilometer lange kuststrook worden gebouwd, alsmede het tijdperk waarin de slavenhandel tot grote bloei komt, hoewel dat deel van de Golf van Guinee dat als de "Slavenkust" bekend stond, verder naar het zuiden ligt. Na de geleidelijke afschaffing van de slavernij, wordt het handel drijven langs de Golf van Guinee commercieel al snel minder interessant en worden de bezittingen over een weer verkocht. In 1851 verkopen de Denen het hun resterende onroerend goed aan de Engelsen, gevolgd door de Nederlanders in 1872. Tot dan aan toe had de Europese aanwezigheid zich tot de kuststreken beperkt en werd er met de lokale bevolking op voet van gelijkheid gehandeld. De Engelsen beginnen echter al vlug met een campagne het Britse koloniale Rijk uit te breiden naar het achterland van de Gold Coast, wat uiteindelijk na bijna dertig jaar, in 1901, lukt na de overgave van de Ashantis.

Accra wordt keurig via een hek verlaten, een controlepost van de politie die we naderhand bij iedere overgang van de ene regio naar de andere aan zullen treffen. De enige afwisseling in het wat saaie landschap wordt gevormd door de vele kleine dorpen, die bestaan uit kleihutten met rieten daken. Hoewel dit soort behuizing vrij algemeen voorkomt in Afrika, kan de manier van bouwen, de vorm van de hut of het huis en de vorm van de dakbedekking van streek tot streek verschillen. Daarom wil ik een dorp van dichterbij bekijken en wat foto's maken. Het dorp heet Okyereko en de "Chairman" van het dorp geeft ons, via zijn linguist Okyeame toestemming om rond te kijken en foto's te maken. Een linguist is een woordvoerder, want een belangrijk man als de Chairman kan natuurlijk niet met iedere willekeurige bezoeker in gesprek treden. Er ligt nog al wat suikerriet en een van mijn medereizigers vraagt in zijn onschuld of er hier veel suiker wordt geproduceerd en of dit wellicht ook wordt geexporteerd. Zijn vragen worden in het Akan, de lokale taal, vertaald en besmuikt lachend aangehoord. Snel zullen hem de schellen van de ogen vallen, want van dit suikerriet wordt overduidelijk "Akpeteshie", de lokale jenever gedistilleerd. Het suikerriet wordt door een soort pers gehaald en het opgevangen vocht gaat daarna naar de distillatie afdeling. Deze is als volgt opgebouwd: vier velgen van autowielen rechtop in de grond geplaatst, met daarop een olievat. Onder het olievat en tussen de velgen is er plaats voor een houtvuur. Hoog in het olievat is een koperen pijpje, van het type dat we in Nederland gebruiken voor gasleidingen, aangebracht dat in een grote bak met koelwater verdwijnt. Aan de andere kant van de bak komt dit pijpje weer te voorschijn en wordt het eruit druppelende suikerwater, dat nu een alleszins bewonderenswaardig alcoholpercentage heeft, in emmers opgevangen. Natuurlijk moet er worden geproefd en zo staan we even na negen uur 's ochtends aan de "kill me quick" ook wel bekend als "DC10", because it takes off really fast!

In Abandze, op ruim 100 km van Accra, komen wij de eerste restanten van een fort tegen, het fort Amsterdam. Hoewel een ruine, een typisch voorbeeld van een Europese handelspost. Gebouwd door de Engelsen als Fort Kormantin in 1631 en hun hoofdkwartier tot 1665, toen het door de Nederlanders werd veroverd. Twee honderd jaar later, in 1868, geruild voor een verderop gelegen versterking en weer terug in Engelse handen. Gevestigd op een rotsachtige heuveltop die de hele omgeving, zowel in de richting van de zee, als landinwaarts overheerst. In de muur naast de ingang is een door de stad Amsterdam geschonken gedenksteen aange bracht "ter herinnering aan de historische banden tussen Abandze en Amsterdam" staat er op. Waaruit die "historische betrekkingen" dan wel hebben bestaan, wordt zeer diplomatiek in het midden gelaten. Wandelend door het dorp dat, aan de Oceaan gelegen, hoofdzakelijk van de visvangst leeft, komen we overal de uit klei vervaardigde ovens tegen, waar de door de mannen gevangen vis, door de vrouwen wordt gerookt.

Vlak na Abandze bereiken we de oude koloniale hoofdstad Cape Coast en het voormalige Engelse hoofdkwartier Cape Coast Castle. Dit in 1653 door de Zweden als Carolusburg gestichtte kasteel, viel al snel in Nederlandse en kort daarna, in 1665, in Engelse handen en diende tot 1876 als hoofdkwartier van de Royal African Compagny. Toen Slauerhoff het bezocht werd het als kantoor voor de douane en immigratie autoriteiten gebruikt en was het vrij toegankelijk. Tegenwoordig is er het West African Museum of History gevestigd. We gaan op rondleiding.

De forten waren oorspronkelijk bedoeld als stapelplaatsen voor de uit het binnenland aangevoerde goederen, alsmede de uit Europa afkomstige ruilgoederen. De slavenhandel, die aanvankelijk van ondergeschikt belang was, werd belangrijker naarmate de vraag naar arbeidskrachten in de Nieuwe Wereld toenam. In eerste instantie hielden met name de Portugezen en de Engelsen zich met het kopen en verkopen van slaven bezig en hielden de Nederlanders zich afzijdig op godsdienstige gronden. Onze goed Calvinistische voorvaderen vonden het gebruik van slaven een abject paaps gebruik. Toen er echter bleek dat er ook in Suriname grote hoeveelheden slaven nodig waren voor het werk op de suikerplantages en duidelijk werd dat de handel in slaven buitengewoon winstgevend was, won de koopman het al snel van de dominee en stortte ook de WIC zich vol overgave op de handel in mensen. De nieuwe handel vergde uiteraard wat aanpassing van de opslagplaatsen in de handelsposten en de resultaten daarvan zijn thans nog te bewonderen.

Voor de lokale Afrikaanse bevolking was het gebruikelijk om de in onderlinge conflicten krijgsgevangen gemaakte vijanden als slaaf te werk te stellen. Met de komst van de Europeanen bleek het verhandelen van de slaven een zeer lukratieve nieuwe markt te zijn. Vandaar dat ik alle verhalen over de laakbaarheid van het handelen van de Europeanen, die in Afrika tegenwoordig vooral de ronde doen om een reduktie van de buitenlandse schuld te bepleiten, toch wel enigszins hypocriet vind. Niet dat het verhandelen van mensen niet laakbaar zou zijn, maar waren het niet de Afrikanen zelf, die voor goed geld hun eigen slaven aan de Europeanen verkochten om elders weer al slaaf te werk te worden gesteld? De Europese slavenhandelaren hoefden nimmer het binnenland in te trekken om op "slavenjacht" te gaan, de slaven werden door hun "broeders" altijd keurig aan de voordeur van de handelsposten afgeleverd.

Onze rondleider draait routinematig zijn verhaal af en leidt ons door en langs de diverse, overigens kale en ongemeubileerde, ruimtes van het kasteel: kantoren, vergaderzalen en de woonruimtes van de commandant, als ook de verdedigingswerken van het kasteel, de kanonnen en niet te vergeten de landinwaarts gelegen verdedigingslinie bestaande uit kleine forten die het hoofdkwartier uit de wind dienden te houden. Aan de voet van het kasteel, op het strand, liggen nog een aantal kanonnen die vroeger waarschijnlijk naar beneden zijn gegooid. Eindelijk naderen we de ruimten waar de slaven, in afwachting van vervoer naar de overkant van de Oceaan, tijdelijk werden gehuisvest. Het geheel is opgezet als een uitermate efficiente onderneming: aparte ruimten voor mannen en vrouwen, weinig tot geen frisse lucht, een open riool als toilet, een ondergrondse gang die naar de steiger en het schip leidde. De hele opzet is gericht op het beperken van het risiko van ontsnapping van de handelswaar. Er is weinig fantasie voor nodig om te begrijpen dat de omstandigheden hier buitengewoon mensonwaardig waren. De gids, aangekomen bij de poort waardoor de slaven naar de op de rede wachtende schepen werden afgevoerd, meldt droogjes dat dit "the gateway to the Caribean and the United States" was, "no boarding card required".

We zetten onze reis voort naar Elmina, het voormalige Nederlandse hoofdkwartier, dat ongeveer 20 minuten ten westen van Cape Coast ligt. Het aantal bezoekers is hier groter en bestaat uit Europeanen en een aantal Afro Amerikaanse families op zoek naar hun "roots". We gaan het kasteel binnen over een ophaalbrug, boven de ingang is het wapen van Holland ingemetseld. De gids in Elmina is echt geinteresseerd in zijn onderwerp en is in staat ons een levendig beeld van het leven van alledag te schetsen. Dit gaat zelfs zover dat een aantal Afro-Amerikaanse vrouwen het te kwaad krijgt. 't Is zeker denigrerend te vernemen dat buiten het verblijf van de Commandant speciaal een balkon was aangelegd om hem in staat te stellen op zijn gemak de vrouwen op de lager gelegen binnenplaats gade te slaan en vervolgens zijn keuze te maken. Vrouwen die zwanger raakten, werden echter vrij gelaten en volgens de gids is dit een van de redenen waarom er nog al wat mensen met gemengd bloed in de omgeving van het kasteel wonen/woonden. Wij zien er niet een. De boven de vrouwenverblijven gelegen Hervormde Kerk heeft ook nu nog Psalm 132, "Zion is des Heeren ruste. Dit is Syn woonplaetse in eeuwigheyt", aan de muur bevestigd. Het Kasteel van Elmina heeft dezelfde efficiente voorzieningen voor tijdelijk verblijf en afvoer van slaven als we al in Cape Coast Castle zagen. Hier en daar zijn er gedenkstenen, die herinneren aan Nederlandse commandanten of gouverneurs. Niets herinnert echter aan Daendels, de landvoogd van Java, die hier roemloos stierf.

De lunch gebruiken we met op de achtergrond het Kasteel van Elmina en het nabijgelegen fort St. Jago. Bij helder weer hadden we aan de oostzijde Cape Coast Castle moeten kunnen zien.

We zullen overnachten in de op ongeveer vier uur rijden verder gelegen mijnstad Obuasi. Onderweg bestuderen we nogmaals de techniek van het vervaardigen van lokaal gedistilleerde gin, nu echter niet op basis van suikerriet, maar met palmwijn als grondstof. Proefondervindelijk wordt vastgesteld dat de uit suikerriet vervaardigde gin zachter op de tong is. Het tappen van palmwijn zullen we een uur later van zeer nabij bekijken. De techniek in Ghana is wat primitief, de palm wordt gekapt om de wijn te tappen, terwijl in sommige buurlanden de wijn uit de top van de nog in de aarde staande en dus levende palm wordt gewonnen. De tappers die we spreken geven toe deze techniek niet te beheersen, hetgeen mij enigszins verbaasd omdat ik in het beslist niet beter ontwikkelde Sao Tome min of meer industriele "palmwijngaarden" heb bezocht en waar de wijn uit de top van de palm werd gewonnen. De tappers kopen de volwassen palmbomen (van ongeveer 10 jaar oud) in een bepaald gebied en kappen deze. Vervolgens wordt laag in de stam een gat gekapt. Dit gat wordt schoon gebrand en daarna wordt er een pijpje in aangebracht. De uit de stam lekkende palmwijn wordt in een onder de stam geplaatste pot opgevangen. De aldus gewonnen palmwijn wordt in olievaten verzameld en fermenteert spontaan. Na enige tijd wordt het op dezelfde wijze als de suikerriet varieteit gedistilleerd. We drinken wat vers getapte en nog alcoholloze palmwijn, het is een wat zoetige, maar smakelijke drank.

Het hotel waar we de nacht zullen doorbrengen heet Ayeinm Lodge en het ligt direkt naast de ingang van een van de goudmijnen van de Ashanti Goldfields Corporation. Het hotel voert als reclame slagzin "A touch of Excellence" en dat hebben we geweten ook. Voor het eerst tijdens de reis gaat er wat mis, men is hier kennelijk uitsluitend berekend op gasten die in tweepersoons kamers willen logeren, want men rekent niet op alleen reizende gasten die niet bij elkaar wensen te slapen. Na een uur of anderhalf, en ettelijke biertjes aan de bar, lijkt het probleem opgelost en blijken er toch eenpersoonskamers beschikbaar. We komen nu echter duidelijk in de mijnwerkersafdeling van het hotel: vuile kleine en kale kamers zonder enige voorziening en slecht schoongemaakte etage douches en toiletten. Bovendien veel luide rock 'n roll muziek en aangeschoten medegasten. Zowel bij het diner als de volgende ochtend bij het ontbijt, blijkt de helft van de op de uitgebreide kaart vermelde gerechten niet beschikbaar. Uiteraard overleven we dit alles, maar wie schetst onze verbazing, wanneer we enige dagen later op de televisie een reclameboodschap van hetzelfde hotel zien met luxe kamers uitgerust met telefoon en sateliet tv en prachtige badkamers. Logeren bovenop een goudmijn bleek voor ons toch wat minder aangenaam te zijn, dan de kijker hier wordt voorgespiegeld.

Zondag, 21 maart 1993 Obuasi Kumasi Accra
Na een wat onrustige nacht, het mijnverkeer dendert 24 uur per dag door, maken we ons op om naar Kumasi, de traditionele hoofdstad van het Ashanti Koninkrijk te gaan. De reis neemt nauwelijks een uur in beslag. In Kumasi aangekomen, rijden we het terrein van het grote Academisch Ziekenhuis op. We begrijpen echter niet zo goed wat de bedoeling van deze stop is. Ons wordt met klem verzekerd dat in de tuin van het ziekenhuis een uitermate belangwekkend voorwerp te bewonderen valt. We wandelen wat ontheemd tussen zieken, verplegend personeel en hun bezoekers en stoppen bij iets wat door een viertal stukken golfplaat van ongeveer 1 meter breed wordt afgeschermd: een uit de grond stekende handgreep van een, volgens zeggen, groot zwaard. Het verhaal is interessanter dan het object zelf. Het zwaard zou meer dan 200 jaar geleden hier in de grond zijn geplant door de fetisch priester Okomfo Anokye, ook wel Anochie genoemd, bij verwijdering van het zwaard uit de grond zal het Ashanti Koninkrijk uiteenvallen. Tot en met bulldozers toe zijn ingeschakeld om het zwaard uit de grond te halen, maar tot nu toe, het bewijs wordt ons getoond, is niemand daar in geslaagd en is het koninkrijk nog intakt.

Het Ashanti koninkrijk is ontstaan in het begin van de 17e eeuw. De Ashantis trokken toen vanuit het kustgebied landinwaarts en al doende onderwierpen zij de daar wonende taalverwante volkeren. Hun hoofdstad werd uiteindelijk in Kumasi gevestigd en ook daarbij speelde de priester Anochie weer een belangrijke rol. Om te bepalen waar de hoofdstad moest komen, werden er door hem op twee plaatsen jonge bomen geplant. Daar waar de boom zou groeien, zou de hoofdstad worden gevestigd en dat werd uiteindelijk Kumasi, hetgeen in het Akan als Kum asi wordt geschreven en "onder de Kum boom betekent". Ook de erkenning van de soevereine autoriteit van de Asantehene, de koning der Ashantis, door de overwonnen volkeren, werd door Anochie beinvloed. Volgens de overlevering liet hij, tijdens een bijeenkomst van de Koning met de overwonnen stamhoofden, een Gouden Zetel (Golden Stool) uit de hemel dalen, als teken van eenheid van de Ashanti staat en autoriteit van de Ashanti vorst. De Golden Stool bevat de zielen van het gehele volk en mocht deze uit handen van de regerende vorst raken, ook dan zal de natie uiteen vallen. Tijdens hun campagne de Ashanti te onderwerpen, hebben de Engelsen dan ook met alle middelen getracht de Golden Stool in handen te krijgen, doch zonder resultaat. De zetel is verborgen op een plaats, die slechts bij de Koning en een kleine groep vertrouwelingen bekend is.

Het nu op het programma staande bezoek aan het Ghana National Cultural Centre valt behoorlijk tegen. Alleen het Prempeh II Museum is open, alle andere bezienswaardigheden zijn gesloten of staan op een zeer laag pitje. Uit de naast het museum gelegen kerk, wordt onze rondleiding begeleid door prachtige koorzang. Het kleine Museum heeft een oppervlakte van hooguit 40 vierkante meter en bevat een aantal Ashanti kostbaarheden, foto's van Koningen en voorbeelden van Kente weefkunst en Adinkra dekoraties, paraplutoppen en waardigheidsstaven, gouddoosjes en goudgewichtjes. Onze Engelse medereiziger wordt er door de Ashanti rondleidster onmiddelijk streng op gewezen, dat de Engelsen belangrijke Ashanti kunstschatten hebben gestolen en dat deze onverwijld dienen te worden teruggegeven. Hij belooft er zo spoedig mogelijk werk van te zullen maken.

Tussen de Engelsen en de Ashanti, een onafhankelijk en krijgshaftig volk, had het de gehele 19e eeuw door al niet geboterd en er was bij herhaling sprake van vijandelijkheden. In 1874 leidde dat zelf tot de complete verwoesting van Kumasi door een Britse expeditiemacht en het tekenen van een verdrag, waarbij de Ashanti de souvereiniteit over het langs de kust gelegen zuidelijk deel van hun Koninkrijk overdroegen aan de Britten. Ook werden zij verplicht jaarlijks 50.000 ounces goud te betalen. Tijdens de Conferentie van Berlijn in 1884 verdeelden de grote Europese staten het Afrikaanse continent en niet lang daarna wensten de Engelsen hun invloed uit te breiden naar het gebied ten noorden van hun Gold Coast Colony en dus naar wat er nog restte van het Ashanti Koninkrijk. Hiertoe wilden zij een Resident vestigen in Kumasi, een voorstel dat door de Ashantis met weinig enthousiasme werd ontvangen, omdat zij (terecht) vreesden dat dit het einde van hun onafhankelijkheid zou gaan betekenen. In 1896 stelden de Britten een ultimatum, na afloop waarvan er een expeditiemacht onder leiding van Major Baden Powell, de stichter van de Padvindersbeweging, optrok naar Kumasi en de stad innam. Omdat hij de bij verdrag vastgelegde 50.000 ounce goud niet zou hebben betaald werd de koning met een aantal leden van zijn familie gevangen genomen en enkele jaren later naar de Seychellen verbannen. Vele kostbaarheden werden als krijgsbuit uit de stad meegenomen, waaronder een bronzen emmer een kuduo gevuld met kilo's stofgoud. Een aantal van de door Baden Powell meegenomen voor werpen, werden in 1952 door Lady Baden Powell naar Kumasi teruggebracht. In het Museum wordt er fijntjes op geattendeerd, dat de kuduo, gevuld met kilo's stofgoud werd afgevoerd en leeg werd teruggegeven "En dat voor de oprichter van de Boy Scouts"!

We gaan naar de grote Kumasi Central Market en kopen lokale stoffen voor de vrouwen en vriendinnen. Terwijl we over de prijs staan te discussieren (afdingen moet!), komt er een verontwaardigde vrouw melden, dat men zojuist heeft getracht een van ons de zakken te rollen en of we toch vooral goed op onze eigendommen willen passen. We danken haar voor haar bezorgdheid. Na de markt rijden we eerst nog wat door de stad en bekijken de buitenkant van het Koninklijk Paleis. Wat op oude foto's nog een prachtig gebouw was, is na de Engelse verwoesting van de stad, herbouwd als wat een alledaags, maar wel heel erg groot huis.

In de omgeving van Kumasi bezoeken we een aantal dorpen waar we nader kennis maken met verschillende uitingen van Ashanti kunstnijverheid. In de eerste plaats is daar het houtsnijwerk, de Ashanti poppen en de houten zetels (stools). De stool is voor de Ashanti een belangrijk en spiritueel voorwerp. Het eerste geschenk van een vader aan zijn kind is een zetel en de zetel is het huis van de ziel van de eigenaar. De zetels zijn lage krukjes, die vaak fraai zijn gedecoreerd. Wanneer niet in gebruik, dient de zetel op zijn kant te worden gezet, zodat de geesten er niet op kunnen gaan zitten en bezit van je ziel kunnen nemen. Afhankelijk van de plaats van de eigenaar in de maatschappij, is de zetel anders gedecoreerd, zo zijn er decoraties voor koningen, koninginnen, chiefs, mannen, vrouwen, etcetera.
De Akua ba poppen, populair bekend als Ashanti poppen, zijn uit hout gesneden poppen met een groot plat en rond hoofd. Het zijn vruchtbaar heidssymbolen, maar worden ook meegedragen door zwangere vrouwen. Het geloof wil dat vrouwen, die de akua ba bij zich dragen tijdens de zwangerschap, een mooie baby met een rond gezicht en een glad en hoog voorhoofd zullen baren.

Na het hout de textiel opgezocht. Kente en adinkra zijn de stoffen, die door de Ashanti worden geweven en bedrukt. Kente is het meest bekend. Het is een smalbandweefsel dat wordt geweven in lange stroken van ongeveer 20cm breed, die daarna aan elkaar wordt genaaid. Kente werd oorspronkelijk uit pure zijde geweven en was uitsluitend bestemd voor leden van de koninklijke familie. Tegenwoordig is katoen de grondstof en dragen ook velen buiten de koninklijke familie Kente. De patronen zijn ingewikkeld en zeer kleurrijk, de meest gebruikte kleuren zijn goudgeel, groen, rood en blauw.
Adinkra, hoewel wat saaier qua geweven patronen, is een bijna poetische stof. Gemaakt van katoenen stroken, net zo als de Kente, maar met de hand bedrukt met een variatie aan vaste motieven, die allen een eigen betekenis hebben en bedoeld zijn om bij bepaalde gelegenheden te worden gedragen. De wevers, die we in het dorp Ntonso bezoeken, hebben bakken vol met deze handgesneden stempels. In het Prempeh Museum had ik een boekje gekocht met daarin de namen en de afbeeldingen van de stempels. De samensteller van het boekje heeft bij ieder motief een passend gedicht gemaakt, de dorpelingen zijn zeer geinteresseerd. Zij geven mij de naam van het stempel, ik zoek het op in het boekje en lees het gedicht, een erg leuke ervaring.

De goudgewichten zijn een verhaal apart. Niet de gewichtjes zoals wij ze in Europa kennen, maar kunstig uit brons vervaardigde figuren en figuurtjes, die als contra gewicht op de balansschaal dienen en alle een gewichtseenheid vertegenwoordigen. Deze gewichten worden op de zelfde manier als het Benin brons vervaardigd. Naast de goudgewichten, worden er ook gouddoosjes gemaakt, die dienen om het stofgoud in te bewaren.

Het wordt tijd om te gaan lunchen en volgens de met onze begeleiders gemaakte afspraak, dient er vandaag een Ghanese maaltijd te worden geserveerd. Om echt Ghanees te eten, dient men zich natuurlijk naar een "Chop Bar" te gaan. Chop is het pidgin engelse woord voor eten. We komen, na enig zoeken, terecht in de Abotare Ye Chop Bar het Geduld Eethuis. Het eethuis is gevestigd op de begane grond van een koloniaal huis, voor de bar staan de grote kookpotten, die zijn gevuld met de dagmenu's. Wij gaan foufou eten. Foufou, het meest populaire gerecht van het land, wordt vervaardigd uit gestampte cassavewortel gemengd met plantain, de grote bakbanaan. Mensen die er niet van houden noemen het "pounded wax", het is inderdaad wel wat kaarsvetachtig. Zoals in Europa de groenten, die bij de aardappelen worden geserveerd, smaak en kleur aan een maaltijd geven, is dit in de meeste West Afrikaanse landen het geval met de sauzen, hier "soup" genoemd, die bij het gerecht worden gegeten. Bij foufou is dit "nkatekwan", een saus vervaardigd op basis van pinda's, we proeven ook nog de "nkrakra" saus, die de gestampte vruchten van de palmboom als belangrijkste ingredient heeft. De maaltijd, die het lekkerst smaakt indien met de vingers genuttigd, is smakelijk en vult de maag behoorlijk. De in het restaurant hangende petroleumgeur nemen we maar op de koop toe. Navraag leert dat de tafels met een in petroleum gedoopte doek worden schoongemaakt: dit houdt de vliegen weg. En inderdaad we zien geen enkele vlieg.

De terugreis naar Accra duurt bijna vijf uur. Onderweg zien we, net als op zaterdag, weer de nodige begrafenis bijeenkomsten. Volgens onze gidsen zijn deze bijeenkomsten voor veel Ghanezen, in het zuiden van het land, zo'n beetje de belangrijkste bezigheid tijdens het weekend. De kleding voor de mannen is zwarte adinkra met rouwmotieven, de vrouwen dragen veel met rode motieven bedrukte zwarte stoffen. Rood, bloed symboliserend, is de lokale rouwkleur. De in traditionele dracht geklede mannen, lijken een beetje Romeinse Senatoren. De lap adinkra, met de omvang van een groot laken, wordt op een bepaalde manier omgeslagen, zodat de dracht op een toga lijkt. Eronder wordt slechts, een bij voorkeur witte, korte broek gedragen. Begrafenissen hebben een grote sociale betekenis, de Ashantis schijnen het heerlijk te vinden om in groepen te huilen (zeggen onze niet Ashanti gidsen), maar ook wordt er het laatste familienieuws uitgewisseld. Telefoons zijn een schaars artikel en werkende telefoons waarschijnlijk nog zeldzamer. Het is al donker als we Accra, weer door een hek, binnen rijden.

Maandag, 22 maart 1993 Accra Kpong Akosombo Accra
Vandaag doen we rustig aan, op het programma staat slechts een bezoek aan de twee hydro elektrische dammen in de rivier de Volta, waarvan de bouw in 1961, vlak na de onafhankelijkheid, werd begonnen om te voor zien in de nationale behoefte aan elektriciteit. Vanuit Accra volgen we eerst de autobahnachtige tolweg naar Tema, waar ongeveer tegelij kertijd met de constructie van de dammen een haven werd gegraven en een grote aluminium smelter werd gebouwd. Al deze projekten werden geinitieerd door de eerste President van de Republiek Ghana Dr. Kwame Nkrumah en vormen onderdelen van het Volta River Project. Nkrumah is beslist een man met grote visie geweest. De projekten stuitten destijds op veel weerstand, maar hij zette door. Tegenwoordig erkent vrijwel iedereen dat Nkrumah dat terecht heeft gedaan en dat indien dezelfde projekten vandaag de dag weer zouden moeten worden uitgevoerd Ghana daar het geld niet voor zou hebben, terwijl men er nu al zo'n 25 jaar de vruchten van plukt.

De Kpong Centrale is klein, maar buitengewoon goed georganiseerd. We zijn behoorlijk onder de indruk. De hele centrale is computer gestuurd en alle vier de generatoren zijn volop in bedrijf. Hetzelfde zien we ook bij de Akosombo Dam, de grootste dam in West Afrika. Veel van de elektriciteit wordt geexporteerd naar de buurlanden Ivoorkust en Togo, zo verdient een land dat geen olie en gas produceert toch harde valuta met de export van energie. Wij ontkomen er niet aan om wat we hier zien te vergelijken met de situatie in Nigeria, waar de landelijk geinstalleerde capaciteit voor de opwekking van elektriciteit, twee maal de nationale behoefte dekt, maar waar grote delen van het land voortdurend in het donker zitten, omdat de distributie verschrikkelijk inefficient is opgezet. De stad Akosombo is gelijk met de dam gebouwd en ziet er zeer welvarend uit. We gebruiken een uitstekende lunch in het Volta Hotel, dat op het hoogste punt van de stad is gebouwd met een prachtig uitzicht over de dam en het Volta Meer, het grootste kunstmatige meer ter wereld.

Op de terugreis naar Accra kopen we langs de weg wat lokaal gemaakt aardewerk. Door de eenvoud van vorm zeer dekoratief, hoewel bedoeld als gebruiksvoorwerpen. Gedwongen door plaatsgebrek in onze tassen, om praktische redenen reizen we uitsluitend met handbagage, kunnen we alleen wat op kleine pootjes rustende borden kopen.

Via de "Jerusalem Gate" keren we terug in de regio rond Accra. De controles hier zijn zo scherp en zo langdurig, dat het volgens de bevolking wel haast net zo moeilijk is Accra binnen te komen, als de heilige stad Jerusalem. Vandaar de naam.

Ik wil snel nog even langs de Legon Universiteit, om te kijken of Professor Albert van Dantzig, schrijver van verschillende boeken over de Ghanese geschiedenis, te spreken is. De Campus is zeer ruim opgezet en goed onderhouden. We komen in een studentendemonstratie terecht, maar mogen toch doorrijden en treffen de Professor thuis aan. Er blijkt dat er eerder op de dag een student is doodgeschoten tijdens een protestbijeenkomst en de volgende dag zal de Universiteit voor onbepaalde tijd worden gesloten. Albert van Dantzig is een historicus, die al 30 jaar in Ghana woont en geschiedenis doceert. Hij heeft een paar zeer leesbare boekjes over de Ghanese geschiedenis geschreven en heeft van zijn favoriete onderwerp zijn beroep kunnen maken. Op mijn verzoek, signeert hij zijn door mij gekochte publikatie "Forts and Castles of Ghana". Hoewel ik vind dat er, zeker in vergelijking met Afrikaanse buurlanden, historische monumenten heel behoorlijk in stand worden gehouden, beklaagt hij zich over het gebrek aan belangstelling en fondsen voor goede conservering van wat er nog is. 's Avonds eten we Palaver Sauce, het equivalent van de Nigeriaanse Egusi Soup, met een schijf gekookte yam en bakbanaan.

Dinsdag, 23 maart 1993 Accra en omgeving en terug naar Lagos

De Engelsen verplaatsen de zetel van het koloniale bestuur in 1877 van Cape Coast naar Accra, dat sindsdien de hoofdstad van het land is. Het Kasteel Christiansborg, het voormalige Deense hoofdkwartier, werd de zetel van de Gouverneur en naderhand het Paleis van de President van de Republiek Ghana. Het staat nu algemeen bekend als "The Castle". Accra bestaat een reeks van min of meer aaneengegroeide dorpen en heeft een landerig karakter, dit maakt een buitengewoon prettige indruk op reizigers afkomstig uit een zo hectische stad als Lagos. Maar als je tegen Ghanezen zegt dat het in Accra zo lekker rustig is, wordt er verontwaardigd gereageerd, want dit is hun hoofdstad en een geweldig drukke en bezige stad.

Rondkijken in Accra dus. Eerst naar de High Street om Fort Ussher en Fort James te bekijken. De High Street is geen High Street, zoals we die in Engeland kennen, maar gewoon en alledaagse saaie straat en de forten zijn geen forten meer maar gevangenissen. De wijk die tussen de High Street en de zee in ligt, een strook van hooguit 50 meter breed, is dezelfde die Slauerhoff vanaf zee zag toen hij 60 jaar geleden van de rede naar de stad werd geroeid en Fort Ussher, toen ook al een gevangenis, tegen betaling van enige sigaretten bezocht. Wat ooit een florerend deel van de stad was, verkeert nu in ernstige staat van verwaarlozing en alle economische aktiviteit die er destijds heerste is verplaatst naar het wat verderop gelegen Tema, waar kort na de onafhankelijkheid een nieuwe haven is gegraven. Al wandelend langs de High Street passeren we eerst Fort Ussher, het voormalige Nederlandse Fort Crevecoeur, dat, hoewel alle borden erom het zeggen, niet erg meer op een gevangenis lijkt. Boven de ingang prijkt een bord waarop "SHOWROOM" staat vermeld. Fort James is nog wel degelijk een gevangenis en de bewakende dames van het er naast gelegen hoofdkwartier van de Ghanese douane raden ons vriendelijk, doch dringend, aan aan de andere kant van de straat te gaan lopen en absoluut geen foto's te maken. Het in 1673 gebouwde fort ziet er dermate ongastvrij uit, dat we het gegeven advies gaarne opvolgen.

Fort Ussher, gebouwd in 1649 door de Nederlanders (in 1868 verkocht aan de Engelsen) en Fort James, in 1673 gebouwd door de Engelsen, liggen nog geen 5 minuten lopen bij elkaar vandaan. Het voormalige Deense hoofdkwartier, Kasteel Christiansborg, contructie begonnen in 1661 (en in 1850 verkocht aan de Engelsen) ligt met de auto minder dan 10 minuten de andere kant op. Dit is zeer karakteristiek voor dit deel van de Golf van Guinee, waar handelsposten van de verschillende Europese handelsondernemingen vaak vlak bij elkaar werden gebouwd. Alle maatschappijen waren dan ook uit op dezelfde handelswaar en sloten vriendschap met dezelfde stammen. De grond, waarop de handelsposten werden gebouwd, werd over het algemeen gehuurd. En tot aan het moment van kolonisatie door de Engelsen, hadden de Europeanen geen enkele formele zeggenschap in het reilen en zeilen van de lokale gemeenschappen.

Na de wandeling langs de High Street bezoeken we het Nationaal Museum. Het gebrek aan fondsen is direkt zichtbaar, hoewel in redelijke staat van onderhoud, is de collectie zeer beperkt en nogal oppervlakkig. Er is een verwoede poging gedaan om uit zoveel mogelijk Afrikaanse landen iets te laten zien, met als gevolg dat niets eigenlijk goed wordt uigediept. Dat geldt tot onze spijt ook voor de collectie Ghanese objecten. Zeer bizar is dat ongeveer een kwart van de begane grond in beslag wordt genomen door een tentoonstelling van de Russische kunstenares Ludmila Kuharuk. Letterlijk stijlloze kunst. Bij het verlaten van het Museum wordt ik aangesproken door de begeleider van de artieste. Of ik soms Duits spreek? Op mijn bevestigende reaktie, word ik meegetroond naar de expositie van mevrouw Kuharuk, want ze willen me graag een herinnering aan de tentoonstelling geven. Er volgt een wat moeizaam gesprek, maar gelukkig wordt mij niet gevraagd wat ik van het getoonde werk vind.

De lunch wordt gebruikt in het, naast het Museum gelegen, Ghanees specialiteiten restaurant Etvy, we eten red red, een lokale bonen schotel, met plantain (bakbanaan).

Ter afsluiting van ons bezoek aan Accra toeren we wat door de stad en bezoeken twee markten. De Makolo markt, die midden in Accra ligt en een typisch Afrikaanse markt is en de toeristenmarkt. Deze laaste is gelegen naast het mausoleum van Kwame Nkruma. Het mausoleum ligt in een mooi en goed onderhouden park, maar de hekken zijn om onbekende redenen gesloten. Ook werpen we snel een blik op het strand bij het Labadi Beach Hotel, waar een eenvoudige kamer $165 per nacht kost. Het is dus bijna goedkoper om iedere avond even terug te vliegen naar Lagos en daar te overnachten.

Zo komt langzaam, maar zeker, een einde aan ons bezoek. Op het vliegveld moeten we weer vele uren wachten tot het vliegtuig arriveert en gereed wordt gemaakt om ons naar Lagos terug te brengen. Gelukkig is de 1st class lounge in Accra van zeer goede kwaliteit, hetgeen het wachten enigszins veraangenaamt. Onze vlucht wordt omgeroepen en we begeven ons naar de uitgang. Bij de laatste controle op Ghanees grondgebied gebeurt dan iets, waar we tot op heden vier dagen van verschoond zijn gebleven. De immigratie ambtenaar beantwoordt mijn "Good evening, Sir" met "Good evening, big man, what have you reserved for me?". We zijn duidelijk weer onderweg naar Lagos, waar de eerste vraag van de Nigeriaanse beambten ongetwijfeld "Oga, what did you bring for me?" zal zijn.


© Jacques de Rhoter

Rio Muni Coastline

Printversie