|
BENIN CITY, IN DE VOETSPOREN VAN OLFERT
DAPPER? (17-12-92)
Tijdens mijn eerste weekend in Lagos, nu
al weer ruim drie jaar geleden, bezocht
ik het Nationaal Museum. Het museum is gevestigd
in een half afgebouwd gebouw en de, relatief
kleine, collectie histor sche kunstvoorwerpen
wordt er onder alles behalve ideale omstandigheden
tentoongesteld. Naast de vele terracotta
en houten objecten, werd ik vooral geboeid
door de prachtige ivoren en bronzen voorwerpen
afkomstig uit het oude Koninkrijk Benin.
Na in de afgelopen jaren de Benin collecties
van het National Museum for African Art
in Washington DC en het British Museum en
Museum of Mankind in London te hebben bekeken,
werd het nu eindelijk eens tijd om af te
reizen naar het hart van het oude Koninkrijk:
Benin City op ongeveer 350 km ten oosten
van Lagos.
Min of meer in de voetsporen van onze 17e
eeuwse landgenoot Olfert Dapper, wiens gezaghebbende
boek "Een nauwkeurige beschrijving
van de Afrikaanse Gewesten", gepubliceerd
in 1668, nog regelmatig wordt aangehaald
in boeken en catalogi over Afrika en Afrikaanse
kunst. Dapper baseerde zijn beschrijvingen
op kronieken van reizigers, mondelinge verslagen,
scheepsjournaals van de Vereenigde Oost
Indische Compagnie en de West Indische Compagnie
en op reeds eerder verschenen publikaties
over Afrika. Een uit zijn boek afkomstige
illustratie van een Koninklijke optocht
in de stad Benin, wekt de indruk dat hij
en de illustrator daar toeschouwers waren.
En ook zijn gedetailleerde beschrijving
van het hofleven lijkt het resultaat te
zijn van uitgebreid onderzoek ter plaatse.
Schijn echter bedriegt: Dapper bezocht Afrika
nooit.
Omdat ik zelf informatie uit de eerste hand
zoek, vertrek ik per auto vanuit Lagos naar
Benin City, een rit van bijna 4 uur. De
stad is de hoofdstad van de deelstaat Edo,
die ongeveer de oppervlakte van het oude
Koninkrijk beslaat, en toont zich aan de
bezoeker als zovele andere grote steden
in Nigeria: stoffig, vuil, wegen vol met
gaten en massa's mensen, die zich per auto
en vooral te voet verplaatsen. Toch moeten
er zich achter deze facade de resten van
een rijke cultuur bevinden. Ik ga er naar
op zoek met een uit de stad afkomstige bevriende
studente, die recentelijk een stage heeft
gedaan bij het bedrijf waar ik werk, en
die reeds meerdere malen had aangeboden
als gids op te willen treden, indien ik
Benin zou willen bezoeken. Dat zal, naar
ik hoop, dus deuren openen, die voor anderen
gesloten blijven, want zij spreekt de lokale
taal en kent veel mensen.
Onze eerste stop betreft het filiaal van
het Nationaal Museum in Benin City. Het
gebouw ligt in het midden van Kings Square,
in het drukke centrum van de stad. Daar
alle verkeer in de stad via dit centrale
plein lijkt te gaan, is het museum uitsluitend
met gevaar voor eigen leven te bereiken.
Mijn teleurstelling is dan ook groot als
blijkt dat het wegens een staking is gesloten
en de deuren blijven ferm toe.
Rond het plein staan diverse beelden van
historisch belangrijke personen en lokaal
vereerde goden. Het "mooiste"
beeld vind ik het beeld dat de man eert
die, in 1897, toen de Engelsen de stad aanvielen,
leeg roofden en platbrandden, de eerste
blanke soldaten, met pijl en boog, doodde.
Geen bronzen kunstvoorwerpen uit vroeger
eeuwen te bewonderen, maar des te meer bronzen
voorwerpen uit de 20ste eeuw. In en rond
Igun Street (Igun is de god van het ijzer)
worden nog dagelijks bronzen voorwerpen
gegoten door de vele bronsgieters die daar
wonen en werken en die het vak nog steeds
van vader op zoon doorgeven. Tot aan het
begin van deze eeuw stond dit ambacht nog
volledig in dienst van het koningshuis en
de verheerlijking van de regerende vorst
en zijn voorouders. De voorwerpen, die tegenwoordig
worden gemaakt, zijn replicas van de afbeeldingen
van weleer maar wel van veel mindere kwaliteit:
massaproduktie voor de toeristen.
Lumumba, een van de bronsgieters, is een
oom van mijn gids. Achter zijn huis is hij
samen met zijn broer en een tiental leerjongens
bezig het oude ambacht te beoefenen. Hij
geeft ons tekst en uitleg.
De eerste fase van het produktieproces is
het vervaardigen van een dubbele mal van
klei, die in een houtvuur wordt gebakken.
Na het afkoelen van de mallen, wordt er
een bekleed met bijenwas en ziet er dan
uit als een model van het te gieten voorwerp.
De wat grotere buitenmantel wordt er als
een deksel overheen gezet en men is klaar
om te gieten. In een kuil wordt continu
een kolenvuurtje aan de gang gehouden, waarin
de gevulde smeltkroezen liggen. De mallen
worden in kuiltjes in de grond geplaats
en het afgieten kan beginnen. Na te zijn
afgekoeld, worden de voorwerpen uit de mal
verwijderd en afgewerkt met pannesponsjes
en vijlen. Het geheel maakt een wat primitieve
indruk, maar het is aardig om het hele proces
gedemonstreerd te krijgen. Het leukste instrument
vind ik eigenlijk een uit twee grote afvoerontstoppers
gebouwde blaasbalg, die het vuur onder de
smeltkroesjes aan de gang houdt. In een
hoekje van de werkplaats staat een altaar
gewijd aan de god Igun, zo'n altaar zie
ik ook bij verschillende buren. Hoewel de
bronsgieters volhouden Igun met enige regelmaat
te vereren, lijkt de verwaarloosde staat
van vele van de altaren eerder het tegendeel
aan te tonen.
In een centraal gelegen gezamenlijke winkel
worden de hier vervaardigde objecten verkocht,
het is jammer dat de afwerking nog al slordig
is en dat er geen nieuwe ontwerpen worden
gemaakt. Na een kleine aankoop te hebben
gedaan nemen we afscheid.
We proberen tot slot van de dag, en voordat
de duisternis invalt, nog een bezoek te
brengen aan het oudste huis van Benin en
volgens zeggen het enige huis dat de grote
brand van 1897 doorstond. De bewoner is
Chief Osarobo Erenedoma, de Ogiamien van
Benin, een belangrijke traditionele Chief
en oud studiegenoot van mijn gids. De Chief
is echter niet thuis en we worden verzocht
de volgende ochtend terug te komen.
Het jaar 1897 is een regelrecht rampjaar
voor het Koninkrijk Benin: de stad wordt
verwoest, er komt een einde aan het absolute
koningsschap en de eeuwen oude kunstschatten
worden als oorlogsbuit weggevoerd.
Tegen het einde van de vorige eeuw proberen
de Engelsen hun invloed, die zich hoofdzakelijk
tot de kust beperkt, uit te breiden naar
het binnenland van Nigeria. In 1892 sloten
zij daartoe ook een overeenkomst met de
Oba, dat is de Koning, van Benin, maar de
uitvoering daarvan laat aan de zijde van
Benin al snel veel te wensen over. Koloniale
ambtenaren stellen voor een strafexpeditie
tegen het Koninkrijk te ondernemen, maar
de Foreign Office verzet zich daar tegen
en wenst een vreedzame regeling van de problemen.
Een ambitieuze ambtenaar wacht echter de
reaktie op het voorstel niet af en gaat
in november 1896 alvast met een, overigens
ongewapende, expeditiemacht bestaande uit
negen Britten en meer dan 200 inheemse dragers
onderweg naar Benin. De Oba weigert de Britse
vertegenwoordigers te ontvangen, maar de
leider van de expeditie neemt hier geen
genoegen mee en neemt zich voor de stad
binnen te gaan. Inmiddels leiden politieke
intriges aan het Hof er toe dat de expeditie,
zonder dat de Oba daarvan op de hoogte is,
begin januari 1897 wordt aangevallen en
bijna geheel wordt uitgemoord. Slechts twee
Britten en enkele dragers overleven. Als
het nieuws hierover Londen bereikt, wordt
vrijwel onmiddelijk besloten tot vergelding
over te gaan. Oorlogsschepen worden richting
Nigeria gezonden en begin februari gaat
een leger van ruim 1500 man onderweg naar
Benin City. Na weinig strijd valt de stad
op 18 februari 1897 in handen van de Britten
en twee dagen later breekt de brand uit
die de hele stad in de as zal leggen.
Nog voordat de alles verwoestende brand
uitbreekt, ontdekken de Britten, in een
van de huizen op het Paleisterrein, de kunstschatten
van de Benin dynastie. Alles behalve kunstschatten
op dat moment echter, want het geheel zit,
volgens de beschrijving uit die tijd, onder
het vuil van vele generaties. De Britten
hebben eigenlijk weinig belangstelling voor
de vondst: geen goud of zilver, maar slechts
zwaar verweerde bronzen en ivoren voorwerpen,
in totaal zo'n 2400 objecten. Veel verdwijnt
als "persoonlijke" krijgsbuit
en wordt vrij snel door verkocht aan handelaren
in Lagos en London. Enige honderden voorwerpen
worden "officieel" naar Londen
verscheept, waar een deel wordt geveild
om de kosten van de strafexpeditie te dekken.
De wereldwijde versprei ding van de hofkunst
van Benin wordt hierdoor een feit.
Prompt 9 uur de volgende morgen melden wij
ons weer bij het huis van de Ogiamien. Aan
de buitenkant ziet "het paleis"
er niet erg imposant uit. Het heeft een
uit klei opgetrokken, horizontaal gesteepte
gevel: een kenmerk voor alle huizen in Benin
City waar een Chief woont. De Ogiamien is
een aardige jonge man van achter in de twintig,
die ons hartelijk ontvangt. Zijn titel blijkt
erfelijk te zijn in de mannelijke lijn,
wat met "normale" chieftancies
in Nigeria niet het geval is. "Chief"
is gewoonlijk zoiets als het predikaat "Sir"
in Engeland, dat met het overlijden van
de houder wordt begraven.
De kern van, het geheel uit klei opgetrokken,
huis, bestaat uit een drietal achter elkaar
gelegen vierkante vertrekken met een deels
open dak. Deze opening zorgt voor licht
en frisse lucht, maar in de regentijd loopt
het hemelwater dus wel de vertrekken in.
Om dit regenwater af te voeren, is er in
het midden van ieder vertrek een vierkante
kuil (een soort zitkuil) geconstrueerd met
zowaar een drainage systeem. De kamers zijn
nauwelijks gemeubileerd, maar goed gevuld
met altaars en orakels.
Het eerste vertrek is een ontvangstruimte.
Het altaar staat vol met "Ukhurhe"
of rammelstaffen, die de voorouders van
de Ogiamien vertegenwoordigen. Deze voorouders
waken nog steeds over hun nazaten en worden,
volgens de Ogiamien, met grote regelmaat
geraadpleegd. Een ukhurhe is een sober gedecoreerde,
uit hout vervaardigde staf van ongeveer
een meter lang. De kop van de staf wordt
gevormd door de beeltenis van een overleden
voorvader, vlak onder de kop is er een kleine
holle ruimte gesneden, waarin een stukje
hout zit. Als men de ukhurhe beweegt of
op de grond stampt, rammelt het houtje,
dit wekt de geest van degene die men wenst
te raadplegen.
De tweede kamer is de ruimte waar de raadgevers
van de Ogiamien worden ontvangen. Het meest
interessante altaar daar is een houten "Altaar
van de Hand". Dit altaar is, in de
lokale godsdienst, uitsluitend voorbehouden
aan de belangrijkste hoogwaardigheidsbekleders
van het Koninkrijk, waarbij uitsluitend
de koning, de koningin moeder en de belangrijkste
paleisfunktionaris een bronzen altaar mogen
hebben, alle andere altaren zijn van hout.
Het altaar symboliseert zowel gerealiseerd
als toekomstig sukses en er wordt uitsluitend
in besloten kring aan geofferd.
Het derde vertrek is een soort troonzaal
en bevat een aantal objecten van belang.
Niet zonder trots wordt mij een gietijzeren
lantaarn getoond, die in 1897 op de Engelse
troepen zou zijn veroverd. Er staan ook
een aantal Ukhurhe opgesteld, die door de
Obas van Benin aan de Ogiamien en zijn voorouders
zijn geschonken en die een erkenning van
hun autoriteit inhouden. Deze rammelstaffen
benadrukken de autoriteit van de drager.
Aan de zijkant van de drie hoofdvertrekken
liggen de prive ruimtes van de Ogiamien,
de keuken, de voorraadkamer en de kamer
van de "vrouw van dienst". De
huidige Chief, die ongehuwd is, legt mij
uit dat zijn voorouders meerdere vrouwen
hadden en dat er een soort rooster bestond
voor wie er voor de Ogiamien zorgde. Deze
vrouw woonde in het vertrek naast zijn privevertrekken,
had de leiding over de keuken en zorgde
ervoor dat het haar echtgenoot aan niets
ontbrak. Iedere maand werd deze funktie
door een andere echtgenote vervuld. Op een
kleine binnenplaats bevinden zich een paar
altaren voor deze echtgenotes, waarvan een
er diende om vruchtbaarheid af te smeken.
Er zijn nog twee altaren, waarover de Chief
weigert uitleg te geven en die ook niet
mogen worden gefotografeerd.
Aan de andere kant van de keuken liggen
de vrouwenvertrekken langs een soort straatje.
Ik zie alleen wat oudere vrouwen schielijk
hun kamer ingaan wanneer wij uit de keuken
te voorschijn komen. Het straatje uitlopend,
staan we weer op de binnenplaats bij de
ingang van het paleis, waar nog wat fotos
worden gemaakt en waar ik nog even aan de
tand word gevoeld over de historische relaties
tussen Nederland en Zuid Afrika. Na uitleg
te hebben gegeven nemen we hartelijk afscheid.
Ons volgende doel is Koninklijk Paleis
van Benin. Onderweg daar naar toe maken
we een rondrit door de stad en zien hier
en daar de resten van de gracht, die ooit
een onderdeel van de verdedigingswerken
van de stad vormde. De gracht staat droog
en is bijna geheel dichtgegroeid met bomen
en struiken.
Een "paleis" in Nigeria is voor
Nederlandse begrippen vaak niet meer dan
een wat slordig onderhouden en waarschijnlijk
onbewoonbaar verklaarde woning. Veel paleizen
zijn opgetrokken uit klei en hebben golfijzeren
daken, sommige zijn zeer imposant zoals
bijvoorbeeld het paleis van de Emir van
Kano, dat een ware vesting is. Vele andere
paleizen, vooral in kleine steden, stellen
niet zoveel voor. Het Paleis van de Oba
van Benin staat op een zeer groot terrein
in het midden van de stad. Naast het paleis
staan er een aantal gebouwen, waar de administratieve
diensten zijn gevestigd, als ook de schatkamer,
waar de regalia van het Koninkrijk worden
bewaard. De archi tectuur van het Paleis
en de schatkamer vertonen de zelfde horizontaal
gestreepte facades als het paleis van de
Ogiamien. De administratieve gebouwen zijn
duidelijk van recenter datum en Europees
van uiterlijk. Toestemming te krijgen om
het paleisterrein te betreden en rond te
mogen kijken kost wat tijd. Een zeer grijze
oudere klerk ontvangt ons en vertelt dat
hij al 54 jaar ten paleize in dienst is.
Hij is ooit als palace boy begonnen en slijt
nu zijn laatste jaren in een wat rustiger,
zittende funktie. We moeten wachten op de
sekretaris van de Oba voordat we het paleis
van wat dichterbij mogen bekijken. Maar
wachten is hier nooit saai, er gebeurt altijd
wel iets en zowel anderen die binnenkomen
en moeten wachten, als ikzelf zijn nieuws
gierig naar elkaar. Mijn begeleidster moet
iedere keer in het Edo, haar eigen taal,
uitleggen uit welk deel van de stad ze komt
en tot welke familie ze behoort en dit gaat
steeds weer gepaart met de nodige kniekskes,
het halverwege knielen als teken van respekt.
Chief Ediagbonya komt ons gezelschap houden
in de wachtkamer, hij is gekleed zoals van
een traditionele Chief op officieel paleisbezoek
wordt verwacht: in wijde witte, tot op de
grond vallende gewaden en met bloedkoralen
kettingen om de hals, polsen en enkels.
Na een minuut of tien kunnen we richting
paleis gaan. De oude man vergezelt ons en
begint met een uitleg, maar zijn kennis
van de Engelse taal wordt door de Palace
Boys, bedienden van de Oba, onvoldoende
geacht en een van hen, omzwermt door een
tiental collegas, neemt de taak over. De
Palace Boys zijn jongens van een jaar of
16, die naar zij zelf zeggen voor een aantal
jaren in het paleis dienen. Zij zijn allen
in een zelfde uniform gekleed en dragen
koperen enkelringen: zodra zij zich bewegen
hoort men ze aankomen. Gedurende hun diensttijd
worden ze geacht celibatair te leven. Mijn
begeleidster wordt vertelt bij hen uit de
buurt te blijven. Even later, als mannen
onder elkaar, vertellen zij mij "vrouwen
zijn immers onrein" en wij, als bedienden
van de Oba, moeten zuiver blijven.
Het huidige paleis is in 1914 gebouwd, op
de plaats waar eens het in 1897 bij de grote
brand verwoeste eeuwen oude paleis stond.
Boven de deuren zijn allerlei beschermende
fetisjen aangebracht en in de muren zijn
een aantal reliefs van illustere voorgangers
van de huidige koning ingemetseld. Zijn
familie regeert al vanaf ongeveer de twaalfde
eeuw, veel langer dan enig koningshuis in
Europa. Bij de buitenkant van het paleis
blijft het overigens, want we mogen niet
naar binnen. Van afstand zien we nog wel
even "the first wife" van de Oba,
maar daar blijft het bij. Als souvenir krijg
ik een brochure, die is samengesteld ter
gelegenheid van de kroning in 1979 van Omo
N'Oba N'Edo Uku Akpolokpolo tot Oba van
Benin en die de verschillende stappen van
deze traditionele plechtigheid, die tien
dagen duurt, beschrijft.
Met het bezoek aan het paleis, eindigt ook
mijn bezoek aan Benin City. In tegenstelling
tot Dapper, heb ik in de stad rondgekeken
en er sfeer geproefd, met haar inwoners
gesproken over hun tradities, godsdienst
en kunst en ervaren dat een aantal eeuwenoude
tradities en instellingen nog springlevend
zijn en in ere worden gehouden.
Teleurgesteld geen enkel voorbeeld van de
oude hofkunst, die hier is onstaan, te hebben
kunnen zien? Een beetje wel, maar ach, bij
een volgend bezoek aan Europa wordt deze
schade wel weer ingehaald.
|