Deze week maar één foto>>>>

OP REIS NAAR HET NOORDEN (15-08-1991)

Het bedrijf waarvoor ik werk heeft een guesthouse in Jos, de hoofdstad van Plateau State, waar vermoeide medewerkers een weekend of een week op adem kunnen komen. Wij, een bevriend echtpaar en schrijver dezes, besloten echter Jos als uitvalsbasis te gebruiken om een week in het Noorden van Nigeria rond te kijken.

Maandag 29 juli 1991
Al vroeg in de ochtend melden wij ons op het vliegveld, want het vliegtuig zal om 10 uur precies vertrekken. Helaas is het nogal druk en het duurt tot ruim na het middaguur voordat we aan boord mogen klimmen. Naar de startbaan taxiënd kunnen we de "organisatie" op de binnenlandse vleugel van het vliegveld van Lagos bewonderen. Links en rechts staan er vliegtuigen op de taxibaan geparkeerd en passagiers vechten letterlijk om een plaats aan boord te bemachtigen. Onze Twin Otter, met mijn vrienden en mijzelf als enige drie passagiers, passeert al dit gedoe hooghartig.

De vlucht naar Jos duurt ongeveer 2 1/2 uur en vanuit de lucht kunnen we op ons gemak de door de regens gezwollen Niger, een van de grote Afrikaanse rivieren, bekijken. De rivier is roestkleurig van de vele aarde die mee naar de Golf van Guinee wordt gesleurd. Ook elders kunnen we erosie op grote schaal waarnemen. Na de Niger te zijn gekruisd zien we Abuja, de nieuwe federale hoofdstad. 't Is nogal vreemd om een stad in wording te zien waar nauwelijks huizen staan, maar waar al wel een enorme moskee met een grote gouden koepel staat te blinken in een, op dit moment, nog vrijwel verlaten gebied. De moskee is volgens zeggen een gift van de Saoedis, de grote moskee bouwers in Westelijk en Centraal Afrika.
Jos nadert en vanuit de lucht zien we goed zien dat er hier in dagbouw tin wordt gemijnd, grote oppervlakken lijken op een gebied dat aan de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog doet denken, daarnaast is er veel meer land en akkerbouw zichtbaar dan dat we in de kustgebieden zijn gewend.

Op het moderne vliegveld van Jos worden we verwelkomd door Mister Willcox, de beheerder van het guesthouse en door Luka, onze chauffeur voor deze week. Luka staat bij alle gasten bekend als "de man met de zes vingers", omdat hij aan beide handen naast zijn pink nog een soort aangegroeid mini pinkje heeft.

Na onze bagage naar het guesthouse te hebben gebracht en de omgeving voor deze week te hebben verkend, is er nog net tijd om een bezoek aan het lokale filiaal van het Nationaal Museum te brengen. Onderweg naar het Museum valt de, naar later blijkt, dagelijkse grote regenbui. Hoewel het museum klein is, is de collectie uitermate interessant. Vooral het Nok aardewerk, van ruim voor de christelijke jaartelling, is erg fraai. Zelf vind ik met name de Nok grafmonumenten, terracotta koppen met een gat op de achterzijde van de schedel, erg boeiend. De "pottentuin" naast het museumgebouw is het einde, een zeer fraaie collectie aardewerk potten afkomstig uit alle delen van Nigeria. Het is aardig om te zien hoe in verschillende streken uit het zelfde basis materiaal verschillend gevormde en gedecoreerde voorwerpen met dezelfde funktie worden gemaakt.
's Nachts slapen we met de ramen open en zonder airconditioning, een ongekende luxe voor inwoners van het lawaaierige en warme Lagos.

Dinsdag, 30 juli 1991
De dag is gereserveerd voor een verkenning van de stad Jos en omgeving. Jos ligt vrijwel in het midden van Nigeria op een ruim 1.200 meter hoog plateau. Dit is het overgangsgebied tussen het beboste zuiden en het savanne gebied van noord Nigeria. Het klimaat wordt algemeen als "Europees" omschreven: niet te warm overdag en 'savonds en 's nachts lekker koel.

Ons eerste reisdoel is de Vom Vallei. Onderweg daar naar toe worden overal en in grote hoeveelheden de zojuist geoogste aardappels en tomaten te koop aangeboden. Onverwacht bereiken we een groot aangekondigd "Tourist Landmark": het hoogste punt van het netwerk van de Nigeriaanse Spoorwegen, 4.324 voet boven zee niveau. Als het bord, geplaatst door de Plateau State Tourism Corporation, hier niet had gestaan, waren een belangrijke toeristische attraktie misgelopen. Buiten het bord en een roestig enkelspoor, is er verder niets te zien.
De Vom Vallei daarentegen is werkelijk prachtig. 't Is een diepe groene valei met kleine nederzettingen en waar landbouw en veeteelt wordt bedreven. De vrouwen werken op het land en van grote afstand hoor je hun ijle gezang en de gesprekken die ze onderling voeren. De kinderen hoeden het vee en komen nieuwsgierig naderbij. Zij spreken geen woord Engels, zodat er geen gesprek mogelijk is. De dorpjes bestaan uit van klei opgebouwde huizen en voorraadschuren. Deze laatste zijn rond en hebben een rieten puntdak. De volstrekt vredige atmosfeer die hier heerst, houdt ons geruime tijd gevangen. Toch moeten we verder naar het volgende reisdoel, de waterval van Assop.

Assop Falls, ligt een kilometer of 40 verderop, maar is niet echt spectaculair. Een gids leidt ons rond en er is een aardige gelegenheid om te picknicken. Tijdens de picknick bekijken we vol belangstelling het gastenboek en zien de namen van de vele collega's die voor ons de waterval bezochten.

's Middags bezoeken we de aan de andere kant van Jos gelegen Shere Hills (spreek uit Sherry Hills), een ruig rotsachtig gebied en een goede gelegenheid om een stevig klimmende wandeling te maken. Ook hier weer die weldadige rust. Onderweg er naar toe zien we nog even een paar half afgebouwde projekten uit de tijden van overvloed een Sheraton Hotel en de Doma Dam. Het ligt er allemaal luxueus nutteloos bij. De in 1987 door de President "in gebruik gestelde" Doma Dam en het bijbehorende stuwmeer vormen de kern van een groot irrigatie projekt. Meer dan 2000 hectare grond zijn klaar voor gebruik en er is meer dan 100 kilometer pijpleiding aangelegd, helaas ontbreken de benodigde pompinstallaties nog steeds en is in de afgelopen jaren nog geen vierkante meter grond bevloeid.

Woensdag, 31 juli 1991
Vroeg in de dag gaan we onderweg naar Kano, de oude handelsstad in het Noorden van Nigeria en een rit van ongeveer vijf uur. We rijden door een bergachtig landschap, dat de scheiding vormt tussen het beboste zuiden en de savannen van het noorden van het land.
Onze eerste tussenstop maken we in Saminaika, een stadje in de deelstaat Kaduna, waar we de lokale markt opgaan. Blanken zijn hier geen alledaags verschijnsel en het "bature, bature" (blanke) klinkt regelmatig. Als we wat hoeden willen kopen, moet er eerst iemand worden gezocht die het loven en bieden vanuit het Hausa in het Engels en omgekeerd kan vertalen. Toch slagen we, want uiteraard heeft de kleur van het geld geen tolk nodig. Het mooiste beeld dat me van deze markt is bijgebleven zijn de vrouwen, die gezellig staan de kletsen en onderwijl, onder de arm door, de op de rug gebonden kinderen de borst geven. Een beeld dat helaas niet gefotografeerd kan worden.

De reis naar het Noorden vordert goed, er is onderweg weinig oponthoud en de wegen zijn redelijk begaanbaar. Het is landbouw wat de klok slaat. Maar de manier waarop deze wordt bedreven is toch op zijn minst primitief te noemen. Overal kleine percelen en enige vorm van mechanische landbouw valt niet te ontdekken. Het ploegen van de grond, of wat daar voor door gaat, gebeurt gehurkt in de aarde zittend met een spade waaraan een soort handgreep haaks op de steel en vlak boven het blad is bevestigd. Met een hand aan deze handgreep en een hand aan de wat wij als de normale handgreep beschouwen, wordt de spade de grond ingedreven en de aarde omgewerkt.
Tegen het middaguur rijden we door een soort natuurgebied en overal verschijnen groepjes vrouwen met prachtig bewerkte kalabassen, gevuld met koopwaar, op het hoofd. De vrouwen en meisjes zien er echt mooi en zeer natuurlijk uit en ik wil graag even stoppen om wat foto's te maken. Volgens Luka is dat geen enkel probleem, maar we vinden toch dat hij het eerst moet vragen. Voor de jonge vrouwen is het geen enkel probleem, maar een wat oudere vrouw verdwijnt schielijk in het struikgewas en commandeert een borstvoedende vrouw in de groep zich bij haar te voegen. We maken mooie foto's en we beloven bij een volgend bezoek afdrukken mee te zullen brengen.
Vroeg in de middag bereiken we Kano en genieten eerst van een korte siesta in ons hotel voordat we verder op verkenning gaan. Na de rust eerst naar de eeuwenoude verfputten, die net buiten de oude aarden stadswallen bij de Kofar Mata, de Vrouwen Poort liggen. Aminu Zango is een van de weinige aanwezigen die Engels spreekt, hij stelt zich zelf voor als de "chef van de de verfputten" en leidt ons overal rond. Fotograferen is geen probleem, al moet daar wel voor betaald worden. Alles wordt met de handen, verpakt in grote rubber handschoenen, met indigo, dus blauw, geverfd. Het strijken, bedoeld om de stof een hoge glans te geven, is een belevenis op zich. Stel je een kleine kamer van 2,5 bij 3 meter voor, in het midden een boomstam met daarom heen een viertal wat oudere mannen die ritmisch met solide houten kloppers in de vorm van een grote ananas de stof aan het platslaan (aan het strijken) zijn. Die kloppers wegen een paar kilo en dit strijken mag wat mij betreft dan ook zondermeer als zware lichamelijke arbeid worden bestempeld. We kopen van de chef een paar "tie and dye" tafelkleden, die alhier zijn vervaardigds. Maar we zijn nog niet klaar. Een paar vrouwen zijn wat aan het koken en ik ben erg nieuwsgierig naar wat dit nu wel is, Tuho volgen onze begeleider en als ik wil mag ik het proberen. Het is een solide mengels van mais en rijst, maar moet met saus worden gegeten en heet dan Tuho Mia. Met mijn vingers neem ik wat Tuho en doop dit in de saus. Het is erg smakelijk. Inmiddels heeft zich een menigte kinderen verzameld om deze blanken Hausa voedsel te zien eten. Van toeristen worden we opeens een toeristische attraktie.

We vervolgen onze rondrit met het, aan de buitenkant bekijken van het imposante paleis van de Emir van Kano. Het is een groot vestingachtig complex omgeven door hoge muren van klei. Hier wordt Ségou van Maryse Condé tot leven gewekt. Naar binnen mogen we echter niet, dat is uitsluitend voorbehouden aan gelovige moslims (zegt men). Terwijl we rondlopen ontmoeten we een medewerker van het lokale Museum, die zegt ons mee te willen nemen naar een plek waar je over heel Kano heen kunt kijken, de Dutsen Dala, de Dala Heuvel.
In de straten vlakbij de heuvel roepen kinderen ons na, maar we horen niet goed wat. Onze begeleider maakt ons duidelijk dat het "Bush, Bush" is, sinds de Golfoorlog de naam van ieder passerende blanke. De klim naar boven is werkelijk de moeite waard, een prachtig uitzicht over Kano valt ons ten deel. Het oude gedeelte van de stad, nog steeds omgeven door aarden wallen, bestaat voornamelijk uit van klei gebouwde huizen, de straten zijn smal en druk, zo ver het oog reikt zien we een enorme huizenzee. Her en der steken de minaretten van de moskeeen boven de huizenzee uit, met prominent in het midden van de oude stad de Centrale Moskee en het Paleis van de Emir.Aan de voet van de heuvel onderwijst een Malam zijn leerlingen uit de Koran. Dit is allerminst de stad, waar de Nederlandse ambassade ons nog maar kort geleden (tijdens de Golfoorlog) sterk afraadde om naar toe te gaan in verband met sterke anti westerse sentimenten die er zouden heersen.

Moe van de vele opgedane indrukken gaan we terug naar het hotel om ons voor te bereiden op het vervolg van deze trip.

Donderdag, 1 augustus 1991
Deze dag moeten we foto's gaan afleveren in een dorp dat kort geleden door mijn buren is bezocht. Gelukkig hadden zij dezelfde chauffeur als wij nu, zodat het geen eindeloos zoeken hoeft te gaan worden. Het dorp waar we naar toe gaan heet Dawakin Tofa en is geheel uit klei, de in overvloed aanwezige grondstof, opgetrokken. Klei is ook de grondstof voor de pottenmaaksters van het dorp. Na het zien van de foto's die we meegebracht hebben, is er niet veel nodig om ook een demonstratie potten maken voorgeschoteld te krijgen, hoewel dit niet het seizoen is. Dit is de tijd dat de vrouwen op het land werken. Is er in de droge tijd geen werk op het land, dan worden er dus potten gemaakt.
De vrouw die de potten vervaardigd, heeft haar eigen kamer op de binnenplaats (het erf) van het huis. Haar gereedschap bewaart zij onder het bed en midden in haar kamer is een holletje in de grond uitgespaard, waar zij de ronding van de potten kan modelleren. Letterlijk met handen en voeten wordt in minder dan een kwartier een pot gemaakt en met een versleten metalen boortje gedekoreerd. Buiten het seizoen wordt er in de midden in het dorp gelegen grote ronde gemeenschappelijk oven geen pot gebakken. Er liggen op dit moment slechts wat scherven in, resten van de oogst van vorig jaar. Worden er in dit dorp veel potten gebakken, een stukje verderop ligt een dorp waar weven de specialiteit is. Midden in dit dorp ligt een soort lijnbaan, waar uitsluitend mannen op weefgetouwen aan het werk zijn. Niet de voor het Noorden zo karakteristieke smalband weefgetouwen, waarop stroken met een breedte van zo'n 15 a 20 cm worden vervaardigd, zijn hier in gebruik, maar breedband getouwen met een breedte van 80 centmeter tot 1 meter. En zoals het potten maken een typisch vrouwelijke taak is, worden de weefgetouwen uitsluitend door mannen bediend. Zoals steeds worden we ook hier weer door de lokale jeugd omringd. De meisjes, hoe klein ook, dragen als goede moslims hoofddoekjes en wat ook opvalt is het gebuik van make up, de meeste lippen en wenkbrauwen zijn aangezet, en de tribal marks op de gezichten.

Sinds mensenheugenis is Kano het eindpunt van de karavanen die, beladen met handelswaar, van Oost naar West door de Sahara trokken. Haast vanzelfsprekend is er een kamelenmarkt die met een bezoek moet worden vereerd. Veel stelt het allemaal niet voor. Handelaren die vinden dat wij "hun kameel" hebben gefotografeerd, komen om een vergoeding daarvoor zeuren. De handel is vandaag wellicht niet zo goed.

Een markt die veel leuker is dan de kamelenmarkt, is de oude en in het hart van de ommuurde stad gelegen Kurmi markt. Dit is een markt waar je een gids nodig hebt om de weg niet te verliezen en om als tolk op te treden, het Hausa is en blijft de voertaal.
Op de markt wil ik in de religieuze hoek een Allo kopen. Dit is een schrijfplank, die door gelovige moslims wordt gebruikt om teksten uit de Koran op te schrijven en op koranscholen om arabisch te leren schrijven, een soort leitje. Als de plank is volgeschreven, wordt hij schoongewassen of schoongeschuurd en is klaar om opnieuw te worden gebruikt. Soms wordt het water waarmee de plank wordt schoongemaakt opgevangen en opgedronken, zo drinkt men het woord van God. Nu ken ik de prijzen van deze planken en de prijs die hier wordt gevraagd is zwaar overdreven, kennelijk mag er in het openbaar geen handel worden gedreven met ongelovigen. Zodra wij wat zijn doorgelopen, komt de bediende van de handelaar ons achterna en na enig onderhandelen wordt de koop alsnog gesloten.
Hygiënische voorzieningen ontbreken geheel en al en het openbaar toilet wordt gevormd door de stroompjes die de markt kruisen. Op een over een van de stroompjes gelegen houten voetbrug zitten de mannen gezellig koutend links en rechts met de billen bloot boven het water hun behoeften te doen. De echtgenote van mijn vriend kruist de brug met hoog rode konen.
In Lagos worden er ons op het strand iedere week weer "Kano dekens" aangeboden. Dit zijn dekens die worden samengesteld uit op een smalband weefgetouw vervaardigde en daarna aan elkaar genaaide katoenen stroken. Wij wilden deze dekens in Kano zelf kopen en direkt bij aankomst op de markt zijn we naar de dekenhoek getrokken, maar kunnen het over de prijs niet eens worden. Gedurende onze hele verdere wandeling over de markt volgt de dekenverkoper ons en van tijd tot tijd worden de prijsonderhandelingen voorgezet. Uiteindelijk komen we tot overeenstemming op het moment dat we weer in de auto willen stappen om te vertrekken.

's Avonds eten we in Chinees Restaurant "Peking", want waar een Nederlander ook gaat, een Chinese maaltijd hoort er bij.

Vrijdag, 2 augustus 1991
Voordat de terugreis naar Jos wordt aanvaard, wordt er eerst nog een bezoek aan het Gidan Makama (het huis van Makama) Museum gebracht. Het Museum ligt tegenover het paleis van de Emir in het centrum van het oude Kano, waar alle gebouwen uit klei zijn vervaardigd en fraai zijn gedekoreerd. Dit deel van de stad zou bijna voor een openlucht museum door kunnen gaan. Het Museum, dat in zo'n oud gebouw is gevestigd, heeft een kollektie die een overzicht geeft van de geschiedenis van het Noorden van Nigeria in het algemeen en van Kano in het bizonder. De kollektie is klein, maar wordt zo goed en zo kwaad als dat gaat behoorlijk bijgehouden, ook hier geen gebrek aan klaagzangen over het weinige geld dat ter beschikking is.

Vrijdag in dit deel van Nigeria is als het ware zondag, de mensen zijn fraai aangekleed en klaar voor het vrijdagse Jumat gebed. Voordat het spitsuur naar de moskee op gang komt, vertrekken wij weer zuidwaarts om nog voor de dagelijkse regenbui valt weer in Jos en ons guesthouse terug te zijn.

Voordat we weer teru naar Lagos gaan, willen we nog wel verse groenten en fruit kopen, Jos ligt immers midden in de groententuin van Nigeria! Bij geruchte hebben we vernomen dat er rabarber te koop zou zijn, iets waar je na een verblijf van jaren buiten Nederland soms heel erg naar kunt verlangen. Alhaji moet ons teleurstellen, er is geen rabarber, maar hij belooft de farms af te zullen gaan, als wij beloven de volgende dag terug te komen. Er is dus nog hoop.

Zaterdag, 3 augustus 1991
Na het ontbijt eerst naar de markt en jawel hoor er is rabarber. Niet de mooie gezonde stevige stelen zoals wij die thuis zijn gewend, maar toch. Een vorstelijk bedrag wisselt van eigenaar en terug in Lagos hebben we zitten smullen.

Het is regenachtig en koud als we naar het vliegveld gaan om de lange terugreis naar Lagos te aanvaarden. Het vliegtuig moet via Port Harcourt en Warri terug naar Lagos en dat betekent dat we de hele dag onderweg zullen zijn. Het vliegtuig moet met met een handpomp en direkt uit het vat worden bijgetankt, terwijl we staan te wachten begint het te regenen en wordt het zo koud dat we zelfs onze truien moeten aantrekken. En dat in een tropisch land!

Hoewel de vlucht lang is, betekent het niet dat we een saaie dag hebben. Alleen al de vliegvelden zijn verhalen op zich. Een landingsbaan van Port Harcourt International Airport is onbruikbaar, omdat er een geweldig gat in zit en in Warri wordt een doorgaande weg, die over het eind van de startbaan loopt met slagbomen afgesloten als vliegtuigen landen of opstijgen. Al vliegend hebben we ook tijd genoeg om de kleurrijke beelden van de afgelopen week nog eens voorbij laten trekken en ons mentaal weer voorbereiden op het leven in Lagos. Rond zes uur landen we in Lagos, het is er druk, vuil en er is veel lawaai: we zijn weer thuis.


© Jacques de Rhoter

Printversie