|
GEZONKEN - 5 (31072024) Ondanks dat hij het procedé had bedacht voor de industriële productie van zuivere zink, waardoor zinkerts niet langer slechts beperkt bruikbaar was voor de verharding van rood koper om messing te maken, lukte het Jean-Jacques Dony niet erg om de toepassing ervan op gang te krijgen. En dat terwijl hij in 1806 van Keizer Napoleon Bonaparte het octrooi op zijn vinding had gekregen, alsmede het recht om de zinkmijn van Kelmis 50 jaar te exploiteren. Om te laten zien wat er zoal met zink kon worden geproduceerd én ongetwijfeld om de steun van de Keizer warm te houden, schonk hij hem wat de allereerste badkuip van zink was. Desondanks viel de acceptatie van het “nieuwe metaal” vies tegen. Een paar jaar later – in 1811 – toen in Luik de eeuwenoude Sint Bartolomeüskerk moest worden opgeknapt, stelde hij voor om zinken platen als dakbedekking te gebruiken omdat het een perfect en veel goedkoper alternatief zou kunnen zijn. Het kostte de Bisschop van Luik, die er kennelijk vanuit ging dat die zinken platen zouden worden geschonken, weinig moeite om het gratis dak te accepteren, maar Dony kreeg dus geen cent en niemand anders raakte erdoor geïnteresseerd om ook een zinken dak op een gebouw of een huis te installeren. Op het punt failliet te zullen gaan, was hij in 1813 gedwongen om alles dat hij bezat – voornamelijk de zinkmijn en het zinkoctrooi dus – over te dragen aan de zeer welgestelde bankier François-Dominique Mosselman. Desondanks zou hij in 1819 straatarm overlijden. De schatrijke Mosselman, die afwisselend in Brussel en Parijs woonde, was niet alleen maar van zink afhankelijk en kon rustig afwachten tot anderen zouden ontdekken wat een effectief en relatief goedkoop materiaal het was. Hoewel dat moment pas tientallen jaren later zou komen nadat was besloten om het middeleeuwse hart van Parijs te slopen en te herbouwen onder leiding van bouwmeester Georges-Eugène Haussmann die toen nog niet tot baron was verheven. Haussmann verkeerde in dezelfde sociale kringen als de familie Mosselman, daken van zinken platen bleken opeens je van het te zijn en aldus werd zink alsnog een uiterst winstgevende business en ontstond in Parijs het beroep couvreur-zingueur oftewel een dakdekker die is gespecialiseerd in het installeren van zinken daken, dakgoten en regenpijpen. Niet alleen voor de aanleg, maar ook voor de vervanging omdat, zo heb ik begrepen, het zinkwerk iedere 50 jaar zou moeten worden vernieuwd. 't Is naar het schijnt ook een uitstervend beroep omdat er volgens de vakbond van dakbedekkers steeds minder mensen zouden zijn die nog in alle seizoenen en ongeacht het weer dit werk willen doen. Het beroep is als het ware aan het zinken en zal over niet al te lange tijd zijn gezonken...... En waar al die zinken wasteilen, emmers, melkbussen, tuingieters, vuilnisbakken en weet ik niet wat nog meer dat deel uitmaakte van mijn jongere leven en er ongemerkt ook weer uit verdween, werden gemaakt???? Geen flauw idee. De maandag na Kelmis hebben we als reisdag naar Maastricht gekozen om de praktische reden dat alle musea dan toch zijn gesloten. Het weer is totaal omgeslagen: gisteren zonnig, vandaag valt de regen met bakken uit de hemel en is het erg onaangenaam. Toch boffen we ook, ondanks dat het pas 11 uur is, zijn in het tegenover het station gelegen hotel zowel de kamer als de parkeerplaats voor de auto al beschikbaar en kunnen we in onze kamer op ons gemak wachten om tussen de buien door te ontdekken waar het Bonnefantenmuseum is – 10 minuten lopen – wat te eten en daarna te wachten op de dag van morgen. Omdat Marres, het museum waarvoor ik naar Maastricht wilde, pas om 12 uur opent, eerst maar naar het Bonnenfanten. Aan het door de Italiaamse architect Aldo Rossi in de vorm van een hoofdletter E ontworpen gebouw, valt vooral het op de kop van de korte middelste poot van die letter gebouwde 28 meter hoge entreegebouw op. Waarom? Omdat het in mijn ogen een hedendaagse watertoren zou kunnen zijn, waarvan de taps toelopende bovenste deel is bekleed met mooi grijs zink! Daar staat een minuut of vijf voor 11 uur al een weet ik niet hoe grote golf grijsharigen met een Museumkaart te wachten tot de deuren eindelijk open zullen gaan. Wij horen daar dus ook min of meer bij, maar omdat we pas na elfen komen aanlopen, zien we die hele grijze vloedgolf voor ons in beweging komen. Zou dat iedere dag zo zijn? Na de entree moet je gelijk een supersteile trap van honderden tredes beklimmen om bij de zalen te komen. Volgens zeggen werd de architect daarvoor geïnspireerd door de Montagne de Bueren in Luik, waar een soortgelijk trap in de openlucht is die als voetpad dient. In het bovenste deel van het trapgat hangen aan waslijnen pyjama's met daarin de geborduurde geknipte kogelgaten van de uit Libanon afkomstige Mounria Al Solh. Zo heeft ze waar zij als jong meisje ooit mee begon als therapie, als volwassene in Amsterdam tot haar eigen kunstvorm verheven. wordt vervolgd |