|
GEZONKEN (15062024) Toegegeven Ostbelgien, de tussen Vaals en Luxemburg gelegen Belgische grensregio met Duitsland waar een paar honderduizend Belgen Duits spreken, was een toevallige reisbestemming. Waarom? Allemaal de schuld van de NRC. Daarin had een recensie gestaan over een expositie in Maastricht van Arturo Kemeya, een in Amsterdam wonende Peruaanse beeldend kunstenaar, die me dusdanig nieuwsgierig had gemaakt, dat ik het met eigen ogen wilde gaan bekijken. Maar om alleen daarvoor 200 kilometer noordwaarts langs eerst la Meuse en daarna de Maas vanaf mijn Franse woonplaats dwars door Wallonië naar de Limburgse hoofdstad te rijden, vond ik wel wat overdreven. Stel je voor dat het zwaar tegen zou vallen..... Zouden er in die regio rond de grenzen tussen Nederland, België en Duitsland dingen zijn te bewonderen die de rit hoe dan ook de moeite waard zouden kunnen maken? Pas achteraf werd ik ermee geconfronteerd dat mijn geheugen me nogal in de steek had gelaten. De neuroloog die me voor mijn oudemannenepilepsie in de gaten houdt, had er al voor gewaarschuwd toen ze me niet zo lang geleden andere medicatie voorschreef, omdat de bijwerking van de medicijnen die ik tot dan toe slikte me sociaal nog minder assertief hadden gemaakt dan dat ik zonder het slikken van die pillen al was: je bent sneller vermoeid, je herinnering wordt stukken minder én in sommige apotheken moet je ervoor betalen. In de loop der jaren toch wel ietsje wijzer geworden, beet ik op mijn tong, zonder overigens enig idee te hebben wat de prijs ervan zou kunnen zijn, in plaats van spontaan te reageren met: wat maakt geld nu uit, het gaat toch om mijn gezondheid? Gewoon omdat ik mijn gesprekspartner niet tegen de haren in wilde stijken, maar een recept wilde krijgen voor de pillen die mij het beste zouden helpen. Ondertussen weet ik als ervaringsdeskundige helaas wel dat zowel sneller vermoeid zijn als het minder worden van de herinnering op mij van toepassing zijn, maar óók dat de apotheek mij tot nu toe – overigens heel terecht - geen cent in rekening heeft gebracht. Wat ik dan was vergeten? Bijvoorbeeld dat ik in augustus 2011 met mijn toenmalige Limburgse geliefde al eens uitgebreid door Maastricht had gedwaald en het Drielandenpunt te hebben bezocht én in oktober 2012 ….... Nou ja dat komt later. Om te beginnen hebben mijn hedendaagse geliefde en ik een kamer geboekt bij hotel-restaurant Zum Onkel Jonathan in Raeren. Een dorpje iets ten noorden van Eupen - de “hoofdstad” van de Duitstalige gemeenschap in België - en iets ten zuiden van de voormalige zinkmijnstad Kelmis, dat weer iets ten zuiden van het Drielandenpunt ligt. Een supereenvoudig hotel blijkt na aankomst, maar wel erg doelmatig voor de reisplannen. Dat Drielandenpunt was overigens jarenlang een Vierlandenpunt omdat deze regio als gevolg van de herindeling van Europa na de Napoleontische tijd eerst deel uitmaakte van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, zeg maar de huidige Benelux, waarover na de afsplitsing van België zo'n beetje als vanzelfsprekend een dispuut ontstond vanwege de mijn van Altenberg, de mijn waar zinkerts werd gewonnen. Hoezo dan? Omdat de begaafde Luikse ingenieur Jean-Jacques Dony een proces had bedacht voor de industriële productie en verwerking van volkomen zuiver zink en daarvoor van keizer Napoléon Bonaparte in 1806 het het monopolie had gekregen om die mijn onder de naam Vieille Montagne – hij sprak nu eenmaal geen Duits - te gaan exploreren. Als relatiegeschenk stuurde Dony de keizer een speciaal voor hem op maat gemaakte mobiele zinken badkuip, zodat die zich daarin op het slagveld kon laten verwennen. Zich sterk met elkaar verbonden Franssprekende elite onder elkaar zal ik maar zeggen. Tja, dat blijkt de tweede tekortkoming van mijn geheugen te zijn omdat ik in oktober 2012 in Luik het Maison de la Métallurgie et de l'Industrie de Liège bezocht en daar die niet al te grote badkuip – la Baignoire de Napoléon – bewonderde. Want ja, Napoléon werd niet voor niets le Petit Géneral genoemd, met zijn 1m67cm was hij gewoon een klein mannetje. En destijds zat men in de badkuip in plaats van er lekker onderuit in te gaan liggen. De mobiele badkuip, inclusief een kacheltje van zink om het badwater lekker te verwarmen en warm te houden, werd ruim twee eeuwen geleden geërfd door Baron Agathon Fain, de particuliere secretaris van de keizer. Zijn nazaten verkochten kuipje en kachel ruim 50 jaar geleden aan de nakomelingen van Jean-Jacques Dony die het op hun beurt in bruikleen gaven aan het Luikse museum. En....... dat Napoléon zijn badkuip daar staat en niet in Parijs, wordt door Frankrijk weer als een soort geroofd cultureel erfgoed beschouwd dat ze al meer dan eens hebben teruggeëist en waarover ik mijn goede vriend Jos van Beurden, erkend specialist op het gebied van roofkunst, nog nooit heb gehoord. Te dichtbij huis? Een niet koloniaal gejat object? wordt vervolgd |