PAALGRAF OF PRAALGRAF OF PRULGRAF? (24052024)

Daar stond ik dan vorig jaar oktober op de rotonde voor het Museum Jan Cunen naar het monument van het Zwaard van de Vorst van Oss te kijken en er toevallig die richtingaanwijzer voor fietsers zag: Vorstengraf 5/Paalgraven 6. Nee, er stond echt Paalgraven en geen Praalgraven. Het was te laat en te ver om er die middag nog naar toe te lopen, dan binnenkort maar eens met de auto. Paalgraven? Mij intrigeerde het, de goede vriendin met wie ik in Oss was stukken minder. Dan maar in m'n eentje er naartoe als ik weer eens in de buurt ben, vandaag dus. Hoewel ik een GPS in de auto wat overdreven vind, had ik zonder dat ding het Vorstengraf op de Zwaardweg in Oss slechts met veel moeite of misschien wel helemaal niet hebben gevonden. Want ja, heden ten dage vraag ik de weg eerst aan Google maps, toets daarna in de auto die Zwaardweg in op het GPS en dan kan het bijna niet meer mis gaan. Dat ik vooraf vaak Google ook raadpleeg, is voor andere weggebruikers waarschijnlijk overbodige flauwekul. Het zij zo. Al doende zie ik tenminste dat mijn “vaste” afslag voor het museum moet worden genegeerd, maar de volgende naar het knooppunt Paalgraven dient te worden genomen om daar dan af te slaan naar bedrijventerrein Vorstengrafdonk. Dat blijkt zo'n terrein te zijn dat vol staat met van die blokkendoos-bedrijfsgebouwen waar geen mens woont, maar waar wél tijdens de aanleg ervan het graf van de Vorst werd herontdekt. De Zwaardweg loopt langs de buitenkant van Vorstengrafdonk parallel aan de A50, daar rijd ik langs een langwerpige reclamevlag die naast een nietszeggend oranje betonnen iets staat dat afsteekt tegen de gevel van zo'n anoniem bedrijfsgebouw. Een paar honderd meter verder begint een bos, omdraaien en maar eens gaan kijken wat dat oranje ding is. Zo zie ik dat op die vlag een afbeelding van het Zwaard staat met er boven Het Vorstengraf van Oss. Het oranje ding heeft vijf flauwe grijze treden naar boven met ernaast een onooglijk grijs muurtje waarin Vorstengraf Oss is gehakt..... Bestemming bereikt!

Boven aan die treden is niets te zien, behalve dan een bord met een uitgebreide toelichting over wat zich hier in het verre verleden misschien heeft afgespeeld en een tweetal dingen die aan de voet van de vrij hoge blinde oranje muur net iets boven het beton uitsteken. Er wordt uitgelegd dat waar ik sta een nabootsing is van de oorspronkelijke grafheuvel van ver voor onze jaartelling en dat die dingen aan de voet replica's zijn van de hier in 1933 gevonden bronzen situla – een emmer – en een urn van klei. Naar het schijnt was het supergrote met plaggen afgedekte graf van de Vorst over een al bestaand ouder graf heen gebouwd. Aldus ontstond er een drie meter hoge ovale grafheuvel met een lengte van 54 meter die in eerste instantie niet eens als zodanig werd herkend toen men begon met het bouwrijp te maken van het terrein voor de aanleg van een woonwagenkamp. Het zou ongetwijfeld verder zijn genegeerd, ware het niet dat Jan Cunen, die in afwachting was om tot gemeentearchivaris van Oss te worden benoemd, geïnteresseerd raakte toen er nogal wat prehistorische urnen werden gevonden. Een begraafplaats? In de jaren ervoor had hij tijdens het optekenen van de geschiedenis van de stad immers een verhaal gehoord dat ergens op de heide een koning zou zijn begraven. Hij meldde de vondst van de urnen aan de directeur van het Leidse RMO - Rijksmuseum van Oudheden – die op zijn beurt de regionale correspondent in Wijchen inschakelde, die stuurde er twee ervaren voorgravers naartoe. Eenmaal ter plekke gingen die gravers zeer gericht aan de slag door eerst goed rond te kijken en te concluderen dat de heuvel geen “natuur” was. Ze zagen ook een grote zwarte vlek in het gele zand waarvan ze gelijk wisten dat het op een kuil van vroeger duidde en gingen daar met metalen prikijzers aan de slag om urnen op te sporen en die dan voorzichtig op te graven. Hun betaling was ervan afhankelijk: één gulden voor iedere urn. In die tijd veel geld en zeker op 14 februari 1933 tijdens de zware economsche crisis. Wat ze op een centimeter of 40 vonden blinkte. Goud? Ze dekten hun vondst gelijk weer toe. Gelukkig waren er geen Ossenaren in de buurt want anders hadden die messentrekkers toen ik op iets hards stuitte het vast ingepikt en waren ermee vandoor gegaan, vertelde graver Toon van Dreumel tientallen jaren later. In mei 2024 kan ik me na het lezen van een recensie over de docuserie de Godfather van Oss levendig voorstellen wat hij bijna 100 jaar geleden moet hebben gevoeld. Het is aan de praktisch ingestelde arbeiders van Dreumel en collega graver Thé Rouw te danken dat de gevonden bronzen emmer – situla – en het daarin mee begraven Zwaard van Oss tot op vandaag de dag kunnen worden bewonderd en zeker niet aan de hautaine academicus Jan Hendrik Holwerda die van mening was dat de bronstijd Nederland had “overgeslagen” en in 1933 tot heel lang erna, nauwelijks was geïnteresseerd in de vondst die afweek van zijn overtuiging.

wordt vervolgd