|
EVEN TERUG NAAR LAGOS - 8 (23032023) Na onverwacht kennis te hebben gemaakt met het werk van Madeleine Berkhemer kon je in de zalen van In the Black Fantastic, de expo die ik nog een keer wilde gaan zien, over de grijze gepermanente en kort geknipte haren of kale hoofden lopen waardoor niets echt goed kon worden bekeken. Daar had ik geen zin in, dan liever later nog maar eens teruggaan omdat ik uit ervaring weet dat het na de opening 's ochtends meestal minstens nog een uur of zo redelijk rustig is in de Kunsthal. Vorige week was het zover. Na het Kunsthalbandje, het toegangsbewijs, voor de zoveelste keer met de nodige moeite om mijn pols te hebben geplakt op naar Hal 3 via wat in Rotterdam zo mooi een onderdoorgang wordt genoemd, het mini-tunneltje dat beide delen van het gebouw op de begane grond met elkaar verbindt. Met aan de ene kant van de door Rem Koolhaas bedachte glijbaan die het gebouw in tweeën deelt de entree, garderobe, restaurant en het auditorium en aan de andere kant de zeven Hallen, de expositieruimtes. Na het tunneltje kom ik opnieuw terecht in de doolhof van de op meerdere verdiepingen gelegen zalen en zaaltjes om in de vrijwel verduisterde Hal 1 de niet te vermijden eerste horde te moeten nemen. Die bestaat uit werk van de Australische Patricia Piccinini dat er onder de noemer Metamorphosis wordt getoond. Het is eigenlijk één grote installatie die weinig fantasievol the Field is gedoopt en lijkt te bestaan uit een uitgestrekt bloemenveld waardoor een pad loopt dat de kunstliefhebber moet volgen om het tentoongestelde te kunnen bekijken. Drieduizend stengels van een meter of zo hoog staan er met “bloemen” die volgens de toelichting lijken op dieren, vleesetende planten en menselijke voortplantingsorganen met her en der in het veld of in de berm een beeld, waarvan Sanctuary, twee uitgezakte blote lichamen van een elkaar omhelzende oudere man en vrouw, het hoogtepunt schijnt te zijn. Om het allemaal nog wat erger te maken is er op 1 april 's avonds , en nee het is geen aprilgrap, voor de zevende keer een Naked Tour in de Kunsthal. Oftewel in alledaags Nederlands: in je blote kont kunst kijken, maar dat vinden de organisatoren waarschijnlijk veel te ordinair klinken. Door gedwee de enig mogelijke route te volgen, kom ik onbedoeld opnieuw eerst bij Madeleine Berkhemer terecht. Pas nu valt het bord bij de ingang van de zaal me op Een aantal werken in de tentoonstelling Madeleine Berkhemer: Body of Work is seksueel expliciet en mogelijk niet geschikt voor alle bezoekers. Zo'n modieuze waarschuwing die mij juist aanmoedigt om nog een keer langs het vele bloot te lopen en iets langer stil te staan bij de drie met half ontklede jonge vrouwen gedecoreerde skateboards en de waaiers van lange vrouwenbenen om daarna te trap op te klimmen naar de kleine zaal waar aan het plafond haar Garden of Delight II is bevestigd. Inderdaad, geïnspireerd door en een verwijzing naar de Tuin der Lusten van Jeroen Bosch. De installatie is een spinnenwebachtige pantysculptuur van zeer elastische rode panty's waarin behoorlijk wat perspex bollen van verschillende grootte en kleur hangen die lust symboliseren omdat ze volgens het bijschrift aan vruchten, testikels en billen zouden doen denken. Laat ik maar direct toegeven dat mijn eigen imaginatie hier meer dan tekort schiet. Allerhoogste tijd voor In the Black Fantastic, onder welke noemer werk van 11 kunstenaars “uit de Afrikaanse diaspora” wordt getoond. Het enige dat die kunstenaars gemeen hebben is dat ze de donkere huidskleur hebben die vrijwel iedereen in het Afrika ten zuiden van de Sahara heeft en dat ze buiten Afrika zijn geboren en wonen, in de diaspora dus. En, zo heb ik nu twee keer kunnen zien, In the Black Fantastic heeft meer met hun huidskleur te maken dan met hun werk. Dat is behoorlijk divers: schilderijen, foto's, sculpturen, beelden en wat door hen die het kunnen weten mixed-media installaties worden genoemd en in mijn ogen af en toe een bijeengeraapt zooitje zijn, zoals bijvoorbeeld Epistrophy van de Amerikaanse Cauleen Smith. In het donkere zaaltje, waar de naar een compositie van jazzpianist Thelonius Monk vernoemde installatie is te zien, worden op de spiegelwanden wisselende beelden geprojecteerd en met in het midden een grote tafel waarop van alles en nog wat staat, dingen die de kunstenares waar dan ook heeft gevonden. Het enige dat me aanspreekt is dat houtgesneden beeldje van twee vrouwen die achter, ja achter wat, staan en dat andere beeldje van een op twee stenen rustende Afrikaanse man – herkenbaar aan zijn tribal marks – de sneden in zijn gezicht die karakteristiek zijn voor zijn ethnische groep - met een snoer van kaurieschelpen om zijn hals, de schelpen die ooit een betaalmiddel waren. Een rijke gozer? Wie weet. Het enige waar ik echt iets mee heb is de zaal waarin het werk de Brit Hew Locke, zoon van een in Brits Guyana geboren vader, jawel andere helft van de Nederlandse kolonie Suriname die tijdens de Napoleontische tijd door de Britten werd ingepikt en daarna in 1815 aan hen werd afgestaan. slot volgt echt |