CUBA – EEN REIS DOOR DE NALATENSCHAP VAN CASTRO & CHE – 29 (18012022)

Maandag 12 november 2018 – Matanzas
De afstand van de haven van Rotterdam naar de Puerto de Matanzas bedraagt volgens hen die daarin zijn gespecialiseerd 5.994 zeemijlen, ruim 11duizend kilometer. Bij een gemiddelde snelheid van 10 knopen per uur zijn dat zo'n beetje 25 dagen op zee. Ik vraag me af hoe lang Piet Hein er destijds over heeft gedaan, want die had natuurlijk ook nog eens de wind in de zeilen nodig. Letterlijk dus en in ieder geval heel wat langer. Na wat verder langs de baai in de richting van het centrum van Matanzas te zijn gelopen, komen we zowaar zijn beeld tegen! Aan zijn voeten een bordje: ESTA ESTATUA DEL ADMIRAL….... DIT BEELD VAN ADMIRAAL PIET HEIN WERD DOOR DE STAD ROTTERDAM AANGEBODEN AAN DE INWONERS VAN MATANZAS, met in heel erg kleine lettertjes er onder: willem verbon ft. Willem Verbon, de beeldhouwer die net als Piet Hein Rotterdamse wortels heeft, waar een evenbeeld van zijn “Cubaanse” Piet Hein op de Müllerpier staat. Op de Sint-Jobskade zijn daar nog eens 6 andere beelden, 2 bustes en 27 reliëfs - in vele maten en soorten die op de gevels van omliggende gebouwen zijn bevestigd - van de hand van Verbon te zien. Dit allegaartje van heb ik jou daar blijkt een permanente openluchtexpositie die Sterke Stad heet. Ergens anders kom ik de volgende toelichting tegen: “… het betreft belangrijke personen uit de geschiedenis van Rotterdam en door Verbon bewonderde kunstenaars, waaronder Erasmus, de componist Willem Pijper, de schilders Henk Chabot en Pablo Picasso en de beeldhouwer Ossip Zadkine. Een belangrijk deel gaat over de oorlog, met sculpturen als 'Strijder', 'Agressor' en 'Mei 1940' en afbeeldingen van Wilhelmina, Winston Churchill en prins Bernhard.....” na het lezen waarvan ik het daar op de Sint-Jobskade geen allegaartje meer vind, maar een bijeengeraapt zooitje. Nee, dan de Piet Hein hier aan de Baai van Matanzas, die stoer uitkijkt over het tropisch blauwe water waar hij de Zilvervloot kaapte in plaats van in Rotterdam waar hij dag in, dag uit naar de zijgevel van het voormalige pakhuis de Herder van het Blauwhoedenveem moet kijken.

Van de gevels van de huizen en gebouwen rond de Plaza de la Vigía en de Plaza de la Libertad in het oude centrum én van de monumenten die daar staan, is af te lezen dat Matanzas ooit zeer welvarend moet zijn geweest. Wat te denken van het Casino Español bijvoorbeeld, zoiets heeft toch weinig zin als er geen geld is om te vergokken? Of van het in 1863 geïnaugureerde Teatro Sauto, de concertzaal met zo'n 800 stoelen en een fameuze akoestiek, zoiets heeft toch weinig zin als er geen draagkrachtig muziekminnend publiek in de stad woont? Of het door brandverzekeraars en lokale zakenlieden gesponsorde Estación del Benemérito Cuerpo de Bomberos del Comercio, de brandweerkazerne, waar jonge werknemers naast hun baan als vrijwillige brandweerlieden dienst deden, zoiets doe je toch alleen als er bij een brand die niet goed georganiseerd bestreden kan worden grote financiële verliezen kunnen worden geleden? Bij het bezoeken van het Museo Farmacéutico daarna, denk ik een goed beeld te krijgen over de enorme bedrijfsschade die er eventueel geleden zou zijn bij een ongebluste brand.

Het museum is de in de tijd bevroren Botica Francesa Dr. E. Triolet, de op 1 januari 1882 geopende apotheek van de Fransman Ernesto Triolet Lelievre en zijn Cubaanse vriend, zakenpartner en zwager Juan Fermin de Figueroa Veliz, een ondernemer die al meerdere apotheken bezat. Voor de Franse apotheek was een flink pand neergezet aan de Plaza de Armas - na de onafhankelijkheid omgedoopt in Plaza de la Libertad – met op de begane grond de apotheek en de erbij horende werkruimtes en met erboven op de eerste verdieping een luxe appartement waar de Franse apotheker met zijn echtgenote ging wonen. De apotheek die in 1964 ophield te bestaan en daarna een museum werd, ziet er voor mijn gevoel nog net zo uit als bij de opening in 1882. Tot en met het marmeren beeldje van de Inmaculada Concepción, de favoriete heilge van de apotheker, de ebbenhouten betimmering, het marmeren dekblad van de toonbank, de vitrines met glazen deuren waar achter schappen vol met traditionele Franse porceleinen en glazen medicijnpotten staan en flesjes en potjes met geïmporteerde kant en klare drankjes en pijnstillers zoals Sanatogen – dat ik me uit het huis van mijn grootouders herinner - en Asperina en dikke boeken vol met de details van de bereide recepten. In het achtergelegen laboratorium velerlei instrumenten, koperen ketels, scheef geblazen dame-jeanne flessen voor de vloeibare grondstoffen, werktafels en wat een hedendaags kunstwerk, een installatie, zou kunnen zijn: de kasten waarin keurig gestapeld de voorraad lege glazen flessen, flesjes, potten en potjes in meerdere kleuren en vormen, waarvan alleen de bodem zichtbaar is, op de schappen liggen: kleur bij kleur, vorm bij vorm en op die manier, vast en zeker niet zo bedoeld, een verrassend ogende compositie.

wordt vervolgd