DE AANHOUDER............. (24122021)

't Is vroeg in de middag. Terugwandelend van Begraafplaats Crooswijk naar mijn vaderlandse pied-à-terre, sta ik op het totaal verlaten Noordplein onverwacht herinneringen op te halen. Aan de overkant van de Rotte, op de hoek van de Crooswijksesingel en de Linker Rottekade, staat het stoere door architect Willem Kromhout ontworpen kantoorgebouw van de daar vroeger gevestigde Heinekenbrouwerij dat in 1932 werd geïnaugureerd en in mei 1940 gelukkig buiten de brandgrens lag. Na er bijna 100 jaar bier te hebben gebrouwen, werd de productie in 1974 verplaatst en werden alle bedrijfsgebouwen, behalve het kantoor dus, gesloopt. In mijn veel jongere jaren ging ik met mijn schoolklas op bezoek in die toen nog volop in bedrijf zijnde brouwerij. We waren een jaar of 16/17 en van de schoolleiding mocht er helaas geen biertje worden geproefd, daar vonden ze ons nog veel te jong voor. Andere tijden. Min of meer gelijktijdig met de bouw van de Heinekenbrouwerij werd op de zuidoever van de Maas, op de hoek van de Nassaukade en de Oranjeboomstraat, door concurrent Oranjeboom met de bouw van een eigentijdse brouwerij begonnen. De bierflesjes van Oranjeboom hadden een etiket waarop een oranje boompje met drie sinaasappels of zo stond afgebeeld, dat was in de tijd dat we geen flauw idee hadden hoe een sinaasappelboompje er “in het echt” uitzag. Oranjeboom zou in 1987 uit Rotterdam vertrekken, de brouwerij werd gesloopt om, net zoals die van Heineken, plaats te maken voor woningbouw.

Die Crooswijkse begraafplaats werd bijna 200 jaar geleden ontworpen en in gebruik genomen nadat het in 1827 werd verboden om doden nog langer binnen de bebouwde kom van een stad te begraven. Het was tot dan toe gebruikelijk om die rondom de kerk waartoe de overledenen behoorden ter aarde te bestellen. Kerkhoven werden begraafplaatsen. Te bedenken dat Crooswijk, net zoals de brouwerij van Heineken later, in die tijd buiten de bebouwde kom van Rotterdam lag, eist nogal wat van het voorstellingsvermogen. Hoewel..... ik me herinner dat toen mijn ouders in 1957 naar Rotterdam verhuisden de na het Duitse bombardement van mei 1940 in gebruik genomen Zuiderbegraafplaats, de tegenhanger van Crooswijk aan de andere kant van de stad, nog helemaal aan de buitenkant van de stad lag met erna niets anders dan weilanden. Begin dit jaar ging ik in Crooswijk op zoek naar het graf van de broer van een vriend uit Buenos Aires om te kijken hoe het erbij lag. Het moest ergens aan de kant van de Rotte zijn te vinden. Omdat het een zondag was, was het kantoor gesloten en kon er geen navraag worden gedaan, dus liep ik aan de Rottekant langs alle graven, zonder het gezochte graf te vinden. Ietwat gefrusteerd meldde ik hem: Heb lang in die sector rondgedwaald, maar helaas niet gevonden waar ik naar op zoek was. Als ik me wat beter zou hebben voorbereid, had ik precies kunnen weten waar beiden zijn begraven, namelijk in F/2/567 en F/2/566. Het graf van je oom is bovendien waarschijnlijk al geruimd. Waarop ik als reactie kreeg dat de grafrechten wél waren betaald, doch niet goed geadministreerd. Het zou worden gecorrigeerd.

Eerder deze maand rijd ik met iemand mee die “even” in Crooswijk moet zijn en de auto vrijwel naast een begraafplaats parkeert. Van dat “even” maak ik gebruik, loop er naartoe en doe navraag naar het graf dat ik zoek. Behalve de familienaam heb ik geen sterfdatum of andere details bij me, opnieuw niet al te goed voorbereid. “Weet u zeker dat die persoon hier op Sint Laurentius is begraven?” vraagt de receptioniste. Dat blijkt een rooms-katholieke begraafplaats te zijn en nee, dat weet ik niet. Ze zoekt in het bestand, vindt twee mensen met die familienaam, maar ziet ook dat op de Algemene Begraafplaats, die iets verderop is, er meer met die naam zijn begraven. Het “even” is voorbij, weer niets, maar ik neem me voor om dit hoe dan ook op te zullen lossen voordat ik terug naar huis ga. Een paar dagen later: de medewerkster van de Algemene Begraafplaats bevestigt de grafnummers die ik al had en geeft me een plattegrond waarop voor de zekerheid vak F wordt aangekruist. Supergeconcentreerd loop ik door alle paden van vak F, de nummering van de graven is enigszins chaotisch en niet echt in een logische volgorde. Een keer rond, nog eens, weer niet gevonden. Dan zie ik een onderhoudsman die bereidwillig uit zijn voertuig stapt en mij best wil helpen. Tot mijn opluchting kan ook hij de gezochte graven niet vinden en biedt aan om ze “op kantoor” op te gaan zoeken, na een minuut of tien is hij terug en lopen we er naartoe. Zwaar vervuilde en onleesbare grafstenen die maar eens per jaar met een hogedrukspuit worden gereinigd. “Ik ga de bezem halen!” kondigt hij aan, om daarna de grijze zerken met weinig ceremonieel met een grote stevige straatbezem schoon te gaan borstelen. Al doende kunnen de gezochte namen uiteindelijk met veel moeite worden ontcijferd en hebben de aanhouders ook hier gewonnen.