CUBA – EEN REIS DOOR DE NALATENSCHAP VAN CASTRO & CHE – 10 (20072021)

Maandag 5 november 2018 – Havana
Zoals Moskou het Rode Plein heeft en Beijing het Plein voor de Hemelse Vrede, heeft Havana de Plaza de la Revolución. Pleinen die perfect geschikt zijn voor de massabijeenkomsten die, met dank aan de strakke partijdiscipline in deze landen, voor een willekeurige buitenstaander zo spontaan lijken te zijn. Tijdens de bijna twee decennia die ik in Buenos Aires op loopafstand van de heel wat minder grote Plaza de Mayo woonde, het eindpunt van vrijwel iedere door de in Argentinië nogal dominante Peronistische Partij georganiseerde massademonstratie, heb ik van nabij kunnen zien hoe goed zo'n “spontane” uiting van steun of protest was geregisseerd. De bussen die de demonstranten aanvoerden en de spandoeken – op een paar latten of bezemstelen gespijkerde afgedankte witte lakens waarop voor die dag toepasselijke leuzen waren gekliederd – die werden meegedragen, waren zonder enige twijfel vooraf geregeld. Vandaag is het rustig op het door revolutionaire ambtenaren als bezienswaardigheid gekwalificeerde plein, dat is al zo sinds het na het terugtreden van Fidel Castro in 2008 diens eindeloze toespraken en de daarbij horende mensenmassa's moet ontberen. En terwijl op de façade van het aan het plein grenzende Ministerie van Binnenlandse Zaken een van de fameuze foto van Alberto Korda gekopieerde afbeelding van Che Guevara is bevestigd, die ik het best als een in staaldraad uitgevoerde pentekening ervan kan beschrijven, en op die van het iets verderop gelegen Ministerie van Informatie eentje van Camilo Cienfuegos, beiden met Juan Almeida en Raúl en Fidel Castro revolutionairen van het eerste uur, is Fidel zelf opvallend afwezig. Dat komt door de kort na zijn dood aangenomen wet die ieder gebruik van zijn naam of beeldtenis in de openbare ruimte verbiedt. Daarmee werd gehoor gegeven aan een laatste wens van Fidel, die volgens zeggen een grote afkeer had van iedere iedere vorm van persoonsverheerlijking. Behalve dan als het anderen betrof. Zo staat hetzelfde portret van zijn oude strijdmakker Che, die hij kort na de machtsovername in 1959 per ongeluk tot President van de Banco Nacional de Cuba benoemde, ook op het bankbiljet van 3 Pesos. Het verhaal gaat dat Fidel in een vergadering de vraag had gesteld “Wie is een goede economista?” waarop Che zijn hand had opgestoken. Toen Fidel zei nooit geweten te hebben dat Che iets met economie had – hij had medicijnen gestudeerd – zei die te hebben verstaan “Wie is een goede comunista?” Desondanks werd hij hoofd van de Centale Bank omdat Fidel hem vertrouwde.

Wie eveneens nadrukkelijk aanwezig is op de Plaza de la Revolución is José Martí, de in 1853 in Havana geboren zoon van Spaanse landverhuizers, die een vooraanstaande rol speelde in de Cubaanse onafhankelijkheidstrijd. De politiek zeer actieve poëet en filosoof had de theorie ontwikkeld én onderbouwd dat de vanuit Spanje naar Cuba verhuisde Spanjaarden en hun nazaten geen Spanjaarden meer waren, maar Cubanen waren geworden en dat Cuba daarom een onafhankelijk land zou moeten worden, een theorie die mede van toepassing werd verklaard voor andere nog niet onafhankelijke Spaanse koloniën. Als een postuum eerbewijs van Castro's voorganger Fulgencio Batista en om na zijn door de Verenigde Staten gesteunde militaire staatsgreep van 1952 steun van de Cubaanse bevolking te winnen, blies hij een idee uit 1939 om een monument ter ere van Martí te bouwen nieuw leven in. Daarvoor werd het ontwerp geselecteerd van het team architecten waarvan de Minister van Openbare Werken deel uitmaakte in plaats van dat destijds uitgeschreven competitie had gewonnen. Veel gedoe, veel concessies, met als het resultaat dat 100 jaar nadat Martí was geboren, midden op het plein werd begonnen met de constructie van wat nog steeds Havana's hoogste bouwwerk is: 109 meter. Aan de voet werd het 18 meter witmarmeren beeld van een in gedachten verzonken Martí – een parafrase op de bronzen Penseur van Rodin? - van Juan José Circe geplaatst, dat oorspronkelijk het winnende ontwerp had zullen bekronen. Wat dat betreft is het wel toepasselijk dat Martí door Fidel Castro postuum de revolutionaire eretitel Héroe Nacional de Cuba werd toegekend, want op het terras aan de voet van het monument, waar je zo'n beetje oog in oog met Che aan de andere kant van het plein staat, hield Fidel veel van zijn eindeloos durende toespraken. Redevoeringen waarover de politocoloog Lucas van der Land op 26 juli 1968 in zijn Cubaans Dagboek schreef: “De rede moet moeilijk te volgen zijn voor een groot deel van zijn gehoor; hij snijdt allerlei theoretische vragen aan en werkt met abstracte begrippen. Hoewel het een toonbeeld is van de didactische, explicerende spreektrant van Fidel Castro, heb ik de indruk dat hij de aandacht van een deel van zijn gehoor nu en dan kwijt is.” Zo ook is mijn aandacht in de eerste plaats niet bij dat toch wel wanstaltige monument van Martí maar bij dat portret van Che aan de overkant waaronder, als het ware zijn handtekening, hasta la victoria siempre staat geschreven.

wordt vervolgd