|
TOBAGO - NIEUW WALCHEREN (06052021) Voordat het eindelijk tot oudpapier zal worden gedegradeerd, blader ik door een bijna 10 jaar oude aflevering van Quest Historie om zowat uitgebladerd het artikel Stukje Zeeland in de Cariben tegen te komen. Zeeuwen in de Cariben? Driekwart van de eerste dubbele pagina wordt in beslag genomen door een aquarel van de cartograaf Johannes Vingboons met de titel: DE BAY EN 'T FORT NIEUW VLISSINGEN OP 'T EYLANT TABAGO. In de baai voor het fort ligt een schip met wapperende Nederlandse vlaggen, aan de landkant wordt het omgeven door een enorm Touback Veldt. Want voor die vruchtbare grond was onder auspiciën van Jan de Moor, telg uit een familie van kooplieden en reders, burgemeester van Vlissingen en voorzitter van de Zeeuwse kamer van de West-Indische Compagnie – WIC – in 1628 begonnen met de kolonisatie van het eiland dat hij Nieuw Walcheren had gedoopt. Met de plantages kwamen de Afrikaanse slaven, want ook daar had de Moor een vinger in de pap van de handel en het transport van Angolese slaven naar Brazilië, het Caribisch gebied en hoogstwaarschijnlijk van de eerste slaven die naar de Verenigde Staten werden verhandeld. Aan de Zeeuwse betrokkenheid bij Tobago werd in 1637 door de Spanjaarden een eind gemaakt. Na verloop van tijd werd de Moor in 1654 opgevolgd door de Vlissingse reder Cornelis Lampsins die zich toen met een stuk of 50 Zeeuwen aan de andere kant van het eiland vestigde in een nederzetting die Lampsinsstad werd genoemd. Daarmee was de egotripperij echter nog niet ten einde. Op Lampsins verzoek werd het eiland in 1662 een Franse baronie en kreeg hij van Louis XIV, jawel de Zonnekoning, de erfelijke titel Baron van Tobago. In 1678 werd het eiland bij de Vrede van Nijmegen – mijn geboortestad! - overgedragen aan de Fransen, die het op hun beurt in 1814, met Napoleon in ballingschap op Elba, aan de Britten kwijtraakten, die voegden het tegen het eind van de 19e eeuw bestuurlijk samen met Trinidad. Had ik die geschiedenis maar gekend toen ik in 2006 twee keer op Trinidad verbleef, dan was ik één van die keren zeker op de veerboot gestapt om te gaan kijken wat die Vlissingse ondernemers destijds zo tot Tobago had aangetrokken. Over die eerste reis deed ik destijds verslag, maar van de tweede had ik behalve het “waarom”, foto's en enige achtergrondinfo, niet meer dan wat aantekeningen gemaakt van hoe op 9 augustus 2006 de heenreis van de Dominicaanse hoofdstad Santo Domingo via Caracas naar Trinidad was verlopen. Dat was met vlucht VH825 van de Venezolaanse luchtvaartmaatschappij Aero Postal, waarvan mijn werkgever vond dat daar alleen mee mocht worden gevlogen als het echt niet anders kon, hetgeen het geval was. Het viel allemaal reuze mee, in Afrika had ik erger meegemaakt. Al doende was ik toen een paar uur op het grondgebied van de República Bolivariana de Venezuela van de tegendraadse president Hugo Chávez alvorens door te vliegen naar Puerto España, zoals de Trinidadaanse hoofdstad in de Spaanstalige buurlanden wordt genoemd. Daar stond een lange rij voor het groene douanekanaal, pas na ruim een half uur kon ik mijn “niets aan te geven” formulier inleveren bij de ambtenaar van dienst.“How are you, sir?” vroeg hij beleefd. “Goed, en hoe gaat het met u? “Redelijk, wij doen er alles aan om u zo snel mogelijk te helpen.” Ik kon het niet laten hem te vragen “Could you please try a little harder next time I visit?” Hij kon er gelukkig om lachen en wuifde mij door. Precies een maand eerder was ik in Port of Spain samen met collega Chris in de wijk Woodbrook op zoek geweest naar het huis in Luis Street waar V.S. Naipaul, Nobelprijwinnaar en een van mijn favoriete schrijvers, als schooljongen zou hebben gewoond, én naar Miguel Street waar de korte verhalen uit zijn gelijknamige boek waren gesitueerd. Zowel Naipaul als Chris waren nazaten van de contractarbeiders die, nadat de slavernij in het Britse Imperium in 1834 was afgeschaft, met bootladingen tegelijk uit India waren gehaald om als vervangende goedkope arbeidskrachten op de cacao- en suikerplantages te gaan werken. Chris had me die dag over de tegenstellingen tussen de Afro Trini's en die uit India verteld, die beide ongeveer 40% van de bevolking uitmaakten, en nerveus gewaarschuwd: “We moeten oppassen want we zijn een dubbel doelwit: jij bent blank en ik een Indiër!” Met als toelichting dat Afro's veronderstelden dat hun Indische landgenoten “rijk” zouden zijn en die kidnapten om ze dan na betaling van losgeld weer te laten gaan. Eerlijk gezegd had ik mijn schouders toen imaginair opgehaald, was ik al die jaren in Afrika en Rio ook al niet een doelwit geweest? En was het niet zo dat alles waar je bang voor bent, je zal overkomen? En nu was ik halsoverkop naar Trinidad gereisd omdat Chris sinds een paar dagen spoorloos was, vermoedelijk ontvoerd. De dag erna werd zijn dode lichaam op een afgelegen plek aangetroffen. Zijn familie had het geëiste losgeld niet op tijd betaald, waarop hij door zijn ontvoerders was vermoord. |