OP ONTDEKKINGSREIS IN ROTTERDAM – 35 – DE OUDE DIERGAARDE (01052021)

De grootouders van mijn vriendin woonden ooit in één van de 15 grote herenhuizen die tegen het eind van de 19e eeuw aan het Koningin Emmaplein waren gebouwd om, volgens Wikipedia, mensen uit de bovenlaag van het Rotterdamse bedrijfsleven passende huisvesting te bieden. Mensen, die net als haar grootouders, tussen beide wereldoorlogen een inwonend Duits dienstmeisje hadden en lid waren van de toen nog vlakbij het station gevestigde Diergaarde, die financieel in stand hielden en waar ze met hun gezinsleden alle dagen van het jaar op vertoon van de ledenkaart toegang hadden. Dit in tegenstelling tot de niet leden, die slechts af en toe én tegen betaling welkom waren. Het goed katholieke gezin kerkte ongetwijfeld net om de hoek in de Sint-Ignatiuskerk, die zo'n beetje gelijk met de huizen aan het plein was gebouwd op de hoek van de Westzeedijk en de van Vollenhovenstraat als parochiekerk voor de katholieke gelovigen in het Scheepvaartkwartier. Die kerk werd in 1968 alweer gesloopt en in het kantoorgebouw dat ervoor in de plaats kwam, werkte ik kort in het begin van de jaren 70 met uitzicht op hun voormalige achtertuin. En net zoals het geval is met de nodige andere Rotterdamse kantoorgebouwen, zijn de kantoorruimtes van voorheen inmiddels omgetoverd tot appartementen. Maar goed, tante Fieke, één van de acht kinderen die zo'n 100 jaar geleden in dat huis woonde, schreef naderhand haar zondagmiddagjeugdherinneringen op die mij zowat een eeuw later een blik gunnen in het Rotterdam van toen dat, in tegenstelling tot het Koningin Emmaplein, al lang niet meer bestaat.

Zo vertelt ze dat de kinderen na de zondagse lunch met Fräu, zoals hun Fräulein werd aangesproken, naar de Diergaarde gingen. Mede omdat het een plek was waar die haar vriendinnen van de Deutsche Verein ontmoette om er in hun dialect, zodat de kinderen het niet konden verstaan, bij te kletsen. Tante Fieke beschrijft niet hoe ze er naartoe wandelden, maar ik kan me het helemaal voorstellen: de Westzeedijk oversteken en daarna de hele Westersingel aflopen. Aan het eind daarvan lag de Kruisstraat met aan de linkerkant, tegenover de verdwenen Diergaardelaan, de grote metalen toegangspoort. In het Rotterdam van nu zo'n beetje halverwege die lelijke witte façade aan het Kruisplein, het plein dat net als de Kruisstraat van weleer tussen de West-Kruiskade en het Stationsplein ligt en waardoor ik zowaar begrijp dat de straat die erachter ligt ondanks het ontbreken van een diergaarde en een singel de Diergaardesingel heet. Dankzij de in het zwart geklede dienstbode herkenden de portiers de kinderen van een lid – een sponsor voordat het woord Algemeen Beschaafd Nederlands werd – en liet ze meestal toe zonder naar de ledenkaart te vragen. Heel toevallig lees ik een paar dagen na beelden te hebben gezien van de 267 Congolezen die in 1897 onder dwang naar België waren gebracht om daar in Tervuren, waar nu het AfricaMuseum is, aan het publiek tentoon te worden gesteld als dieren in een dierentuin, haar ooggetuigeverslag van wat er in 1931 in die oude Diergaarde plaatsvond:

“Op een dag stond in de Maasbode (het katholieke Rotterdamse dagblad van toen) dat de diergaarde een rhinoceros had aangekocht. Mijn vader las het artikel harop voor en we luisterden aandachtig. Alles wat de diergaarde betrof vonden we belangrijk. Nieuwsgierig gingen we die zondag naar het nieuwe dier kijken. Er was een speciale stal gebouwd voor de neushoorn. Het onderkomen had iets van een Zwitsers huisje, maar dat zal wel niet de bedoeling van de ontwerper geweest zijn. Het dier had ook een behoorlijk “tuintje” om in te lopen en de stal had een bovenverdieping met een raampje. “Voor het hooi,” dachten met kennis van zaken te weten. Maar nee, al gauw hoorden we van de andere bezoekers wie er op de bovenverdieping woonde en na een tijdje zagen we hem tevoorschijn komen: een heel donker jongetje met zwarte krullen, heel donkere ogen, een mooi maar boos gezichtje en een rode broek aan. Het was niet veel ouder dan wij, een jaar of elf. Er ging een verrukte zucht door de omstanders en ik hoorde fluisteren ”dat is het Abessijntje, het hoort bij de neushoorn.....” Het jongetje trok het logge dier aan zijn hoorn naar buiten. Daar reed het paardje op vreemde stijve beest en kroop er toen een paar keer onderdoor. Het haalde de waterslang tevoorschijn en spoot de rhinoceros net zo lang nat tot die glansde als mijn lakschoenen. Het dier bleef er volkomen onverschillig onder en ook het Abessijntje hield zijn gezicht strak en gunde de kijkers geen blik uit zijn mooie donkere ogen. Maar wij, kinderen en Fräu waren toch ook sprakeloos en een beetje overdonderd, we hadden nog nooit in de diergaarde naar een mens gekeken. Na enige aarzeling klapten de kijkers en gooiden zuurtjes en toffees over het hek. Maar de jongen raapte niets op en trok het dier weer aan zijn hoorn naar de stal en deed de deur dicht.”