COLOMBIA – OVER AFRO'S, BOTERO, ESCOBAR & GARCÍA MÁRQUEZ - 63 (15112017)

Donderdag 30 maart 2017 – Cartagena de Indias – Amsterdam
Ondertussen neem ik aan dat in het Museo Naval del Caribe, het Maritiem Museum van Cartagena, vast wel aandacht aan de San José zal worden besteed en ga daar dus op mijn laatste ochtend in de stad naar toe. Nog maar net onderweg kom ik bij de kathedraal de majorettes en het schoolorkest van het Institución Educativa José de la Vega tegen die een slordig defilé van even slordig verklede mannen begeleiden. Volgens de bordjes die de voor hen voorafgaande goed ogende jongedames omhoog houden, zouden ze afkomstig zijn uit Dubai, Panama, Denemarken, Singapore en nog wat andere buitengewesten. Hoewel gekleed in het bijbehorende nationale kostuum, zien ze er vooral West-Europees uit, zijn het mannen én zijn ze om even na 9 uur 's ochtends druk bezig om de blikjes koud bier te legen die ruimhartig worden uitgedeeld. Het blijken leden te zijn van de International Balut Federation die hier voor hun wereldkampioenschap zijn. Balut, geen flauw idee waar dat over gaat. Terug in mijn hotel goochel ik het en ontdek aldus dat het een bij Deense zakenlieden populair dobbelspel is dat op Yahtzee lijkt en een alternatief voor poker zou zijn. Weer wat bijgeleerd. Het defilé eindigt op het plein voor het Museo Naval, de deelnemers aan het tournooi gaan op een terras aan het bier, de band speelt en loopt ingestudeerde patronen, de majorettes worstelen met hun hoge hakken en hun in behoorlijk strakke blauwe pakjes geperste ontluikende lichamen. Eén van de twee mannelijke dansers heeft daar geen last van, hij is vooral bezig uit de kast te komen, zo dat al niet is gebeurd. Of dat zomaar kan op een Colombiaanse middelbare school, zou ik echter niet weten.

Dankzij de mooie klopper op de poort, ontdek ik naast het museum de Vrijmetselaarsloge van Cartagena. Met dezelfde smoes als vorige week in Ciénaga mag ik foto's maken op de grote patio, die ze PATIO DE LA FRATERNIDAD hebben gedoopt, Patio van de Broederschap. Verschillende masonische symbolen aan de muren en, wat mij betreft, een opvallende afbeelding in een driehoek, waarin onder een stralende zon een witte en een zwarte hand elkaar groeten met de woorden fraternidad con humildad oftewel broederschap met nederigheid. Dat is het doel waarnaar wij streven, gaat er door mijn hoofd, want hoewel de bevolking van de stad overwegend een donkere huid heeft, is geen van de aanwezige leden of staat op geen van de foto's die er in de kantoorruimte hangen ook maar één lid van zichtbaar Afrikaanse afkomst. Nadat mij voor de zekerheid is gevraagd of ik vrijmetselaar ben en ik daar eerlijk “nee” op heb geantwoord, mag ik deze keer helaas de tempel niet bekijken. Het valt me overigens mee dat de loge bestaat in een stad waar de inquisitie meer dan 200 jaar actief “ongeloof” vervolgde en bestrafte. Vlakbij in het Palacio de la Inquisición staat duidelijk aangegeven dat vrijmetselarij “ketters” was. Mijn gastheer moet lachen als ik ernaar vraag en wijst me op de “soepelheid” die de kerk vis à vis de metselaars betrachtte.

Bij de receptie van het museum informeer ik naar de San Josê. Er wordt “algemene aandacht” aan besteed, maar er is niets actueels te zien omdat het een delicaat onderwerp is in verband met de diverse claims die op de lading van het schip rusten. Vrijwel zeker wetend dat ik hier nooit meer terug zal komen én omdat ik verder weinig meer te doen heb, koop ik een kaartje en loop de enorme ruimte in die voorheen de ziekenzaal was van het hospitaal en klooster van San Juan de Dios. Het is vernoemd naar de stichter van de orde die in Nederland de Broeders van Barmhartigheid heet, ook wel de Hospitaalbroeders. Het in 1992 ter gelegenheid van de 500ste verjaardag van de ontdekking van Amerika ingerichte museum is stoffig en saai. Weinig objecten, vooral veel tekst. In een museum wil ik niet lezen, in een museum wil ik kijken, observeren, bewonderen of ergens gewoon niets aan vinden. Vooral dat laatste lukt hier hartstikke goed. “A las 7.30 de la noche del Viernes 8 de junio 1708,” zo lees ik, “gebeurde de ergste ramp in de maritieme geschiedenis van Cartagena de Indias: het galjoen San José, het vlaggenschip van de vloot van Galjoenen van Tierra Firme, zonk bij de ingang naar de haven tijdens gevechten met een Britse vloot. De San José was geladen met schatten en had veel passagiers aan boord, meer dan 600. Slechts 7 zeelieden, die hoog in de mast zaten, overleefden de ramp.” Dit gebeurde halverwege de Spaanse Successieoorlog toen Spanje financieel aan de grond zat – ook toen al – en de lading hard nodig was om de oorlogsvoering voort te kunnen zetten. Naast de tekst de afbeelding van een schip dat de lucht in vliegt, maar niet zoals van Speijk in 1831 bij Antwerpen met de memorabele woorden “Dan liever de lucht in.” Hier bij Cartagena gebeurde dat met de grootst mogelijke tegenzin.

wordt vervolgd