|
COLOMBIA – OVER AFRO'S, BOTERO, ESCOBAR & GARCÍA MÁRQUEZ - 62 (11112017)
Woensdag 29 maart 2017 – Cartagena de Indias
Iets meer dan een week geleden vertelde de gids mij tijdens de Pablo Escobartour in Medellín dat iedere dag twee of drie drugkoeriers worden opgeofferd om anderen ongehinderd hun vlucht te laten halen. Uiteraard zijn daarover afspraken gemaakt met corrupte opsporingsambtenaren die voor hun medewerking een stevige beloning ontvangen. “Zolang de statistieken maar aangeven dat er jaarlijks meer koeriers worden opgepakt en meer drugs in beslag genomen, roept dat geen vragen op bij de toezichthouders,” beweerde hij daarbij met grote stelligheid. Wat Paula in het gevangenisrestaurant vertelt, maakt mij alvast nieuwsgierig naar wat er morgen bij het inchecken en de controles op het vliegveld gaat gebeuren. Maar nu eerst mijn galgenmaal: drie gangen en een sapje, voor iedere gang kan er uit drie gerechten worden gekozen. In een havenstad eet ik het liefst visgerechten, dus vooraf garnalen in kokosnootsaus, als hoofdgerecht de “vis van de dag” met groenten uit de gevangenismoestuin en als afsluiting het op de Colombiaanse zoetekauwen afgestemde toetje. Ik kies de Jardin de Cocadas een in panela – niet geraffineerde rietsuiker – gedoopte combinatie van stukjes kokosvlees, guava en passievrucht. De visgerechten zijn smakelijk, de kokosnootlimonade verrassend fris, maar het toetje is veel te zoet, ik eet het slechts uit beleefdheid op. Hoewel mij door Luz was verzekerd dat iedere gevangene die dat wilde had kunnen solliciteren op een baan in het restaurant, lees ik elders dat het uitsluitend de gevangenen met een laag vluchtrisico worden aangenomen. Zoals Paula, wiens gevangenisstraf van vier jaar er over twee maanden opzit en die dan teruggaat naar Mexico. En nee, in de gevangeniskeuken worden er niet zulke lekkere maaltijden bereid als voor de gasten van el INTERNO, maar die betalen dan ook 80.000 pesos voor hun diner. Ter vergelijking: het wettelijk minimumloon in Colombia bedraagt 737,000 pesos, maar dan moet je uiteraard wel werk hebben. Ze hebben waarschijnlijk mijn Argentijns-Spaanse accent herkend want opeens klinkt Por una cabeza uit de luidsprekers. Een grote hit uit 1935 van de aan paardenrennen verslaafde Carlos Gardel waarin wordt bezongen hoe een paard de race met een neuslengte wint. Te gek! Terwijl ik die tango neurie, wandel ik in een goede stemming na één van de smakelijkste maaltijden sinds een week of twee en een unieke ervaring rijker, door de zwoele avond terug naar mijn hotel. Morgenavond om deze tijd zit mijn reis erop en vlieg ik op 30duizend voet ergens boven de Atlantische Oceaan.
Donderdag 30 maart 2017 – Cartagena de Indias – Amsterdam
Net voordat ik vannacht in slaap viel, schoot me te binnen dat de Colombiaanse President Santos in november 2015 bekend maakte dat voor de kust van Cartagena het wrak van het Spaanse galjoen San José was gevonden. Het met goud en edelstenen beladen schip, onderdeel van de jaarlijkse Zilvervloot naar het moederland, dat in juni 1708 in een gevecht met Britse schepen belandde. Dat was halverwege de Spaanse Successieoorlog waarin Frankrijk en Spanje het opnamen tegen Groot-Brittannië, de Republiek de Zeven Verenigde Nederlanden, de Hertog van Savoie en het Koninkrijk Portugal in een conflict over de opvolging van de kinderloze Karel II op de Spaanse troon. Aldus vielen de Britten de met rijke buit beladen Spaanse vloot aan en werd de San José tot zinken gebracht. Twee aspecten van het vredesverdrag dat in 1713 in Utrecht werd gesloten zijn tot op de dag van vandaag actueel: aan wie behoort de inhoud van het wrak en een hoop Brexit gedoe om Gibraltar dat aan het einde van die oorlog aan Groot-Brittannië werd toegewezen. De lading zou thans tussen de 4 en 17 miljard dollar waard zijn, hoewel niemand precies weet wat er in het wrak zit. Gabriel García Márquez verwijst er naar in Liefde in tijden van cholera met de woorden die ik letterlijk uit het boek heb overgeschreven: “Verschillende malen per jaar verzamelden de vloten, bestaande uit galjoenen geladen met de schatten uit Potosi, Quito en Veracruz zich in in de baai en de stad beleefde in die tijd haar gloriejaren. Op vrijdag 8 juni 1708, om 4 uur 's middags, werd het galjoen San José, dat met bestemming Cadiz was vertrokken met een lading edelstenen en edele metalen ter waarde van een half miljard pesos uit die tijd, door een Engels eskader tot zinken gebracht voor de ingang van de haven en twee eeuwen later was het nog niet gelicht. Het fortuin dat daar op de bodem van koraalriffen lag, met het lijk van de commandant op zijn zij op de commandopost drijvend, werd door historici aangehaald als het embleem van de in haar herinneringen verdronken stad.” Volgens de Colombiaanse regering zou die schat “onaangetast” zijn, maar nogmaals wie is de rechthebbende? Zowel Colombia, dat in 1708 nog niet eens als onafhankelijke staat bestond, als Spanje zeggen eigenaar te zijn. En dan is er nog een Amerikaans bedrijf dat beweert het wrak al in 1981 te hebben gelokaliseerd.
wordt vervolgd
|