|
COLOMBIA – OVER AFRO'S, BOTERO, ESCOBAR & GARCÍA MÁRQUEZ - 50 (28092017) Vrijdag 24 maart 2017 – Barranquilla – Mompox In de zaal ernaast begrijp ik waarom het museum van boven naar beneden dient te worden bezocht: de binnenkant van de kubus bestaat uit één grote ruimte waarin om een schacht, die van het dak tot de begane grond loopt, op de verschillende niveaus langs drie wanden expositieruimte is gecreëerd en langs de vierde een open trap is gebouwd die de exposities verbindt. Wat mij het meeste aanspreekt is dat eindelijk eens aandacht wordt besteed aan een paar eeuwen slavernij en er gebruiksvoorwerpen zijn te zien die zijn gemaakt met van de andere kant van de oceaan meegebrachte en/of overgeërfde vaardigheden. Zooals dat trapje dat uit een boomstammetje is gehakt, vlechtwerk, een smalband weefgetouw, waar de museumjongens dan weer sigarenplanken tussen hebben gehangen en een suikerrietpers. Dat is wat minder. Er wordt keurig uitgelegd hoe de slavenhandel naar de Spaanse koloniën was georganiseerd – transatlantische driehoekshandel – en de rol van de Spaanse kroon. Die verleende tegen betaling een Asiento de Negros, een vergunning om Afrikaanse slaven aan de kolonies te leveren, vooral richting Cartagena waar zich de grootste slavenmarkt bevond. Daardoor is met redelijke stelligheid vast te stellen dat de slaven afkomstig waren uit Senegambia, Kongo en de Golf van Guinee, zo'n beetje de hele Afrikaanse westkust derhalve. Aan het einde van de Spaanse Successieoorlog ging bij de Vrede van Utrecht (1713) niet alleen Gibraltar over in Britse handen, een ander verdragsonderdeel was een Asiento de Negros waarin de Britten het recht verkregen om voor een periode van 30 jaar jaarlijks 4.800 slaven te mogen leveren. En omdat deze vergunningen verhandelbaar waren, leverde dat de Britten vervolgens aardig wat geld op bovendien. De in 1982 geconsacreerde Catedral Metropolitana María Reina de Barranquilla was er eveneens bij ingeschoten. Als ik uit de auto stap, kan ik me niet meer herinneren waarom ik hier per se naartoe wilde. Opnieuw een lelijk betonnen gebouw dat aan de zijkanten veel weg heeft van een paar aan elkaar geplakte torenflats. Die indruk wordt bij mij gewekt door de “panelen” van 10 tot 15 rijen hoog, waarvan iedere rij uit negen ramen bestaat van om en om een opengewerkt kruis en een glas-in-lood raam. Vanwege de architectuur stond het zeker niet op mijn verlanglijstje, maar eenmaal binnen weet ik het weer: het gaat om de ramen. Jeetje, van buitenaf zien die er echt niet uit en wat zijn ze in de immense kerkruimte door het zonnige tegenlicht geweldig mooi, de kleuren stralen je tegemoet. Daarnaast worden in de voorgevel de zeven dagen van de schepping verbeeldt door zeven grote diamantvormige glas-in-loodramen, terwijl boven het altaar het met symboliek beladen beeld zweeft dat Cristo Libertador Latinoamericano is gedoopt. Een nogal overdreven kerkelijke claim die slechts de bevrijding van het ongeloof betreft met de komst van het christendom. Waar Jezus is, mogen zijn ouders niet ontbreken: Maria aan de ene kant en Josef aan de andere in 16 meter hoge mozaïeken. Dan denk ik zowaar in een van de ramen de handtekening van de maker te zien, maar bij nadere beschouwing blijkt die van de sponsor: Donación Juan. B. Sanchez y Flia. Die probeert zo voor zichzelf en zijn familie alvast een plekje in de hemel te bemachtigen. Daar sta ik dan als nazaat van hen die 500 jaar geleden de katholieke kerk verlieten omdat je daar je aardse zonden toentertijd kon afkopen met een aflaat. Net zoals de asientos voor de levering van slaven: handel. wordt vervolgd |