COLOMBIA – OVER AFRO'S, BOTERO, ESCOBAR & GARCÍA MÁRQUEZ - 46 (12092017)

Donderdag 23 maart 2017 – Santa Marta – Ciénaga – Barranquilla
Terug in het veel comfortabelere hotel in Santa Marta liet ik gisteravond de dag nogmaals passeren. Bij het bekijken van de foto's herinnerde ik me toen dat Gabriel García Márquez in zijn autobiografie had onthuld dat hij bij het schrijven van Honderd jaar eenzaamheid op de naam Macondo was gekomen dankzij de Finca Macondo. Een bananenplantage in de buurt van het Aracataca uit zijn jongste jaren waarvan de naam zo lekker poëtisch klonk. De finca bestaat nog altijd, zonder erbij na te denken had ik zelfs een foto van de toegangspoort gemaakt. Het dorp Macondo, dat zijn naam trouwens dankt aan de vrij hoog groeiende boom die zo heet, voldeed tijdens mijn korte bezoek nog helemaal aan Gabo's beschrijving van ruim 50 jaar geleden: “Una aldea de veinte casas ….. – een dorpje van twintig huizen van modder en bamboe.” Daarna waren we onderweg even in een dorp gestopt – Orihueca? – waarvan ik was vergeten de naam op te schrijven, in ieder geval ligt er vlakbij de kerk een feestzaal die vroeger een tropische openluchtbioscoop was. Niet veel aan, ware het niet dat in de oude projectieruimte de ietwat afgetakelde projectoren van weet ik niet hoe lang geleden nooit waren weggehaald. STRONG Junior-High Projection Arc Lamp, industrieel erfgoed. Goed, vandaag gaan we via Ciénaga naar Barranquilla, de stad waar de jonge Gabo na 10 jaar bij zijn grootouders te hebben gewoond door zijn moeder mee naartoe werd genomen.

Op en rond de Plaza del Centenario, het centrale plein, lopend is aan de architectuur te zien dat Ciénaga een stad is geweest die behoorlijk van de bananenrijkdom van zo'n eeuw geleden moet hebben geprofiteerd. Zo staan er die solide koloniale kerk van Johannes de Doper en el Templete dat mij een muziekpaviljoen lijkt, niet zo'n luchtige structuur zoals de vaderlande muziektenten hebben, maar van steen en cement. Het ding is rond en heeft een op acht zuilen rustende betonnen kroon als dak, het kan haast niet anders of er wordt of werd hier zwaarmoedige muziek gespeeld. Dat mag ook wel, want het plein was begin december 1928 het toneel van het beruchte masacre de los bananeras, waarbij het Colombiaanse leger zonder zich in te houden het vuur opende op de stakers van de bananenplantages van de United Fruit Company. In Honderd jaar eenzaamheid schrijft García Márquez dat daarbij 3 duizend doden vielen die 's nachts met vrachtwagens zouden zijn afgevoerd. Gabo's magische realisme ten top. De bij dit soort gebeurtenissen meestal twijfelachtige officiële cijfers hielden het op 47, volgens vakbondsleider Alberto Castrillón waren het er 5 duizend, de Franse ambassadeur kwam niet verder dan “slechts” 100. Het 14 meter hoge monument dat de staking herdenkt, een zwarte plantage-arbeider met geheven kapmes, heet soms Prometeo de la libertad – Belofte van vrijheid, dan weer El Mártir de los Bananeras – de Martelaar van de Bananenarbeiders, maar in de volksmond steevast El negro de la estación – De neger van het station. Wat me tegenvalt is dat het niet op het centrale plein staat, maar ergens achteraf bij het gesloopte oude spoorwegstation waar je er niet bij kunt komen door de kraampjes van de markt die er omheen staan en, zo lees ik in een krant, dat is bedekt met de mierda de las aves oftewel vogelpoep. Wat het allemaal nog veel erger maakt, in mijn niet Latino ogen althans, is dat het monument oorspronkelijk was bestemd voor Curaçao ter ere van Tula. De slaaf die daar in 1795 een slavenopstand leidde die door de Antiliaanse gemeenschap in Nederland op 3 oktober wordt herdacht met de Dia di Tula. Dankzij een conflict tussen de Colombiaanse beeldhouwer Rodrigo Arenas Betancourt en Curaçao kwam het na te zijn herdoopt uiteindelijk in Ciénaga terecht.......

De wandeling door een vreemde stad in Spaanstalig Zuid-Amerika heeft door de gevels van de wat oudere huizen en gebouwen vaak iets van een feest der herkenning, hoewel dat anderzijds als voorspelbare saaiheid zou kunnen worden gezien, maar het is iedere keer weer een kleine ontdekkingsreis. Terwijl ik tijdens mijn zwerftochten door Buenos Aires in de loop der jaren zag hoe de slopershamer toesloeg en de laagbouw uit de hoogtijdagen van zo'n eeuw geleden steeds vaker plaats moest maken voor anonieme hoogbouw, staat er in Ciénaga nog verrassend veel overeind uit de gouden jaren van de banaan. In beide steden zijn – of waren – het vooral de details in de buitengevels die uitstralen dat er niet op een paar pesos hoefde te worden gelet. Het is de gevarieerde vormgeving van de hier aan de Caribische kust hoognodige ventilatieroosters boven de vensters die mijn aandacht trekt, want die stammen uit de tijd dat je niet even naar de bouwmarkt kon lopen. Wie weet waren er toen wel gespecialiseerde vaklieden die de door de architecten ontworpen roosters maakten. Een vraag waarop mijn begeleider helaas geen antwoord heeft.

wordt vervolgd