|
COLOMBIA – OVER AFRO'S, BOTERO, ESCOBAR & GARCÍA MÁRQUEZ - 39 (20082017) Dinsdag 21 maart 2017 – Santa Marta – Neerlandia – Aracataca Met de schoentjes weer aan de voeten en de weekbladen in de rugzak kunnen we naar Aracataca vertrekken, naar het geboortedorp van Gabriel García Márquez. Dat dacht ik tenminste, want Ronaldo staat erop dat we eerst nog naar het museum gaan dat gisteren in verband met de feestdag was gesloten. Dat bezoek had ik eerlijk gezegd al afgeschreven, dom, dom, want achteraf bezien had ik het niet willen én niet mogen missen. Het Museo del Oro Tairona – Museum van het Tairona Goud is gevestigd in het gebouw waarin aan het begin van de 19e eeuw voor korte tijd het Spaans koloniale Casa de la Aduana was gevestigd, het douanekantoor. Veel langer was het echter een doodgewoon woonhuis en het heeft door de eeuwen heen nogal wat andere functies gehad. Zo was het onder andere tussen 1910 en 1920 hoofdkantoor van de zo gehate United Fruit Company, later was er Hotel Colonial in gevestigd. Nadat het gebouw in 1970 tot monument was verheven, werd het aangekocht door de Banco de la República, die het recent langdurig heeft gerestaureerd om het geschikt te maken voor de museale bestemming die het nu heeft. Hoe men de collectie sindsdien toont, zo bedenk ik na het bezoek in de auto, is hoe men in Colombia de nationale geschiedenis indeelt: pre-kolonialisme, Spaanse kolonie, onafhankelijke republiek. De Tairona, die naar schatting al tussen de duizend en tweeduizend jaar in deze regio woonden toen de Spanjaarden arriveerden, maakten sierlijke aardewerken gebruiksvoorwerpen en droegen kralen, op beide ben ik sinds mijn jaren in Afrika min of meer verliefd. Niet voor de eerste keer tijdens deze reis is te zien hoe vormgeving, decoratie en praktisch nut door de keramisten moeiteloos in één object werden vereningd, design avant la lettre. Met daarnaast edelsmeden die prachtige voorwerpen van metaal en goud maakten die iemands positie binnen de gemeenschap aangaven en andere die als sierraad werden gedragen. Wonderschoon. Wat me na de toch wel wat teleurstellende zoektocht tot nu toe verrast, is de ruime aandacht die wordt besteed aan de slavernij tijdens de koloniale jaren en daarna. Eerst wordt uitgebreid verteld dat de slaven afkomstig waren van langs de hele Afrikaanse westkust, van Senegal in het noorden tot en met Angola in het zuiden. Vervolgens wat voor werk ze moesten doen. Tja, voor de mannen was dat zware lichamelijke arbeid op de plantages en als bogas (roeiers) van de champánes (boten) die op de Colombiaanse rivieren het transport van mensen en goederen verzorgden of als je vrouw was huishoudelijke dienst. En kennelijk is dat hier nodig, wordt uitgelegd wat mestizos waren en wat hun rol in de maatschappij van toen was: nederig dus.….. Vanwege de slechte behandeling vluchten velen naar onbegaanbare gebieden en stichten daar kleine zelfvoorzienende gemeenschappen waar ze zoveel mogelijk weer zoals in hun land van herkomst probeerden te leven, de palenques, het equivalent van de Braziliaanse quilombos. Kort na de onafhankelijkheid in 1820 verklaarde Simón Bolívar: “Los hijos de los esclavos ….. – De kinderen van slaven die hierna geboren worden, moeten vrij zijn, want deze wezens horen aan niemand anders toe dan aan God, noch willen hun ouders dat ze ongelukkig zijn.” Dit werd heel mooi la libertad de vientres genoemd oftewel vrijheid in de buik, hoewel de slavernij zelf pas in 1850 zou worden afgeschaft. wordt vervolgd |