COLOMBIA – OVER AFRO'S, BOTERO, ESCOBAR & GARCÍA MÁRQUEZ - 37 (13082017)

Maandag 20 maart 2017 – Medellín – Santa Marta
Dankzij Gabriel García Márquez heb ik voorafgaande aan mijn bezoek aan de Caribische kuststreek al aardig wat achtergrondinformatie en couleur locale aangereikt gekregen. In zijn fameuze roman Honderd jaar eenzaamheid, gesitueerd in en rond het imaginaire dorp Macondo dat sprekend op zijn geboortedorp Aracataca lijkt, beschreef hij onder meer de economische en sociale gevolgen van de snelle opkomst en deels weer de neergang van de bananenindustrie, alsmede de vaak twijfelachtige rol die Noord-Amerikaanse ondernemingen daarbij speelden. In zijn historische roman De generaal in zijn labyrint verhaalde hij over wat zich hier zoal heeft afgespeeld tijdens de laatste maanden in het leven van de uitgerangeerde en lichamelijk verzwakte Simón Bolívar. Die was in mei 1830, vergezeld door zijn persoonlijke bediende José Palacios en een aantal getrouwen, uit Bogotá vertrokken om in ballingschap naar Europa te gaan. Tijdens een lang oponthoud in Cartagena, in afwachting van de noodzakelijke papieren om het land te kunnen verlaten, werd de zittende regering afgezet. Daarop kondigde Bolívar aan met een klein leger terug te zullen gaan naar de hoofdstad, doch weigerde vervolgens om opnieuw regeringsleider te worden. Begin december arriveerde hij uitgeput in Santa Marta, waar Joaquín de Mier hem inviteerde om in de op zijn suikerrietplantage gelegen Quinta de San Pedro Alejandrino te komen te logeren, kort erna zou hij er overlijden. In 1891 werd de inmiddels zwaar verwaarloosde quinta – een grote herenboerderij – aangekocht door de provincie Magdalena met het doel die te herstellen naar de staat van 1830, hetgeen nog datzelfde jaar gebeurde. Het is sindsdien een Bolívar-bedevaartplaats. Onderweg er naartoe passeren we een stoere stoomlocomotief van de Ferrocarriles de Colombia die volgens mijn begeleider nooit verder is gekomen dan de plaats waar wij ernaar staan te kijken en dus nooit bananen vanuit het binnenland naar de haven van Santa Marta zou hebben vervoerd. Achteraf, na het lezen van het historische essay La United Fruit Company en Colombia, lijkt me dat een hoogst onwaarschijnlijk verhaal gezien de essentiële rol die het spoor in de logistieke keten en daarmee in de ontwikkeling van de bananenindustrie heeft gespeeld.

Mijn eerste kennismaking met de net buiten de stad gelegen quinta is een aanstaande bruid die in vol ornaat op de gevoelige plaat wordt vastgelegd. Ze zou eens moeten weten wat haar nog te wachten staat. Ik maak een foto van dit jonge geluk en houd mij verre van het onthullen hoe het gemiddelde huwelijk afloopt, wie weet gaat “en ze leefden nog lang en gelukkig” in Colombia nog wél steeds op. Vervolgens de realiteit van destijds: la destilería, waarin suikerriet werd omgezet naar suiker en.... rum. Als ik zo'n jaar of 10 geleden in Boca de Nigua in de Dominicaanse Republiek geen kennis had gemaakt met de imposante ruïne van la destilería aldaar, die mijn voorstellingsvermogen dusdanig prikkelde dat ik zelfs dacht door te hebben hoe suikerriet tot zoiets als Bacardi kon worden omgetoverd, zou ik er hier echt niets van hebben begrepen. Nou ja, toegegeven, het bezoek van vorige week aan het Museo de la Caña de Azucar had mijn geheugen natuurlijk al enigszins opgefrist. Maar waar het hier vooral om gaat is de Colombiaanse onafhankelijkheid en de rol die Simón Bolívar daarin tot aan zijn dood heeft gespeeld. Omdat ik eerder in Bogotá al het Casa Museo Quinta de Bolívar bezocht en in Boyacá alles, echt alles, had gehoord en gezien over de beslissende slag in de onafhankelijkheidsstijd tegen Spanje, is de Quinta de San Pedro Alejandrino een beetje mosterd na de maaltijd. Voor Colombianen uit deze kant van het land heeft die echter min of meer dezelfde betekenis als de Delftse Prinsenhof voor Nederlanders: er kwam een einde aan het leven van de Vader des Vaderlands. Met het verschil dat Willem van Oranje werd vermoord en Bolívar een natuurlijke dood stierf. Na ooit met flinke tegenzin een logee uit Buenos Aires naar Delft en de Nieuwe Kerk te hebben vergezeld, kan ik nu tenminste vaststellen dat het door Hendrick de Keyser voor de Prins van Oranje ontworpen praalgraf stukken imposanter is dan Bolívar's marmeren grafmonument in Santa Marta. Maar goed, ik ben hier geheel vrijwillig en laat mij gedwee meeslepen van de ene ruimte naar de andere om aan het slot kennis te mogen maken met het bed waarin El Libertador op 17 december 1830 zijn laatste adem uitblies. Nota bene op dag dat ik 1969 voor het eerst van mijn leven in het huwelijk trad. Nou ja, ik heb het hier wel gezien en wil graag even een kijkje gaan nemen in de wijk waar de Afro-Colombianen wonen. Daarvoor wil Ronald mij de baai nog laten zien, waar ik zowel vanuit de hoogte als vanaf wat lager echt niets aan vind. De Afrowijk moet wat hem betreft dan maar, hoewel liever niet, doch stoppen wil ie niet Dat vindt hij stukken enger dan ik.

wordt vervolgd