|
COLOMBIA – OVER AFRO'S, BOTERO, ESCOBAR & GARCÍA MÁRQUEZ - 32 (28072017)
Vrijdag 17 maart 2017 – El Cantil – Medellín
Mijn oordoppen zijn niet bestand tegen de donderslagen van de tropische onweersbui en de regen die keihard op het blikken dak van de cabaña valt, daardoor ben ik al even na 4 uur klaarwakker. Veel te vroeg, met dank aan het natuurgeweld. Ik kan niet genoeg moed verzamelen om bij het licht van de petroleumlamp een ijskoude douche te nemen en maak me ervan af met een kattenwasje. Dat haal ik later vandaag wel in als ik weer in het hotel in Medellín ben waar het water in de badkamer wel lekker warm is. Volgens mijn ter zake kundige buurman ligt El Cantil in één van de natste regio's ter wereld met een regenval van 9 á 10 liter per jaar. Een getal dat mij niets zegt. Dit jaar zou het extra raak zijn dankzij la Niña. Hij vertelt dat het volgens de lokale bevolking in het regenseizoen iedere dag de hele dag regent en dat er in de droge tijd iedere dag tenminste een stevige bui valt. Ergo: het regent hier alle dagen van het jaar, iets waarover ik ondertussen mee kan praten. Eenmaal terug in Buenos Aires ontdek dat in Nederland gemiddeld 2 liter neerslag per dag valt, waardoor ik vermoed dat er in de omgeving van El Cantil geen 10 liter per jaar valt, maar zo'n 10 liter per dag, een emmer vol. Als we om 7 uur met de lancha naar Nuquí vertrekken, is het nog droog, na de storm van vannacht is de zee weer tot rust gekomen. Helaas begint het halverwege de rit van bijna een uur opnieuw te regenen en niet zo'n beetje. We stappen zeiknat van boord en hebben letterlijk geen droge draad meer aan ons lijf. Het maakt daarom weinig uit dat we vervolgens de paar honderd meter naar de vertrekhal van het vliegveld door de regen, de plassen en de modder moeten lopen. De straten zijn niet geplaveid, het enige dat hier is geasfalteerd, is het start- en landingsbaantje van het vliegveld. Ik doe geen moeite om droge kleren aan te trekken, de natte in mijn reistas te doen en die dan in te checken. Misschien ga ik zo meteen zelfs alweer bijna droog aan boord, want het luchtruim is in verband met het slechte weer tijdelijk gesloten voor de kleine vliegtuigjes die de verbinding met Nuquí onderhouden. De vlucht waarmee ik terugga naar Medellín staat daar nog aan de grond totdat het hier voldoende opklaart. Ik dood de tijd met koffie drinken bij de charmante Afrovrouw die me aanspreekt met “mi amor” en “mi vida” waardoor de toch al smakelijke “tinto” nog beter smaakt. Én ik klets wat met mijn Franse medepassagiers Nicole en Jean. Nicole, die vertelde lang in Kameroen te hebben gewerkt, waarop ik had bekend een paar jaar in buurland Gabon en daarna bijna 10 jaar in het andere buurland Nigeria te hebben gewoond en gewerkt, vindt het vliegveldje van Nuquí net dat van Port Harcourt in de delta van de rivier de Niger. Dat vind ik nogal overdreven, PHC was en is vele maken groter, veel meer een echt vliegveld. Verder waarschuwt ze mij vooral goed uit te kijken in Santa Marta, waar ik begin volgende week naartoe ga, omdat ze daar ooit zijn overvallen. Dan landt ons vliegtuigje zowaar, het is ondertussen half 11 en ik had volgens het oorspronkelijke schema inmiddels in Medellín aan de grond moeten staan. Nu het vliegtuig er is, mogen we door naar de gekoelde wachtruimte. De beveiliger wil mijn instapkaart zien, die we voor deze chartervlucht echter niet hebben gekregen. De passagierslijst wordt gebracht, onze namen worden afgevinkt. Een veel te aardige man met overdreven respect voor buitenlandse toeristen klopt even op de handbagage en dan kan er verder worden gewacht totdat de volgende bui voldoende in kracht is afgenomen. Om kwart over elf is het eindelijk zover, drie kwartier later landen we op het vliegveld waar de Argentijnse tangolegende Carlos Gardel in 1935 het leven liet. Ondanks de urenlange vertraging staat de chauffeur die me naar mijn hotel moet brengen nog te wachten. Met die dienstverlening is niets mis.
Het is kwart voor 1, de receptioniste van het hotel zegt op strenge toon dat ik pas om 3 uur kan inchecken. Haar antwoord past eigenlijk wel bij de sfeer die de interne architectuur van het hotel bij me oproept, die van een gevangenis. De architect moet, al dan niet bewust, zijn geïnspireerd door een traditionele vaderlandse koepelgevangenis zoals ik die van foto's ken: een grote hoge open ruimte met langs de buitenmuur galerijen waarop de celdeuren uitkomen. Hier is de binnenruimte vierkant, heeft die minder licht en is stukken bescheidener van omvang, maar de kamerdeuren die erop uitkomen kunnen de vergelijking met celdeuren moeiteloos doorstaan. Pas als ik om mijn achtergebleven koffer vraag, herkent ze me en is er opeens wel een kamer beschikbaar..... Na de lange warme douche en weer met droge kleren aan, blijken de regenbuien Medellín te hebben bereikt. Precies het duwtje dat ik nodig heb om de rest van de dag vrij te nemen, een boek te lezen en me in alle rust voor te bereiden op de “Gardeldag” van morgen.
wordt vervolgd
|