COLOMBIA – OVER AFRO'S, BOTERO, ESCOBAR & GARCÍA MÁRQUEZ - 26 (09072017)

Zaterdag 11 maart 2017 – Popayán – Cali
Nu ik hier ben en het buiten nog steeds regent, loop ik toch maar even de stukken kleinere tweede kluis in waar onder de noemer “Imagen Regional 8” hedendaagse Colombiaanse kunst wordt getoond. De tegenstelling met de precolombiaanse grotere buren is gigantisch, zowel qua materiaalgebruik als thematiek. “Cuernos de la Abundancia – Hoorn des overvloeds” is volgens de maker een maatschappijkritische installatie van pvc toiletpijpen met aan het uiteinde in plaats van een wc-pot de onverteerde uitwerpselen van de hedendaagse consumptiemaatschappij: blikjes en plastic. Op die manier had ik de Hoorn des Overvloeds – uiteindelijk een metafoor uit de mythologie – niet eerder zien uitgebeeld. “Ofrenda – Offerande”, de kratten van afvalhout die zijn gevuld met zwarte maskers van papier-maché, spreekt me meer aan. Niet zozeer door de uitleg van de maker – ieder van de 33 maskers symboliseert de doden die door geweld in ieder van de 33 regios van Colombia zijn gevallen – wellicht meer vanwege de hoogstwaarschijnlijk niet bedoelde connectie met de traditionele gouden maskers die ik net in de andere kluis zag. Maar, tenminste voor mijn gevoel, eerder nog met de manier waarop de Afrikaanse slaven naar Zuid-Amerika werden getransporteerd. Daarnaast staat de installatie “Do wabura dai bia ozhirada” van het collectief Aguafuerte. Dat is kennelijk in een lokaal dialect iets dat in het Spaans zoveel wil zeggen als “Adiós río que tanto bien nos hiciste – Vaarwel rivier die ons zoveel goeds heeft gegeven.” De ingepakte spullen van mensen die al dan niet gedwongen verhuizen en dan de gekste dingen meenemen, dingen die vervolgens vaak slechts een nostalgische waarde hebben en nauwelijks nut, zoals ik uit eigen ervaring weet. Naar ik begrijp is dit echter een protest namens de bewoners van de oevers van de rivier de Sinú die gedwongen moesten verhuizen in verband met de aanleg van een stuwdam. En ik, zonder eerst die toelichting te hebben gelezen, door de gepakte koffers en zo meer maar denken dat het om immigratie en immigranten ging. Nee dus: gedwongen verplaatsing! Maar desalniettemin mensen die niet vrijwillig en door de omstandigheden gedwongen hun spullen moesten pakken en verhuizen. En dan, dan ervaar ik tot mijn verbazing en verrassing dat zelfs afgedankte en hoogstwaarschijnlijk weggegooide röntgenfoto's opnieuw gebruikt kunnen worden. “Se fueron los Rodriguez – de familie Rodriguez verdween” zo heet de intervencion en el espacio – zeg maar: een ingreep in de ruimte – met een zwerm van tienduizend met de hand uit afgedankte röntgenfoto's geknipte vlinders. Superorigineel! Vlinders die de miljoenen Colombianen representeren die gedwongen door de burgeroorlog en het drugsgeweld naar elders moesten “verhuizen”, een niet te vermijden en vele malen terugkerend thema in dit land. Maar ook de vlinders kom je hier vaker tegen, zoals bij Gabriel Garcia Márquez in “Honderd jaar eenzaamheid” waarin hij Mauricio Babilonia Junior steeds weer laat volgen door een zwerm gele vlinders. De kluizen van de Banco de la República, dat is dus alles wat ik van Cali heb gezien. Degene die mij had verteld dat het de “Salsahoofdstad van de wereld” is met een geweldig zaterdagavond nachtleven, geloofde ik op zijn woord.

Zondag 12 maart 2017 – Cali – Medellín
Over de weg zou de rit van Cali naar Medellín ongeveer 8 uur hebben geduurd, door de lucht ben je er in drie kwartier. Plus natuurlijk de ritten naar en van de vliegvelden en de gebruikelijke wachttijden. Beide steden kennen een behoorlijk gewelddadig verleden, met name toen in de jaren 80 van de vorige eeuw de drugkartels elkaar op leven en dood bestreden om de hegemonie in de cocaïnehandel. Medellín werd daarnaast ook nog eens geteisterd door de eenzijdige terreur van Pablo Escobar en consorten die op die manier uitlevering naar de Verenigde Staten probeerden te voorkomen. Cali vond ik gisteren uiterst vredig terwijl de taxichauffeur die op het vliegveld van Medellín staat te wachten me begroet met de woorden “Welkom in Medellín, welkom in de veiligste stad van Zuid-Amerika.” De stad zelf ligt zo'n 40 kilometer verderop in een lange vallei die 700 meter lager ligt dan het plateau waarop de luchthaven is gevestigd. Als de afdaling wordt ingezet, is één van de weghelften afgezet om zondagse wielrenners de gelegenheid te geven om ongehinderd door het wegverkeer de klim naar boven te kunnen ondernemen. Vrede en rust alom. De stad, althans het gedeelte dat ik in de gauwigheid zie, ziet er modern uit en wekt de indruk het drugsgeweld ruim achter zich te hebben gelaten. De gewelddadige onruststoker Pablo Escobar werd dan ook al bijna 25 jaar geleden, op 2 december 1993, op de vlucht op een dak neergeschoten. De in Medellín geboren beeldend kunstenaar Fernando Botero, de andere grote bekende voor wie ik per se deze stad wilde bezoeken, wijdde daar in zijn o zo herkenbare stijl twee doeken aan die dat mooi laten zien. Wie weet, hangen ze wel in het museum met veel werk van Botero dat ik morgen ga bezoeken.

wordt vervolgd