|
COLOMBIA – OVER AFRO'S, BOTERO, ESCOBAR & GARCÍA MÁRQUEZ - 25 (05072017) Zaterdag 11 maart 2017 – Popayán – Cali YOTOCO. A principios de nuestra era..... – Aan het begin van onze jaartelling verandert er nogal wat in Calima. Het is het begin van de bloeitijd van de edelsmeedkunst, toen begaafde vaklieden grotere en opvallende ornamenten maakten voor de caciques en chamánes. Luidt de introductie bij de vitrines met die ornamenten, die tevens aantonen dat de Caucarivier goudkorrels in overvloed moet hebben bevat. Eenmaal gesmolten werd het ruwe goud net zo lang met een hamer geklopt totdat het een dun plaatje was dat met fijnere instrumenten werd bewerkt om reliëf te creëeren en patronen of lijnen te graveren. Om bijvoorbeeld het dodenmasker voor een hoogwaardigheidsbekleder te maken, dat misschien ook wel liet zien hoe zijn gezicht er had uitgezien. Een aantal ornamenten zijn zodanig uitgestald dat eruit kan worden afgeleid hoe ze werden gedragen, iets dat vrijwel zeker wordt bewezen door de met alle tekenen van waardigheid versierde piepkleine dodenmaskers op een hartvormig borstschild en op de kleinere borstspelden. Daarop zijn de smalle hoofdband, de forse oorringen en de grote in de neus bevestigde versiering te zien die tot over de mond hing. Het zijn wonderschone voorbeelden van hoog ontwikkeld vakmanschap, hetgeen extra wordt benadrukt door de abstracte motieven die langs de randen zijn “gegraveerd.” Hoewel niemand weet of het abstract bedoeld was of dat die patronen met driehoeken, lijnen en puntjes een symbolische betekenis hadden. In de nabootsing van een graftombe staat een houten sarcofaag – een uitgeholde boomstam – centraal. Erin ligt het skelet met een aantal gouden ornamenten, er omheen staan dingen die men in het hiernamaals wel eens nodig zou kunnen hebben: met voedsel gevulde eenvoudige potten en wapens. In één van de vitrines ernaast liggen minuscule gouden voorwerpen die door een vergrootglas moeten worden bekeken, waardoor ik opeens begrijp wat Aníbal mij gisteren vertelde over de volgens het roddelcircuit jattende archeoloog Juan Friede. Als je door ervaring blindelings de weg in een tombe kende, moet het niet al te moeilijk zijn geweest om daar ongezien snel wat uit te jatten en in je zak te laten verdwijnen. Zo klein zijn die dingen. Tenslotte het aardewerk. In de grafkamer staan alledaagse potten. Potten zoals ik zelf jaren geleden overal in Nigeria tegenkwam, die werden daar gebruikt om water te halen of in te bewaren. Oyinbos zoals ik, die naar vormgeving of de soms eenvoudige decoratie keken, die de gangbare prijzen niet kenden – prijskaartjes ontbraken – en lang niet zo goed konden afdingen als de “vaste” klanten, waren zeer welkom. Wat mij zo aantrok was dat iedere regio zijn eigen vormgeving en kleur had, de kleur die afhankelijk was van de plaatselijke grondsoort. Als ik op reis ging zorgde ik ervoor voldoende ruimte in mijn reistas te hebben om tenminste één pot mee terug naar huis te nemen. Wat in Cali in de vitrines staat overtreft dat vele malen. Veel potten zouden een zelfportret van de maker kunnen zijn of het portret van de aanstaande gebruikers met in de neus en de oren, op het hoofd en om de hals de ornamenten die bij hun waardigheid hoorden. Eerbewijzen aan de cacique of de chamán? De schaal op een voetstuk in de vorm van een krokodil (of een kikker?) en aan de buitenkant versierd met slangen werd ongetwijfeld bij ceremonies gebruik, hetgeen misschien ook wel geldt voor de pot met twee dierenkoppen waaruit gedronken kon worden. De pot die ernaast “zit” lijkt minder ceremonieel: een wulpse vrouwenfiguur met de benen gespreid en de armen in de lucht, armen zonder handen zodat uit haar “polsen” gedronken kon worden. Je zou er dorst van krijgen. wordt vervolgd |