|
COLOMBIA – OVER AFRO'S, BOTERO, ESCOBAR & GARCÍA MÁRQUEZ - 24 (02072017) Zaterdag 11 maart 2017 – Popayán – Cali Na zo'n beetje de helft van de ongeveer 125 kilometer tussen Popayán en Cali te hebben afgelegd, staan er met tussenpozen gewapende militairen langs de weg. Bij wijze van groet steken die dienstplichtigen de duim op, Harold, de chauffeur, antwoordt door te claxonneren. Totdat, totdat we kort na het betalen van de tol bij Villa Rica worden gestopt. Niet door soldaten, maar door de Policía Nacional. Of ze de auto “mogen reviseren.” Men wordt, zo begrijp ik, geacht daar zonder verder commentaar mee in te stemmen. We stappen uit en worden gefouilleerd. Rugzak open, schoudertas open, mijn paspoort wordt geïnspecteerd en ik moet het doel van mijn reis uitleggen. Dat ik antwoord “toerist” te zijn en een maand door hun mooie land te reizen, is niet goed genoeg. “Waarom reis je alleen?” willen ze weten “met een leuke chica erbij is het toch veel gezelliger?” Ik maak me ervan af door te zeggen dat ik weduwnaar ben, mijn eerste ex-echtgenote is zo'n jaar of tien geleden overleden, dus ergens ben ik dat ook. Ze vinden het een acceptabele reden en we mogen de reis vervolgen, doch niet voordat ik heb gevraagd wat het doel van de controle was. Ze zeggen op zoek te zijn naar illegale “mercancía” hetgeen ik vertaal naar “drugs.” Een paar dagen later kom ik een paar mensen uit Cali tegen die me vertellen dat Villa Rica op de weg naar Buenaventura ligt. Een havenstadje aan de Stille Oceaan dat bekend staat als smokkelhol van waaruit flink wat drugs naar de westkust van de Verenigde Staten zouden worden gesmokkeld. Ondertussen is vanaf het tolhuisje bij Villa Rica de huidskleur van de bevolking geleidelijk veranderd. In deze streek wonen hoofdzakelijk negros – Afrocolombianen dus – bevestigt Harold. En dan rijden we opeens achter een tren cañero, een truck waar achter een stuk of zes lege “wagons” hangen, laadbakken voor net geoogst suikerriet. Op een parkeerterreintje links van de weg staan een paar van die rietsuikertreinen te wachten om over te steken. Mannen in opzichtige veiligheidsoveralls met een bord PARE in de hand stoppen het verkeer om de “treinen” de weg te laten kruisen. 't Is daarna eigenlijk vanzelfsprekend dat we bij het Museo de la Caña de Azucar uitkomen, dat is gevestigd in de prachtige 18e eeuwse hacienda Piedechincha. Buiten de stijlkamers van de oude herenboerderij, is de collectie nogal eenzijdig. Een overdaad aan “trapiches” de persen die in de loop der eeuwen in verschillende Colombiaanse regio's werden gebruikt om het suikerriet te persen. Ze werden door menskracht – slaven dus – dieren of water aangedreven en werden voortdurend complexer en efficiënter. Op één na zijn ze allemaal van hout, alleen de meest recente is van metaal. Die ligt aan het einde van een schilderachtig aquaduct en wordt aangedreven via een groot waterrad, stukken goedkoper dan mensen of dieren, die niet 24 uur per dag kunnen werken en bovendien gehuisvest en gevoed moeten worden. In een drietal “suikerkeukens” is te zien hoe de guarapo, het sap, tot suiker werd verwerkt, een proces dat nauwelijks afwijkt van wat ik een paar dagen geleden in San José in de panelafabriek zag. En iets anders dat ik tijdens de rondleiding ontdek is dat mijn manier om een museum te bezoeken, dat wil zeggen door naar de geëxposeerde voorwerpen te kijken, begint achter te lopen bij wat hier bij studenten de nieuwe norm schijnt te zijn. Drie jongedames en een jongeman, die samen met mij worden rondgeleid, doen niets anders dan aan de lopende band selfies maken en die gelijk via Twitter of WhatsApp met hun vrienden en met elkaar te delen. De generatiekloof perfect in beeld gebracht. wordt vervolgd |