COLOMBIA – OVER AFRO'S, BOTERO, ESCOBAR & GARCÍA MÁRQUEZ - 23 (30062017)

Vrijdag 10 maart 2017 – Popayán
De tropische regen blijft zonder ophouden met bakken uit de hemel vallen, daardoor is het bezoek aan het Aartsbisschoppelijk Museum voor Religieuze Kunst ook nog eens een behoorlijk praktische keuze. Binnen is het droog nietwaar? Het museum is gevestigd in een groot 18e eeuws patriciërshuis dat ooit het eigendom was van de familie Arboleda, die dat vast en zeker hadden gebouwd met het fortuin dat ze als “negreros” hadden verdiend. Met de “negrería”, de handel in en het houden van slaven. Want, zo staat in een korte introductie bij de museumingang: “Prestantes familias de la ciudad.... – Vooraanstaande families van de stad waren grootgrondbezitters, mijneigenaren, handelaren en negreros.” Het woord staat zelfs vandaag de dag nog in het onlinewoordenboek van de Real Academia Española. Sinds ik een jaar of 20 geleden door mijn werk in Zuid-Amerika terecht was gekoemn, verraste het me steeds opnieuw op hoe ontelbaar veel manieren Bijbelse gebeurtenissen door de eeuwen heen waren verbeeld. Nadat we naar Rio de Janeiro waren verhuisd, prikkelden vooral bezoeken aan de koloniale Portugese kerken van Minas Gerais die belangstelling door de overdaad van de daarin aanwezige religieuze kunst. Na vervolgens in 2001 naar Buenos Aires te zijn verkast, zette dat zich voort tijdens bezoeken aan en reizen door de voormalige Spaanse koloniën.

Als je, zoals ik, calvinistisch bent opgevoed, weet je niet beter dan dat de enige “versiering” in een protestantse kerk een groot kruis is. Meer niet. Het zorgt ervoor dat de kerkganger zich 100% kan concentreren op het woord van God. Dat, in mijn jongere jaren tenminste, steevast door een in een zwarte toga gestoken voorganger vanaf een kansel werd verkondigd. Wat mij betreft een zeer steekhoudende verklaring voor de 16e eeuwse beeldenstorm. Tja, een hele tegenstelling met die rijk gedecoreerde rooms-katholieke kerken, waar destijds het Latijn de voertaal was en de minder hoogopgeleide kerkgangers een soort afleiding nodig hadden die voor hen wél begrijpelijk was. Een oogstrelend beeldverhaal dus. Zo verklaar ik voor mijzelf althans “het waarom” van al die beelden en schilderijen, die altijd aanwezige 14 kruiswegstaties, de vaak kleurig geklede geestelijken en de altaren met edelsmeedwerk. In tegenstelling tot de kerken waar dit alles door elkaar is te zien, is het museum thematisch ingericht. Zo is er een zaal die is gewijd aan het Laatste Avondmaal, een zaal met zilversmeedwerk, een zaal met Italiaanse gravures, een zaal met 14 buitengewoon mooie gouden en zilveren monstransen, een zaal met de prachtige barokke houten heiligenbeelden van Manuel Chili, die overigens beter bekend was als Caspicara – de Houten kop, een zaal met werk van de gebroeders Antonio, Nicolás en Franciso Javier Cortez die in Popayán vast kwamen te zitten door een uitbraak van de pokken en de quarantaine die daarmee verband hield. Net als Caspicara waren zij afkomstig uit Quito, de stad die net als Popayán volgens de Spaanse koloniale indeling in de Real Audiencía de Quito lag, en behoorden tot wat bekend zou worden als de Escuela Quiteña.

Er is ook een aparte zaal is gewijd aan het zeer gevarieerde oeuvre van Bernardo de Legarda, de belangrijkste representant van de School van Quito uit de 18e eeuw. Daar lees ik om te beginnen een summier curriculum vitea vol met superlatieven die nogal overdreven aandoen: “Artista mestizo nacido en Quito de monstruozos talentos y habilitad para todo …... – In Quito geboren halfbloed kunstenaar met een kolossaal talent en vaardigheid voor vrijwel alles: houtsnijden, schilderen, goud- en zilversmeden. De ultieme vertegenwoordiger van de verbeeldingskracht van Quito.” En daar, bij het grote houten beeld van de Virgen de Inmaculada Apocalipsis dat er als bewijs van zijn kunnen naast staat, komt mijn Calvinistische opvoeding onverwacht van pas omdat het verbeeldt wat in Apokalyps/Openbaring, het laatste Bijbelboek waarin door de apostel Johannes het einde der tijden werd beschreven. Over de strijd tussen het goed en het kwaad, over de aanbidding van het Lam Gods, over het Laatste Oordeel, over de draak die een vrouw bedreigt die is bekleed met de zon, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd. In opdracht van de Franciscanen, die verantwoordelijk waren voor de evangelisatie in die regio, vervaardigde hij een beeld van die vrouw dat bekend zou worden als de Virgen de Quito. Het week dusdanig af van wat tot dan toe gebruikelijk was – geen devote Maria, maar een vrouw met vleugels die lijkt te dansen – dat hij zoveel vervolgopdrachten kreeg dat er een massaproduktie op gang kwam, tot en met export naar het “moederland.” Zoals toentertijd gebruikelijk was, had de Lagarde een atelier met medewerkende leerlingen die hem in staat stelden om aan de grote vraag te voldoen. Door onwetendheid mis ik zijn, volgens zeggen, nog mooiere beeld van de Virgen in de katedraal van Nuestra Señora de la Asunción, maar op één of andere manier niet het verkeersbord “PROHIBIDO EL ZIG-ZAG DE MOTOS ENTRE CARROS” dat bromfietsers verbiedt om tussen auto's door te crossen.......

wordt vervolgd