|
COLOMBIA – OVER AFRO'S, BOTERO, ESCOBAR & GARCÍA MÁRQUEZ - 20 (17062017) Donderdag 9 maart 2017 – San Augustín – Isnos – Popayán Terug bij de doorgaande weg staat een wegwijzer met “POPAYÁN – 109km.” In mijn reisprogramma staat: “vervolgens reis je in ongeveer 4 uur door naar Popayán.” Dat zou dus met een gemiddelde snelheid van 27 kilometer per uur zijn. Omdat de eerste kilometers over een redelijk goed begaanbare weg gaan, begrijp ik daar niets van. Totdat, totdat het wegdek van kwaad tot erger wordt en er op een bepaald moment bijna twee uur lang niet meer dan 12 kilometer per uur kan worden gereden. Ik heb op de kilometerpaaltjes langs de weg en op de klok gelet om vast te stellen dat het afleggen van kilometer na kilometer 5 à 6 minuten kostte. In de eerste plaats denk ik dat de auto ongeschikt was voor dit traject, maar het ontbreken van asfalt of beton, de vele gaten in het wegdek en op een gegeven moment de regen, hebben zeker bijgedragen aan de langste 100 kilometers die ik ooit in mijn leven heb afgelegd. Wij werden met enige regelmaat ingehaald en haalden zelf geen enkele keer een andere auto in.... Klimmen en dalen, het regelmatig “poppen” van de oren door de hoogteverschillen, zon, regen en mist, warmte en kilte. Kiezelwegen, wegdek van gemalen dakpannen of bakstenen met de kleur van een tennisbaan die ergens wel mooi contrasteerde met het onafgebroken groene lint langs beide zijden van de weg. Waarschuwingsborden voor militaire controleposten die dan vervolgens onbemand bleken te zijn, verbodsborden voor voertuigen boven een bepaald gewicht en/of boven een bepaalde breedte, waarschuwingsborden voor tapirs en de Andesbeer. Die Danta de Montaña tapirs zouden tot 200 kilo wegen en van de Oso Andino, die ook wel Brilbeer schijnt te worden genoemd, had ik nooit eerder gehoord. Tegen het einde van de weg, vlak voor het dorp Paletare, blijken we door een “páramo” te rijden. De chauffeur weet niet wat het is en eenmaal in Popoyán gearriveerd ontdek ik dankzij de ijverig gemaakte aantekeningen dat dit een uniek neotropisch alpine ecosysteem is dat zich in dit deel van de Andes tussen de boomgrens en de sneeuwgrens bevindt. Tussen 3.500 meter en 5.000 meter en dat het ook wel de “spons van de Andes” wordt genoemd. De velden staan er vol met de Frailejón (Espletia), cactussen met een soort verenhoed, volgezogen met water én beschermd. Ze doen mij aan de cardón (Echinopsis atacamensis) denken die ik zo goed uit de Argentijnse Atacamawoestijn ken, hoewel die niet zo'n mooie verenhoed heeft. Zo'n 50 kilometer voor Popayán is de weg eindelijk weer geasfalteerd. We rijden door een landschap dat me voor de zoveelste keer aan de Franse Vogezen en/of het Maasdal herinnert, hoewel de weg onnoemelijk veel meer bochten heeft. Na ruim 5 uur rijden we Popayán binnen, maar door de verkeersdrukte in de smalle straten duurt het nog eens bijna een half uur voordat ik bij mijn hotel wordt afgezet. Na al die uren schudden en schokken in de auto moet ik eerst een flink stuk wandelen om alle onderdelen die in de buikholte zitten weer enigszins op hun plaats te laten zakken. Tegen een uur of 7, het is hier op nog geen 3 graden ten noorden van de evenaar inmiddels pikdonker, kak ik bij mijn eerste biertje totaal in. Terug in het hotel slaat het noodlot weer eens toe: geen warm water en geen andere kamer beschikbaar. Dan maar niet douchen en hopen dat alles het morgenochtend weer zal doen. wordt vervolgd |