COLOMBIA – OVER AFRO'S, BOTERO, ESCOBAR & GARCÍA MÁRQUEZ - 16 (03062017)

Dinsdag 7 maart 2017 – San Agustín – El Estrecho – Obando – San José – San Agustín
Vanuit het dal van de Estrecho del Río Magdalena rijden we de volgende steile heuvel op. Op de top ligt Obando dat, volgens de bureaucratische indeling van het land die in deze de voormalige Spaanse koloniale indeling volgt, een “corregimento” is. Voor de wat minder formeel ingestelde Colombianen is het een “pobledo,” een dorpje dus. En dat is het dan ook. Dé attractie voor de buitenwereld is het Parque Arqueológico y Museo de Obando, dat bestaat uit een aantal door de plaatselijke bevolking beheerde graftombes en een klein museum met archeologische vondsten. Direct erachter staat een katholieke kerk, hetgeen me niet erg verbaast. De met de Spaanse conquistadores meetrekkende katholieke priesters en monniken bouwden immers vaak een kerk bovenop een bestaand heiligdom van de plaatselijke “heidense” bevolking. De tombes zien er vooral uit als donkere gaten in de grond, die bovendien nogal lijken op de latrines die ik vorig jaar in Nicaragua tegenkwam, met in een hoek een donker gat dat naar de verder vrijwel onzichtbare grafkamer leidt en, zo zou je bijna vermoeden, naar de onderwereld. Mogen ze daarom niet worden bezocht? Het zijn grafkuilen zonder kisten of urnen of zo, doch met varens en ander onkruid erin en met “borrachero” bomen en een waarschuwingsbord ernaast, omdat de bloemen die ze dragen kennelijk levensgevaarlijk zijn. Mooie witte bloemen die, in mijn ogen althans, meer op sierlijke vintage champagekelken lijken dan op levensbedreigend natuurschoon. “Borracho”, zo weet ik, is het Spaanse woord voor dronken, maar in het Nederlands wordt de bloem “engelentrompet” genoemd. Word je er nu tipsy van of overkomt je iets goddelijks, oftewel word je er verschrikkelijk high van? De “Brugmansia,” zoals de wetenschappelijke naam is, is overigens naar de Nederlands arts, natuuronderzoeker en hoogleraar Sebald Justinus Brugmans vernoemd. Zodra ik de verwaarloosde paviljoens zie waarin het museumpje is gevestigd, moet ik onmiddellijk aan de receptie van een bijna failliet Afrikaans safaripark denken. Binnen wordt de kleine, slecht geconserveerde en bijzonder zuinig uitgelichte collectie lokale vondsten getoond: eenvoudig aardewerk, een paar kleine grafmonoliten, maalstenen, een houten suikerrietpers, enige gouden voorwerpen en wat vitrines die op een buitengewoon knullige manier een indruk proberen te geven van het dagelijks leven van de bewoners van weleer. Daarnaast wordt er veel aandacht besteed aan de grootschalige grafroverij die in de regio heeft plaatsgevonden en nog steeds zou plaatsvinden, het onderwerp dat de komende dagen met enige regelmaat aan de orde zal komen.

“In San José, een paar kilometer verderop, staat een panelafabriek. Zin om even te kijken?” vraagt Miguel. Een buitenkans, want dat had mijn uit Bogotá afkomstige chauffeur Harold vast niet geweten. Aan de weg tussen Obando en San José worden de voorbereidingen getroffen om die van een laag asfalt te voorzien. Zoals het hoort in deze streken – hoewel dat best mijn vooroordeel kan zijn – staan vijf mannen toe te kijken hoe er eentje aan het graven is en af en toe iets deponeert op wat uit de verte op een digitale weegschaal lijkt. Een dag later vertelt Ánibal dat er keramiekscherven en kleine gouden voorwerpen zijn gevonden bij de wegaanleg. Grafresten, een bewijs dat er in de regio nog veel werk is te doen voor archeologen. We sukkelen ondertussen achter een met suikerriet beladen vrachtwagen aan die onderweg is naar dezelfde rommelige fabriek als wij. Op het voorterrein ligt veel stookhout en riet, de grote pers draait op volle toeren, ernaast liggen, als grote hooibergen de uitgeperste rietstengels te drogen. We lopen om het fabrieksgebouwtje heen, kloppen aan en vragen of we de fabriek mogen bekijken. Dat mag, ik had eigenlijk niet anders verwacht. We zijn binnen gekomen in de inpakruimte, waar drie mannen met douchekapjes blokken karamelkleurige rietsuiker in plastic zakjes staan te doen die daarna luchtdicht worden afgesloten. In de vochtigwarme naastgelegen ruimte bewonder ik de verrassend eenvoudige transformatie van de guarapo, het suikerrietsap dat ik gistermiddag nog met een rietje uit een glas dronk, naar panela, blokken rietsuiker. Trapsgewijs staan er vier grote roestvrijstalen bakken met in de bovenste de kokende “vuile” guarapo waarvan de rietresten worden afgeschept alvorens de kraan naar de tweede bak wordt opengedraaid. Bak na bak verkleurt het sap en dikt het in om in de onderste bak te eindigen als een stroperige warme dulce de leche met de kleur van karamel. In de inpakruimte staan tafels die zijn afgedekt met een ouderwets tafelzeiltje waarop stukken hout liggen die in elkaar gepast kunnen worden: de mallen voor de nog vloeibare massa zoetigheid. Na te zijn afgekoeld en gehard is de gaurapo definitief de grote rietsuikerklont van ongeveer een kilo geworden die ik een paar dagen later op de markt van Popoyán zie liggen voor de prijs van $3.000 per stuk, dat is €1.

wordt vervolgd