COLOMBIA – OVER AFRO'S, BOTERO, ESCOBAR & GARCÍA MÁRQUEZ - 13 (20052017)

Zondag 5 maart 2017 – Villa de Leyva – Boyacá – Bogotá
Na in het ciclorama van Boyacá helemaal te zijn bijgepraat over de bevrijding van de Spaanse onderdrukking van Colombia en de buurlanden en de hoofdrol van “Vader des Vaderlands” die Simón Bolívar daarbij vervulde, klim ik naar de top van de tegenover gelegen heuvel. Daar staat het 18 meter hoge “Monumento a la Victoria del Libertador Simón Bolívar”, een in 1940 onthuld standbeeld van de hand van de Duitse beeldhouwer Ferdinand von Müller. In de diepte stroomt het niet al te brede en niet al te diepe Río Teatinos die je zo op het eerste gezicht vandaag al pootje badend zou moeten kunnen oversteken. Er ligt een soort Amsterdams grachtenbruggetje overheen dat naderhand gebouwd moet zijn, want zonet nog zag ik binnen de afbeelding van een bruggetje dat uit niet meer dan wat naast elkaar liggende stevige planken of boomstammen bestond. Desalniettemin vind ik het moeilijk voor te stellen dat er hier zo'n belangrijke slag zou zijn geleverd, maar als ik het goed heb begrepen was de waterstand in 1819 stukken hoger en waren die planken de enige plek in de wijde omgeving waar de oversteek naar de andere oever kon worden gemaakt. Zeer strategisch dus. Zo iets als de Rotterdamse Maasbruggen in mei 1940 of de Rijnbrug bij Arnhem in september 1944 bedenk ik naderhand. Ik loop over het bruggetje naar de andere oever en bekijk bekijk daar het standbeeld van bevelhebber en latere vice-president Francisco de Paula en de enorme brok steen die “Piedra de los Ingleses” is gedoopt. De steen van de Engelsen. Een eerbewijs aan het Legión Británica dat deel uitmaakte van het bevrijdingsleger, het was een Vreemdelingenlegioen avant la lettre, dat uit nogal wat na de Slag bij Waterloo werkloze militairen bestond. James Rooke, de commandant, die in het Britse leger tot en met Waterloo had overleefd, werd tijdens de aan Boyacá voorafgaande slag bij Pandan de Vargas zwaar gewond en overleed nadat daar zijn linkerarm was geamputeerd. Alle “slagen” die tijdens de oorlog tussen de Spanjaarden en de Patriotten – de opstandelingen dus – werden uitgevochten, waren van redelijk beperkte omvang in vergelijking met de eerder genoemde Slag bij Waterloo. In Nieuw Granada vochten bij de grotere schermutselingen hooguit een paar duizend man aan iedere kant. En in mijn optiek was het meer een burgeroorlog waarbij de bovenlaag die van Spaanse afkomst was zich wilde losmaken van het moederland. Genoeg “vrijheidsoorlog” voor vandaag, meer dan genoeg Bolívar, terug naar Bogotá.

Hoewel het zondag is, komen we aan de rand van de stad in een opstopping terecht die op een werkdag niet zou misstaan. Niet leuk, want ik wil nog wat door de stad lopen voordat de avond valt. Over de Carrera Séptima slenteren, over de Plaza Bolívar, door la Candelaria struinen. Dat lukt uiteindelijk nog net bij daglicht. Op de Séptima wordt zowaar tango gedanst en op de Plaza Bolívar is een fototentoonstelling in de openlucht waar ik niet veel aan vind. Op de bonnefooi loop ik het Centro Cultural Gabriel García Márquez in, daar wordt in het souterrain de weinig traditionele glaskunst van Marta Isabel Ramírez geëxposeerd. In eerste instantie kan ik niet zoveel met haar werk. Glazen waterdruppels die tegen Esscherachtig gemonteerde spiegels spetteren waarin ik mijzelf veel te vaak terugzie, een installatie van petrischaaltjes, de ronde glaasjes die worden gebruikt om voor onderzoek iets op kweek te zetten. Niet echt bijzonder allemaal totdat ik verrast word door de installatie “Aguacero” die me erg aanspreekt: op de vloer ligt een grote glasplaat die de vorm van een plas regenwater heeft, er boven hangen op verschillende hoogtes vallende glazen regendruppels en de er zijn natuurlijk de nodige die al opspattend in de plas vallen. Een “aguacero”, een plensbui. Het is gewoonweg een onverwachte samenvatting van mijn eerste week in Colombia waarin de ene plensbui na de andere viel.

Maandag 6 maart 2017 – Bogotá – Neiva – San Augustín
De tweede week in Colombia begint met een anekdote van Darío, de chauffeur die me naar het vliegveld brengt. Als het gesprek op Boyacá en Bolívar komt, neemt hij het gesprek over en vertelt me over een historicus die hij voorheen met enige regelmaat moest rijden. “Is het je wel eens opgevallen,” vroeg deze hem eens “dat Bolívar heel anders werd geportretteerd dan zijn collega's? Let er daarbij vooral op hoe hij zijn hand op zijn heup houdt bijvoorbeeld.” Het kwam er kort gezegd op neer dat de houding van de andere legerleiders stukken mannelijker en stoerder was. Daar kwam dan ook nog eens bij dat de man geen nageslacht had en nadat hij op zijn 20ste weduwnaar was geworden – zijn Spaanse vrouw overleed acht maanden na hun huwelijk – nooit opnieuw was getrouwd. Met andere woorden: Bolívar zou homoseksueel zijn geweest. So what? Dat verandert toch niet dat hij leiding gaf aan de opstand die Colombia (toen nog inclusief Panama), Peru, Ecuador, Bolivia en Venezuela “bevrijdde” of zijn plaats in de geschiedenis?

wordt vervolgd