COLOMBIA – OVER AFRO'S, BOTERO, ESCOBAR & GARCÍA MÁRQUEZ - 11 (15052017)

Zaterdag 4 maart 2017 – Villa de Leyva – Raquirá – Villa de Leyva
In Raquirá loop ik een rondje om de kerk en daarna door wat achteraf gelegen straatjes – gevels met wat minder schreeuwende kleuren en met mooie deuren – drink koffie in een panadería en wandel via een omweg terug naar de “hoofdstraat” waar ik noodgedwongen nogmaals langs diezelfde overdaad aan lelijkheid moet lopen. Het dieptepunt ligt echter om de hoek waar achter een souvenirwinkel een groothandel is gevestigd waarvan het enorm grote magazijn is volgestouwd met bruin-oranje keramiek in alle maten en soorten voor in huis en in de tuin. Kikkers, varkens, schildpadden, olifanten, tuinkabouters met een bloempot op de rug. Vierkante en ronde potten van klein tot manshoog en zelfs hoger. Dat alles staat tot bijna aan het dak gestapeld in rekken en in op elkaar gestapelde grote kratten met op de buitenkant een etiket met “MADE IN CHINA.” Er is een apart rek voor de vazen die al het voorgaande nog in smakeloosheid proberen te overtreffen met slechte vormgeving en opzichtige tropische kleuren die zijn gebruikt om de niets voorstellende motieven erop aan te brengen. Die dingen zijn hier haast in iedere winkel te koop, er zal dus wel veel vraag naar zijn “But not for me,” zoals Frank Sinatra ooit met zoveel overtuiging zong.

Op een leeg terras even buiten de bebouwde kom van Sutamarchán ga ik longaniza proberen. Alvorens te bestellen mag er een stukje worden geproefd, 't is lekker pittig. Het lijkt wel wat op een Nederlands borrelworstje, maar hier wordt het opgediend met kleine aardappeltjes en stukjes banaan, beide gebakken, doch zonder borrel. De bloedworst, die de vorm van een vaderlandse rookworst heeft, sla ik beleefd over. Dat heb ik nooit lekker gevonden. Al etend bestuderen Harold en ik de kaart van de streek waarop een niet geasfalteerde weg staat aangegeven die we zouden kunnen nemen om via een omweg naar het Parque Arqueológico de Monquirá te rijden. “El Infiernito – het helletje” noemden de Spaanse conquistadores het omdat zij vermoeden dat er heidense rituelen plaatsvonden. Matig wegdek, langzaam rijden dus waardoor er meer te zien is. Opnieuw veel plastic kassen, de grond moet behoorlijk vruchtbaar zijn. Dan, totaal onverwacht, links de poort van de “Viñedo Ain Karim,” waar achter een “volwassen” wijngaard ligt die er stukken professioneler uitziet dan die van vanmorgen. Het wijnhuis kan volgens het bord bij de poort alleen van maandag tot en met vrijdag worden bezocht, vandaag dus niet. Wel raar, hebben Colombianen tijdens het weekeinde dan soms geen zin in of tijd voor een uitje? Er komt ons een man op een fiets tegemoet, een praatgrage man bovendien die zich voorstelt als William. Hij vertelt dat het wijnhuis, ondanks wat er op het bord staat, open is en dat er rondleidingen zijn. Een rondleiding hoeft niet echt voor mij, maar ik ben wel in de stemming om een glas van de hier geproduceerde wijn te gaan proeven. Ook dat kan, maar eerst lees ik in het proeflokaal dat toen Pablo Toro hier een jaar of dertig geleden met de wijnbouw begon dit als een “quijotada” werd gezien. Oftewel een gevecht tegen windmolens in een regio waar geen tot dan toe druif werd geteeld en waarvan algemeen werd aangenomen dat een druivenstok er niet zou overleven. Het bewijs van het tegendeel is echter te zien én te proeven. De Cabernet Sauvignon Reserva van de Marqués de Villa de Leyva – het merk van het wijnhuis – bijvoorbeeld, smaakt meer dan lekker. Terwijl het beeldmerk van het huis, dat vaag aan een hakenkruisje doet denken, me vast voorbereid op het bezoek aan de nalatenschap van de Muiscas die hier de scepter zwaaiden totdat de Spanjaarden de teugels overnamen.

Het dreigt te gaan regenen. De receptioniste van het kleine openluchtmuseum Parque Arqueológico de Monquirá ontvangt mij met de mededeling dat de gidsen naar de stad zijn om te lunchen en dat er nu even geen folders met bezoekersinformatie beschikbaar zijn. Of ik desondanks het museum wil bezoeken en de 7 duizend Pesos – nog geen 2 Euro – entree wil betalen. Natuurlijk wil ik dat. Ik sta voor een grote weide waarop twee kennelijk belangrijke aspecten van de Muiscacultuur zijn te zien: de astrologie en de vruchtbaarheid. Dat is vormgegeven door twee lange rijen stenen “paaltjes” die oost-west in de grond zijn geplaatst, het zou een zonnewijzer zijn, en door een zo gauw niet te tellen aantal uit harde steen gehakte fallussen die fier rechtop – hoe anders? – in de aarde staan. Dik, dun, lang, kort, alle variaties die de natuur kent. Soms is de maatvoering nogal overdreven, er staan exemplaren tussen die zeker tweeënhalve meter hoog zijn, zo niet meer. Het begint hard te regenen, ik ga schuilen in een gebouwtje dat onderdak biedt aan de administratie en de toiletten en probeer van daaruit een patroon te ontdekken in de opstelling van al die erecte penissen. Toch wel jammer dat er net nu geen gidsen zijn die mij nadere uitleg zouden kunnen geven.

wordt vervolgd