COLOMBIA – OVER AFRO'S, BOTERO, ESCOBAR & GARCÍA MÁRQUEZ -10 (11052017)

Vrijdag 3 maart 2017 – Bogotá – Zipaquirá – Villa de Leyva
Onderweg van de mijn naar de een stuk verderop geparkeerde auto, heb ik in mijn hoofd nog steeds het beeld van de lange slingerende mijngangen, die ergens wel iets weghebben van de net zo zwak verlichte voetgangersbuis van de Rotterdamse Maastunnel. Wat mij betreft althans. Want iedere vergelijking tussen die Calvinistisch strak getrokken Nederlandse tunnelbuis op de bodem van de Maas en de Colombiaanse mijngangen ergens aan de voet van de Andes die aan alle kanten de meer ontspannen Zuid-Amerikaanse levenshouding lijken te weerspiegelen, gaat verder mank. De confrontatie met de bovengrondse realiteit eist nu echter alle aandacht. Nog eens een beeld van een mijnwerker, de “medaille” die werd toegekend nadat de mijn door de Colombianen werd verkozen tot het belangrijkste “wereldwonder” van het land en nog eens zo'n groot bord met wat extra geboden en verboden die zijn bedacht door voor andere overheden werkende bureaucraten die even niets beters te doen hadden, tot zelfs het advies om vooral naar het toilet te gaan voordat je de mijn betreedt..... De koloniale Plaza Mayor, het centrale plein van Zipaquirá, is zo'n plaza die je waar dan ook in Midden- of Zuid-Amerika kan tegenkomen: kerk, stadhuis, gerechtsgebouw. Ik stap uit de auto om wat foto's te maken en ontdek dan zowaar iets heel eenvoudigs, sommige mensen zouden het wellicht onbenullig noemen, dat ik nooit eerder heb gezien. Het heeft alles te maken met de dood en de katholieke rituelen rond de dood. Aankondigingen afgedrukt in zwart-wit op grijze A4-tjes en daarna op een houten deur geplakt. Voor de mis voor een begrafenis, voor een mis 1 jaar, 9 maanden en 6 maanden na het overlijden van een broer en twee zussen namens de overgebleven broers en zussen en voor een mis namens vrouw en kinderen 9 dagen na het overlijden van Jose Oliverio Pinzon Sierra. Voor het eerst dat ik dit tegenkom in het toch verschrikkelijk katholieke Latijns-Amerika en jammer dat er geen tijd is om een van de missen bij te wonen. We moeten door, door na Villa de Leyva. Langs de weg veel kassen, kassen die ik vlak voor de landing in Bogotá vanuit de lucht zag. Kassen die van dichtbij ook nog eens heel anders zijn dan die in onze vaderlandse “Glazen Stad”, in plaats van glas is er hier een stevig soort plastic gebruikt. 't Is wel even wennen, maar wellicht is dit goedkoper en net zo effectief. En dan rijden we door het dorp Ubaté met aan de grens van de bebouwde kom een zwartbonte koe op een sokkel waarop “UBATE – capital lechera de Colombia” staat, de melkhoofdstad van Colombia. Het is leuk dat daarvan even later een soort van bewijs wordt geleverd door boeren die in de wei de koeien nog met de hand aan het melken zijn en een paard en wagen beladen met melkbussen en met de waarschuwing “PELIGRO – carro lento” op de achterklep. Langzaam verkeer op de doorgaande weg naar Villa de Leyva, een Spaans koloniaal stadje dat in zijn geheel op de monumentenlijst staat.

Zaterdag 4 maart 2017 – Villa de Leyva – Raquirá – Villa de Leyva
“Raquirá heeft allerlei gekleurde huisjes en staat bekend om zijn aardewerk en Colombiaanse souvenirs,” vermeldt mijn programma. Waar het mij om gaat is het aardewerk, de rest neem ik op de koop toe. De weg loopt door een streek die in een ver verleden supervulkanisch moet zijn geweest. Van dichtbij herken ik de in de loop der tijd door weer en wind gesleten lavastromen en vanuit de verte bewonder ik de structuur die de lavastromen aan het landschap hebben gegeven. En dan word ik verrast door een bord langs de weg die het wijngoed “Umaña Dajud” aankondigt. Colombiaanse wijn? Nooit van gehoord, even een kijkje nemen. Het ziet er niet uit. Niet al te veel nog maar kort geleden aangeplante wijnranken, het gaat nog jaren duren voordat er hier flink wat flessen kunnen worden afgevuld. Halverwege Raquirá ligt het stadje Sutamarchán waar langs de weg op de terrasjes van zo'n beetje alle restaurants, cafés en cafetaria's worstslingers hangen. Longaniza, misschien iets om op de terugweg te proberen. En dan Raquirá dat inderdaad één enkel kleurig straatje heeft met alleen maar souvenirwinkels met opzichtig gekleurde gevels, die nog eens extra worden opgefleurd door fel gekleurde hangmatten, papegaaien en van die dingen die zo irritant klingelen in de wind: een heleboel aardewerk belletjes of staafjes tot en met hele gordijnen. Hier passerende toeristen moeten er dol op zijn, anders zou het natuurlijk niet te koop worden aangeboden. In het Parque Central staan een paar grote keramieken heiligenbeelden. Lokaal aardewerk? Ik meen een zeer onconventionele Maria met het kindeke Jezus op de arm te herkennen. Wat een wansmaak. Tenminste in mijn ogen, want zoals vrijwel overal ter wereld zullen er hier ook vast en zeker de nodige ambtelijke bemoeiingen en wellicht burgerlijke inspraak en een schoonheidscommissies aan te pas zijn gekomen voordat de beelden in de openbare ruimte mochten worden geplaatst.

wordt vervolgd