COLOMBIA – OVER AFRO'S, BOTERO, ESCOBAR & GARCÍA MÁRQUEZ - 7 (30042017)

Donderdag 2 maart 2017 – Bogotá
We rijden twee rondjes door de “zwarte” buurt en zien hooguit tien negros. Wat ik wél overal zie, is een enorme bedrijvigheid van mensen die proberen langzaam rondrijdende automobilisten zoals wij hun winkel of werkplaats binnen te praten, vlaggende jongens en meisjes die auto's proberen hun parkeergarage in te wuiven, maar vooral mensen die er maar wat rondhangen. Het is al snel duidelijk dat ook hier geen Afro-Colombiaanse cultuur is te vinden, wat overblijft is de Calle 63. Daar vinden we moeiteloos het stevig afgesloten gebouwtje waar volgens Google Streetview de Fundación Cultural Colombia Negra zou zijn gevestigd. Als ik uit de auto stap en naar binnen gluur, zie ik slechts een leeg klaslokaal. Een jonge man die er voor de deur op een bankje zit te lezen, zegt dat hij nog nooit van de Fundación heeft gehoord en dat het gebouwtje bij de naastgelegen universiteit hoort. We vragen verder bij het tegenover gelegen internetcafé. De eigenaar zoekt op het internet, waar anders, en vindt uiteraard het gebouw aan de overkant waar volgens hem nog nooit sprake is geweest van Afro-Colombiaanse activiteit. Tijdens de kop koffie op de hoek van de straat kom ik tot de conclusie dat verder zoeken weinig zin heeft. Diana had gelijk, Afrobogotanos zijn slecht georganiseerd en zoeken elkaars gezelschap niet op. En ik? Ik zie ze tot nu toe nauwelijks in het straatbeeld.

Dan maar naar de Quinta de Bolívar. Het huis dat zo'n tweehonderd jaar geleden gedurende tien jaar de residentie van Simón Bolívar was als hij in Bogotá aanwezig moest zijn. De Libertador, zoals hij over het algemeen wordt aangeduid, heette voluit Simón José Antonio de Santísima Trinidad Bolívar y Palacios en had zijn vaste woon- en verblijfplaats in wat wij nu als Venezuela kennen. Zoals ik formeel afkomstig ben uit het Koninkrijk der Nederlanden, heet dat land tegenwoordig voluit República Bolivariana de Venezuela, de Bolivariaanse Republiek. Evenals zijn in 2013 overleden voorganger Hugo Chávez, zwaait de huidige controversiële president Nicolás Madero te pas en te onpas met de “Bolivariaanse grondwet.” In kleine uitvoering lijkt dat behoorlijk op het Rode Boekje van Mao of, nog verder terug, op het protestantse psalmenbundeltje uit mijn eigen jeugd. Ik vloek op deze plek in de kerk door voorzichtig te suggereren dat Bolívar doodgewoon een dwarsliggende elitaire Spanjaard was die eigen baas wilde worden om zijn privileges en die van de tot zijn sociale klasse behorende Spanjaarden te behouden. Als gevolg van zijn “revolutie” wordt hij in deze hoek van Latijns-Amerika echter gevierd als de grote bevrijder van het Spaanse koloniale juk. Wat zich in 1819 losmaakte van het moederland wordt gemakshalve “Gran Colombia” genoemd omdat het korte tijd bestond uit Colombia, Venezuela, Ecuador en Panama. Venezuela en Ecuador gingen hun eigen weg al in 1830, Panama volgde in 1903. Toen ik naderhand door de geschiedenis van de regio ging, las ik dat destijds ook andere Spaanse koloniën – onder andere Puerto Rico en, jawel, Cuba – hadden geprobeerd of overwogen zich aan te sluiten bij de federatie van die vier eerder genoemde landen.

Het huis, ooit een klassiek Spaans koloniaal buitenhuis, werd door de nieuwe regering gekocht en aan Bolivar geschonken uit erkentelijkheid voor diens rol tijdens de onafhankelijkheidsstrijd, hij deed het na zijn gedwongen vertrek cadeau aan een vriend. Diens erfgenamen verkochten het niet veel later alweer vanwege de hoge onderhoudskosten. Vervolgens werd het bijna honderd jaar voor van alles en nog wat gebruikt: van een school voor jonge dames, een gekkenhuis tot en met een leerlooierij en een brouwerij. Iedere keer weer leidde de verandering van gebruiker tot aanpassingen, waardoor ik me afvraag of Bolívar het wel zou herkennen indien hij in de gelegenheid zou zijn om het vandaag samen met mij te bezoeken. Eerst maar een wandeling door de grote tuin, hetgeen wordt bepaald door de schoolklas die tijdens een dagje vaderlandse geschiedenis net het oude huis van el Libertador van binnen aan het bekijken is. In die tuin een aantal borstbeelden van Bolívar, een gedenksteen die bij de in 1946 geplante Arbol de la Fraternidad Americana – Boom van de (Latijns-) Amerikaanse Broederschap hoort en vlaggen en gedenkstenen van de “broederlanden.” Eenmaal binnen wordt gesuggereerd dat er iemand heeft gewoond die niet op een paar Pesos hoefde te letten, inclusief zijn geschilderde portret en dat van zijn – zoals het hoort - stukken jongere minnares Manuela Sáenz y Aizpuru. Zij stond hem bij tegen het einde van zijn politieke leven en hielp hem in september 1828 te ontsnappen aan een moordaanslag door ontevreden jonge officieren. Gezien de gebruiksgeschiedenis van het huis, lijkt het mij onwaarschijnlijk dat er ook maar iets is te zien dat ooit van Bolívar zelf is geweest, het interieur bestaat eerder uit her en der op de kop getikt en/of geschonken antiek meubilair en zo. Desondanks vind ik het historisch interessant en een goede introductie voor wat er de komende weken verder nog op het programma staat over het afwerpen van het Spaanse koloniale juk en de rol die el Libertador daarbij heeft gespeeld.

wordt vervolgd