COLOMBIA – OVER AFRO'S, BOTERO, ESCOBAR & GARCÍA MÁRQUEZ - 6 (25042017)

Donderdag 2 maart 2017 – Bogotá
Het Casa de la Cultura mag dan wel op de plattegrond staan, het op die plek ook “in het echt” te vinden is een ander verhaal. Samen met Jorge, mijn goedwillende chauffeur, vraag ik de weg aan mensen die in de buurt aan het werk zijn tot en met het baliepersoneel van de woontorens. Allen hebben dezelfde reactie: “Nooit van gehoord.” Al het andere op de plattegrond is er wel, dus moet het Casa er zijn. Ik spreek iemand aan die op het punt staat in zijn langs de weg geparkeerde auto te stappen, hij zegt er wel eens van te hebben gehoord. “Maar,” zo vervolgt hij gelijk, “het is niet in deze buurt.” Op zijn smartphone wordt Google maps erbij gehaald, met als resultaat dat het in de Calle 63 zou zijn gevestigd, aan de andere kant van de stad. Toch wil ik nog niet opgeven, het kan toch niet zo zijn dat men iets dat niet bestaat op een officieel kaartje zet? We steken de straat over en staan na nog geen 25 meter voor een gebouw met een wat uit de toon vallende lichtpaarse gevel waar ik boven de voordeur de steen met “CASA DE LA CULTURA AFROCOLOMBIANA” ontdek. Het zit stevig op slot, de rolluiken zijn omlaag, het ziet er wat verwaarloosd uit. Jorge belt aan bij de bovenburen, de voordeur wordt zowaar geopend, boven aan de trap staat een jonge Afro-Colombiaanse vrouw die bij la Casa blijkt te horen. We leggen uit waar ik naar op zoek ben, zij vraagt ons om even te wachten. Na een paar minuten verschijnt Diana om de voordeur van het Culturele Centrum speciaal voor mij open te doen, kom daar maar eens om in Europa.

Oei, wat valt dat tegen. Een kleine donkere ruimte met daarin hooguit twinitg foto's van de Braziliaanse poëet en fotograaf Damário Dacruz, die in 2010 op 53 jarige leeftijd aan de gevolgen van longkanker overleed. De foto's tonen verschillende kanten van Salvador de Bahia, oude foto's bovendien uit de “meest Afrikaanse stad van Zuid-Amerika”, een stad die ik meerdere malen bezocht toen ik in Rio de Janeiro woonde. Hier ben ik natuurlijk niet naar op zoek in Colombia. Jammer genoeg weet Diana niet veel te vertellen over de activiteiten van la Casa en de Afro-Colombiaanse cultuur en helaas is de directrice van de stichting die dat eventueel wel zou kunnen “op reis.” Op de balie naast de entree liggen wat oude exemplaren van “La Griot – Gaceta Afrobogotana de interés cultural, cientifíco y technológico” het blad van de Afro-Colobianen die in Bogotá wonen. Er wordt uitleg in gegeven over het woord griot dat, in tegenstelling tot West-Afrika, een woord is dat kennelijk niet iedereen kent. GRIOT: Persona transmisora de los saberes del Continente Africano y de sus diásporas en el mundo. Iemand die de kennis over Afrika en de Afrikaanse diaspora doorgeeft. Wel toepasselijk vind ik. Diana bevestigt, wat een opluchting, het bestaan van het “andere casa” in de Calle 63 en vindt het helemaal niet raar dat de mensen die aan de overkant van de straat wonen geen flauw idee hebben dat het culturele centrum hier is gevestigd. “Men is niet geïnteresseerd in onze cultuur.” Weet ze soms of er wijken zijn waar veel Afro-Combianen wonen? Misschien in San Isidro, maar dat is een “localidad”, hetgeen een stadje op zich schijnt te zijn dat uit meerdere barrios – wijken – bestaat. Het begint me duidelijk te worden dat er wel eens geen min of meer “Afrikaanse wijken” zouden kunnen zijn op de hoogvlakte waar de agglomeratie Bogotá ligt, want anders zou of zouden die toch zonder verder na te denken kunnen worden genoemd? Indien iemand mij in Rotterdam zou vragen waar de Kaapverdianen wonen, dan antwoord ik onmiddellijk Delfshaven en als men mij diezelfde vraag stelt in Buenos Aires dan weet ik, mede dankzij een chauffeur die me nogal eens reed toen ik er pas woonde, dat het Avellaneda is.

Onderweg naar de Calle 63 bedenkt Jorge dat we vast en zeker “negros” tegen kunnen komen in de wijk waar je naartoe gaat om je auto goedkoper te laten repareren of onderdelen te kopen, die heet in de volksmond “Plaza de Negros.” Vlak voordat we het stadsdeel Egipto inrijden, wijst hij mij op een gebouw met grote gekleurde vlakken op de gevel dat in Bogotá bekend staat als “el Cartucho – de Inktpatroon.” En, hoewel het niet allemaal primaire kleuren zijn, kan ik me wel vinden in die naam. We naderen de werkplaatsen en het is meteen raak. “Kijk, daar heb je al een negro,” zegt Jorge “maak snel een foto.” Een monteur die een band aan het repareren is, zit met de rug naar me toe, ik schiet een foto. Aan de chauffeurskant van de auto informeert iemand in een overall met overduidelijke Afrotrekken waar we naar op zoek zijn. Waarmee hij uiteraard onderdelen bedoelt. Terwijl ik het keurig over Afro-Colombianen heb, praten de donkere man en Jorge gewoon over “negros.” “Negros zat hier in de wijk, de monteurs”, bevestigt de man.

wordt vervolgd