|
COLOMBIA – OVER AFRO'S, BOTERO, ESCOBAR & GARCÍA MÁRQUEZ - 6 (25042017) Donderdag 2 maart 2017 – Bogotá Oei, wat valt dat tegen. Een kleine donkere ruimte met daarin hooguit twinitg foto's van de Braziliaanse poëet en fotograaf Damário Dacruz, die in 2010 op 53 jarige leeftijd aan de gevolgen van longkanker overleed. De foto's tonen verschillende kanten van Salvador de Bahia, oude foto's bovendien uit de “meest Afrikaanse stad van Zuid-Amerika”, een stad die ik meerdere malen bezocht toen ik in Rio de Janeiro woonde. Hier ben ik natuurlijk niet naar op zoek in Colombia. Jammer genoeg weet Diana niet veel te vertellen over de activiteiten van la Casa en de Afro-Colombiaanse cultuur en helaas is de directrice van de stichting die dat eventueel wel zou kunnen “op reis.” Op de balie naast de entree liggen wat oude exemplaren van “La Griot – Gaceta Afrobogotana de interés cultural, cientifíco y technológico” het blad van de Afro-Colobianen die in Bogotá wonen. Er wordt uitleg in gegeven over het woord griot dat, in tegenstelling tot West-Afrika, een woord is dat kennelijk niet iedereen kent. GRIOT: Persona transmisora de los saberes del Continente Africano y de sus diásporas en el mundo. Iemand die de kennis over Afrika en de Afrikaanse diaspora doorgeeft. Wel toepasselijk vind ik. Diana bevestigt, wat een opluchting, het bestaan van het “andere casa” in de Calle 63 en vindt het helemaal niet raar dat de mensen die aan de overkant van de straat wonen geen flauw idee hebben dat het culturele centrum hier is gevestigd. “Men is niet geïnteresseerd in onze cultuur.” Weet ze soms of er wijken zijn waar veel Afro-Combianen wonen? Misschien in San Isidro, maar dat is een “localidad”, hetgeen een stadje op zich schijnt te zijn dat uit meerdere barrios – wijken – bestaat. Het begint me duidelijk te worden dat er wel eens geen min of meer “Afrikaanse wijken” zouden kunnen zijn op de hoogvlakte waar de agglomeratie Bogotá ligt, want anders zou of zouden die toch zonder verder na te denken kunnen worden genoemd? Indien iemand mij in Rotterdam zou vragen waar de Kaapverdianen wonen, dan antwoord ik onmiddellijk Delfshaven en als men mij diezelfde vraag stelt in Buenos Aires dan weet ik, mede dankzij een chauffeur die me nogal eens reed toen ik er pas woonde, dat het Avellaneda is. Onderweg naar de Calle 63 bedenkt Jorge dat we vast en zeker “negros” tegen kunnen komen in de wijk waar je naartoe gaat om je auto goedkoper te laten repareren of onderdelen te kopen, die heet in de volksmond “Plaza de Negros.” Vlak voordat we het stadsdeel Egipto inrijden, wijst hij mij op een gebouw met grote gekleurde vlakken op de gevel dat in Bogotá bekend staat als “el Cartucho – de Inktpatroon.” En, hoewel het niet allemaal primaire kleuren zijn, kan ik me wel vinden in die naam. We naderen de werkplaatsen en het is meteen raak. “Kijk, daar heb je al een negro,” zegt Jorge “maak snel een foto.” Een monteur die een band aan het repareren is, zit met de rug naar me toe, ik schiet een foto. Aan de chauffeurskant van de auto informeert iemand in een overall met overduidelijke Afrotrekken waar we naar op zoek zijn. Waarmee hij uiteraard onderdelen bedoelt. Terwijl ik het keurig over Afro-Colombianen heb, praten de donkere man en Jorge gewoon over “negros.” “Negros zat hier in de wijk, de monteurs”, bevestigt de man. wordt vervolgd |