COLOMBIA – OVER AFRO'S, BOTERO, ESCOBAR & GARCÍA MÁRQUEZ - 4 (14042017)

Woensdag 1 maart 2017 – Bogotá
We lopen door een dure winkelstraat richting Museo del Oro. In de bestrating zijn wat resten bewaard van de tramrails van voorheen en er wordt een toelichting gegeven over de tramvías – de tramlijnen – die hier vroeger deels het openbaar vervoer verzorgden. En dan uit het niets, links in de gevel tussen twee winkelpuien een aantal kleine en één grote zwarte gedenksteen, erboven een geschilderde portret van iemand die een toespraak lijkt te houden, vlak eronder hangt een kleine rouwkrans van verlepte bloemen. De rode letters die in een kleine witte steen zijn gehakt “AQUI CAYO - JORGE ELIECER GAITAN – CAUDILLO DEL PUEBLO” verklaren alles, het monument herdenkt de hier op 9 april 1948 vermoorde advocaat, politicus en kandidaat voor het presidentschap. Er gaat gelijk een lichtje bij mij branden, want over die moordaanslag en de felle straatprotesten die erop volgden schreef Gabriel García Márquez uitgebreid in zijn autobiografie “Leven om het te vertellen.” Het verbaast me dan ook niets dat alle gebouwen langs deze Carrera Séptima redelijk recent zijn, want als reactie op de moord op Gaitán stroomden zijn aanhangers naar het stadscentrum, plunderden de daar gevestigde duurste winkels van Bogotá en staken de boel vervolgens in de fik. De schrijver, die destijds student was en vlakbij de plek des onheils woonde, was er getuige van hoe Juan Roa Sierra, de vermoedelijke moordenaar, door een woedende menigte van de politie werd “overgenomen,” werd doodgeslagen en hoe zijn lichaam vervolgens naar de nabijgelegen Plaza Bolívar werd gesleept. Márquez, die een maand eerder zijn 21ste verjaardag had gevierd, nog weinig in politiek geïnteresseerd was en rechten studeerde, schrijft: “Ik was me er geen moment van bewust dat ik al een beginnend schrijver was die ooit zou proberen aan de hand van zijn geheugen de gebeurtenissen van die afgrijselijke dagen te reconstrueren.” Tijdens wat naderhand als “el Bogotazo” de geschiedenis in zou gaan, werd Gabriel García Márquez dus de schrijver aan wie in 1982 de Nobelprijs voor de Literatuur zou worden toegekend.

Op de omslag van het boek “De vorm van ruïnes” van de Colombiaanse schrijver Juan Gabriel Vásquez, waarvan de Nederlandse vertaling zo'n beetje wordt gepubliceerd op de dag dat ik bij dit monument sta, staat een foto van Gaitán. Bij de recensie in de NRC staat een foto afgedrukt van de Carrera Séptima tijdens de onlusten die op zijn moord volgden, op die foto zijn omvergegooide en brandende trams te zien en vooral veel rook die afkomstig is van gebouwen die in brand zijn gestoken. De relatieve nieuwbouw verklaard..... Net als García Márquez studeerde Vásquez rechten in Bogotá en net als García Márquez werd hij – hoewel hij pas 25 jaar na die gebeurtenis werd geboren – aangezet tot het schrijverschap door de moord op Gaitán. Vásquez werd er volgens eigen zeggen door een “informant” van overtuigd zijn roeping als schrijver te volgen, een informant die hem op sleeptouw nam met details en achtergronden van de moord. Ger Groot, de recensent van de NRC die volgens de Wikipedia “filosoof en ex-katholiek atheïst” is, is niet al te enthousiast over het resultaat: “Vásquez, wel eens de opvolger van García Márquez genoemd, wil de geschiedenis van zijn land Colombia vertellen, maar maakt zich er met een jantje-van-leiden vanaf.” Toen ik dat las, vroeg ik mij af of die ex-katholieke atheïstische filosoof soms net zo weinig kennis van de Colombiaanse geschiedenis bezat als de gemiddelde Nederlandse cocaïnesnuiver. Vijf van de zes boeken van Vásquez die in mijn bibliotheek staan, hebben mij in ieder geval voldoende kunnen boeien, vooral omdat die een bekende historische gebeurtenis als thema hebben dat op zijn manier wordt belicht. Zo is dat in de “Historia secreta de Costaguana” bijvoorbeeld de in het begin van de vorige eeuw door de Verenigde Staten met militaire- en financiële middelen ondersteunde afscheiding van de provincie Panama van Colombia. Noord-Amerikaanse machtspolitiek met als doel het Panamakanaal aan te kunnen leggen om niet langer via Kaap Hoorn van de Amerikaanse havens gelegen aan de Atlantische Oceaan naar de havens gelegen aan de Stille Oceaan te moeten varen. Aldus ontstonden vrijwel gelijktijdig de onafhankelijke Republiek Panama en de door de Verenigde Staten gecontroleerde Panamakanaalzone. Die laatste zou gaan bestaan uit het nog aan te leggen kanaal en een strook land van ongeveer 8 kilometer aan beide zijden daarvan die in eeuwigdurende “bruikleen” werden afgestaan en het nieuwe land in tweeën deelde. Ik herinner me als de dag van gisteren de eerste keer dat ik voor mijn werk in Panama City was en we onderweg van het vliegveld naar kantoor langs een controlepost reden die voorheen toegang gaf tot de Canal Zone. “Panamezen mochten hier niet naar binnen, tenzij ze een pasje hadden omdat ze voor de Amerikanen werkten”, vertelde me ruim zes jaar na de teruggave de nog steeds verontwaardigde Panamese collega. Als ik naderhand met het ooggetuigeverslag van García Márquez in mijn achterhoofd het eerste hoofdstuk van “De vorm van ruïnes” lees, vind ik dat de recensent van het boek er echt helemaal niets van heeft begrepen.

wordt vervolgd