OVER QUIPUS, CHEMAMÜLLES, NERUDA, CHE EN EEN PAUS - 9 (16062018)

Laat ik het gelijk maar bekennen: op de meest onmogelijke plekken ter wereld waar ik “vaderlandse geschiedenis” tegenkom, wil ik graag weten hoe onze voorouders er terecht kwamen en wat ze er te zoeken hadden. Vandaag komt dat in het Museo de Puerto Montt Juan Pablo II door de uit 1643 daterende Nederlandse plattegrond van Ancud, het op één na grootste stadje op het nabij gelegen eiland Chiloé. Niet dat het een origineel is, volgens het bijschrift is dat in het bezit van de Universiteitsbibliotheek van het Duitse Göttingen. Het wekt dus eigenlijk nauwelijks verbazing dat maar weinig hedendaagse Nederlanders ook maar iets afweten van de poging om in de jaren veertig van de 17e eeuw in Chili een Nederlandse kolonie te vestigen. Toegegeven, toen ik op 1 april 2012 door Ancud wandelde en rondkeek in het kerkje dat op die plattegrond staat, was ik wel op de hoogte van de kortstondige aanwezigheid van onze landgenoten op Chiloé, doch zonder veel details te kennen. In 1643 was de eindeloze Tachtigjarige Oorlog met Spanje (1568 – 1648) nog immer in volle gang en was Johan Maurits van Nassau-Siegen – jawel, dezelfde die in Den Haag het Mauritshuis heeft laten bouwen – in Recife namens de West-Indische Compagnie gouverneur-generaal van Nederlands-Brazilië. Daaraan heeft hij zijn bijnaam “de Braziliaan” te danken, hoewel hij in andere kringen bekend staat als “de Slavenhandelaar,” want dat is wat hij deed om zijn economisch verlepte Braziliaanse kolonie er bovenop te helpen.

In januari 1643 vertrok een expeditie onder leiding van Hendrick Brouwer uit Recife. Zijn opdracht was om de verlaten Chileense stad Valdivia in bezit te nemen, te versterken en een kolonie te vestigen in door de Spanjaarden gedomineerd gebied aan de westkant van Zuid-Amerika. Wat ik zo mooi vind is dat in Brouwer's marsorders stond dat hij de “ware gereformeerde religie in die quartieren” moest bevorderen en “alle heijdensche blintheijt ende superstitiën des pausdoms” moest wegnemen. Maar verder ging het hoofdzakelijk over het veroveren van de hoog in de Andes gelegen Spaanse zilvermijnen van Potosi, een mijnstad in het hedendaagse Bolivia. Hoe rijk die mijnen wel niet waren, was al in 1628 duidelijk geworden toen de eveneens in dienst van de West-Indische Compagnie zijnde Piet Hein in de buurt van Cuba de jaarlijkse Spaanse Zilvervloot kaapte. Iets waar we bijna 400 jaar later nog altijd over zingen. Er speelde echter meer. De WIC mocht niet om “de Kaap” naar Indië varen, dat was het monopolie van de VOC, de Vereenigde Oost-Indische Compagnie. De WIC was druk doende een weg rond het meest zuidelijke punt van Amerika naar dezelfde bestemming te vinden. En passant werden de nodige ontdekkingen gedaan, die door de cartografen aan boord van de schepen werden vastgelegd en vrijwel steevast werden vernoemd naar hen die hun salaris betaalden of die ze goed kenden, fantasienamen waren er zelden bij. Het ging zelfs zover dat nadat Brouwer aan boord van zijn schip was overleden, maar er vooraf op had gestaan aan land te worden begraven, Valdivia werd omgedoopt in Brouwershaven. Tijdelijk, dat wel, want de Nederlanders moesten zich al snel weer terugtrekken en de teruggekeerde Spanjaarden wisten alle sporen van Brouwer's aanwezigheid direct weer uit. Zijn stoffelijke resten werden zelfs opgegraven en verbrand en Brouwershaven heette voortaan gewoon weer Valdivia.

In het museum wordt veel aandacht besteed aan Monte Verde, maar op een manier die mij in ieder geval niet erg aanspreekt: vooral veel tekst. Wat is er toch met al die voorwerpen gebeurd die daar volgens de tekst werden opgegraven en die ergens in een plaatselijk museum te zien zouden moeten zijn? Als ik navraag doe, is de schouders ophalen het antwoord van weinig woorden. Voor het lezen van lappen tekst ben ik hier niet naartoe gekomen, ik wil objecten zien. Nou er zijn er aardig wat die de grote aardbeving van 1960 hebben overleefd, zoals klokken die op het moment van de beving stil zijn blijven staan. Ook al niet mijn ding. En dan, als klap op de vuurpijl, is de laatste zaal volledig gewijd aan het bezoek dat Paus Johannes Paulus II op 4 april 1987 aan Puerto Montt bracht. Allereerst is er een gedenksteen die de Poolse Paus de hemel inprijst, voor zover dat in zijn geval nodig zou zijn, als zijnde “Mediador de Paz entre Chile y Argentina.” Dat vanwege de bemiddeling van het Vaticaan in het slepende grensconflict tussen beide landen over een paar eilandjes – Picton, Lennox en Nueva – in het Beaglekanaal dat in 1978 bijna tot een oorlog leidde. Wat niet wordt vermeld, maar wat men toen nog niet kon weten, is dat Johannes Paulus een paar dagen eerder de streng katholieke Generaal Pinochet ervan zou hebben overtuigd om Chili terug te laten keren naar een democratie. Na afloop van zijn bezoek werd de doodgewone stoel waarop hij in Puerto Montt tijdens de mis had gezeten, gepromoveerd tot een museumstuk. Tot een min of meer Heilige Stoel, die nu het pronkstuk van het museum is.

wordt vervolgd