OVER QUIPUS, CHEMAMÜLLES, NERUDA, CHE EN EEN PAUS - 5 (24052018)

Pablo Neruda zou postuum best wel eens erg content kunnen zijn dat het Nationale Spoorwegmuseum zijn naam draagt, maar niemand die dat weet omdat hij al lang was gaan hemelen toen die beslissing werd genomen. Als overtuigd communist, tot afschuw van sommige partijgenoten zelfs fervent Stalinist, vertegenwoordigde hij na zijn diplomatieke carrière de arbeidersklasse – en dus ook de spoorwegarbeiders toch? – in de Chileense senaat. Nu heb ik alle drie de huizen bezocht die hij bij zijn leven bezat in Santiago de Chile, Isla Negra en Vaparaíso die, hoewel ik hem dat geenszins misgun, allesbehalve getuigen van een erg proletarische levenswijze. Maar ja, zo was en is er wel meer in het conservatief katholieke Chili dat behoorlijk tegenstrijdig is. Echtscheiding en abortus waren tot voor kort wettelijk verboden voor de gelovigen, terwijl de beroepsgelovigen – de clerus dus – zich zonder enige restrictie naar hartelust kon vergrijpen aan de kinderen van hun parochianen. Dat alles weerhoudt de Chilenen echter niet om Jezus en Maria te blijven vereren en de gedichten en boeken van Neruda te blijven kopen en lezen. Je moet de medemens tenslotte ook iets gunnen of hun gedrag wellicht als heel gewoon of onvermijdelijk accepteren. Al dat overdenkend, loop ik via de achteringang aan de overkant van de spoorlijn het meest poëtische museum binnen dat ik ooit bezocht. Over het terrein verspreid staan op sokkeltjes kleine koperen platen waarin een gedicht of wat versregels van de naamgever van het museum zijn gegraveerd. Bijvoorbeeld dit citaat uit Sueños de trenes: “Estaban soñando los trenes ….... De treinen stonden te dromen in het station, weerloos, zonder locomotieven, in slaap.”

Dromende en vooral weerloze roestende treinstellen zat in het museum én weerloze locomotieven in alle denkbare maten en soorten. Die locs staan zij aan zij naast elkaar geparkeerd in het CASA DE MÁQUINAS, de bijzondere in een cirkelvorm gebouwde voormalige onderhoudswerkplaats. Als paarden in een stal met boxen staan ze daar met de kont naar achteren en de neus naar het midden van de cirkel gericht. Vanuit iedere box loopt er een korte rail naar de middencirkel die wordt gevormd door een diepe smeerput, van waaruit er vervolgens een langere rail terug naar de spoorlijn loopt zodat ze na onderhoud of reparatie terug aan het werk konden gaan. De rail die, te zien aan het gras wat er tussen en overheen is gegroeid, al lang geleden voor het laatst dienst heeft gedaan. Er staan houtgestookte en kolengestookte locomotieven van het soort dat je in vrijwel iedere klassieke Amerikaanse western ziet: Made in USA by Baldwin – de Chilenen hebben er fonetisch Baldwuin van gemaakt – in Philadelphia of door Mitsubishi in Japan. Het museum schaamt zich er niet voor om bijna schroot of flink gevandaliseerde treinstellen vol met graffiti in het zicht van de bezoeker te parkeren. Ik vermoed dat die nog net van de schroothoop werden gered en op geld voor een opknapbeurt wachten om daarna hun museale rol te gaan vervullen. Een ander origineel gebouw dat tussen die aftandse treinen staat is de 40 meter hoge Carbonera, de kolensilo. Een stoer bouwwerk waar de stoomtreinen kolen innamen om vervolgens weer aan de slag te gaan, het doet mij heel erg denken aan zo'n uit de kluiten gewassen graanelevator waar de Rotterdamse Maashaven vroeger vol mee lag. Ik loop om de onderhoudswerkplaats heen, aan de buitenkant stelt het niets voor, puur functioneel en op geen enkele manier zelfs maar een hint naar wat er binnen is te zien. Aan die buitenkant staat ook het skelet van de Maestranza, de totaal vervallen en letterlijk dakloze werkplaatsen van weleer. Ik ben geen treinenthousiast, dit is voor het eerst en voor het laatst van mijn leven dat ik een spoorwegmuseum bezoek en alleen maar omdat ik meer te weten wilde komen over de Neruda-connectie waarover ik in zijn door Adam Feinstein geschreven biografie “Pablo Neruda, a passion for life” had gelezen.

Ik loop verder langs de spoorlijn richting centrum en kom al doende geheel onbedoeld bij het station van Temuco terecht, waar de enige vorm van bezigheid de verkoop van aan een boom vastgebonden schapen op de stoep bij de ingang is. Verder heerst er doodse stilte. Toch maar even in de hal en op het perron kijken, waar ik de dienstregeling van Ferrocarriles Suburbanos SA ontdek: drie diensten per dag naar een paar omliggende plaatsen, maar uitsluitend op werkdagen tijdens het spitsuur. De treinen hebben er alle tijd om te dagdromen, want veel anders is hier niet te doen. Het stationsbouw is redelijk verwaarloosd, de lichtbak waar TEMUCO in zou moeten staan is vernield, op de zijsporen staan wat met hout beladen goederenwagens te wachten op een locomotief. De waterkolom, die voorheen diende om de tanks van de stoomtreinen te vullen, staat er verlaten tussen en is, net zoals de hoogdravende odes die Pablo Neruda tijdens de glorietijd van de trein dichtte, een nutteloos object dat alleen nog maar herinnert aan een tijd die voorgoed voorbij is.

wordt vervolgd