OVER QUIPUS, CHEMAMÜLLES, NERUDA, CHE EN EEN PAUS - 4 (16052018)

Bij daglicht en met de bus, zo heb ik me voorgenomen deze keer door het midden van Chili, over de Andes en tenslotte via Bariloche in het zuiden van Argentinië terug naar Buenos Aires te reizen. Deze keer maar eens niet door de lucht of door de nacht met de langeafstandsbus, deze keer maar eens met eigen ogen zien hoe deze delen van Chili en Argentinië er overdag uitzien. 't Is geen overdadig luxe touringcar of zo die me de ongeveer kilometer naar het zuiden zal vervoeren en daar een uur of 11 over zal doen. Maar wat wil je als je voor tienduizend Chileense Pesos een dergelijke reis kunt maken. Minder dan €15! We rijden Santiago de Chile uit langs buitenwijken die geleidelijk aan armoediger worden, zoals te doen gebruikelijk in grote stedelijke agglomeraties in Latijns-Amerika. Daarna het platteland. Veel wijnbouw, wijngaarden die afsteken tegen kale droge heuvels, nieuwe woonwijken die wel wat weghebben van Zuid-Afrikaanse townships die ik me van buiten Kaapstad herinner met dezelfde rechte straten en allemaal dezelfde huizen. En dan weet je dat in dit smalle land aan de rechterkant altijd de onzichtbare Stille Oceaan ligt en aan de linkerkant de Cordillera de los Andes die nooit uit beeld is. Eentonig saai en “waar ben ik aan begonnen?” zonder dat er een weg terug is. Pas na een uur of vijf gaat de weg enigszins klimmen en begint de eindeloze bosbouw en dus saaiheid van een andere soort. Tegen het eind van de middag eindelijk de moderne busterminal van Temuco die, net als het vrijwel nieuwe hotel, aan de rand van de stad ligt. Met als gevolg dat ik niet eens een eerste indruk krijg van hoe het stadje eruit ziet.

Mijn eerste doel van de nieuwe dag is een bezoek aan het Museo Nacional Ferroviario Pablo Neruda, het naar de schrijver vernoemde nationale spoorwegmuseum. Op de stadsplattegrond probeer ik eerst de weg te vinden om daar naartoe te wandelen en hoe daarna naar het Edificio Marsano waar Che Guevara en zijn reisgenoot Alberto Granado in 1952 door journalisten van het dagblad El Diario Austral werden geïnterviewd. Een taxi nemen zou natuurlijk het eenvoudigst zijn, maar lopend zie je nu eenmaal meer en kan je onderweg als het zo uitkomt een praatje aanknopen. Eerst de spoorlijn opzoeken want, zo heb ik gezien, als ik die eenmaal te pakken heb, kan het niet fout gaan. De grote weg oversteken, daarna dwars door een woonwijk die voornamelijk bestaat uit lage kleine houten huisjes die niet van een hoog welvaartsniveau getuigen. Op een bepaalde manier heeft het wel wat weg van de naoorlogse Rotterdamse nooddorpen, hoewel het rechttoe rechtaan stratenplan en de grijze uniformiteit hier ontbreken. Dichter bij het spoor worden de huizen wat groter en hebben af en toe zelfs twee verdiepingen, maar ze stralen nog steeds geen rijkdom uit. Bij de spoorlijn ook gelijk al de eerste spoorwegovergangen met de nodige waarschuwingsborden: dat er moet worden gestopt, dat het een enkel spoor is, dat het een onbewaakte overgang is en een bord dat ik nog nooit van mijn leven heb gezien dat aangeeft dat het juist wel een met slagbomen beveiligde overgang is. Het maakt allemaal weinig uit omdat er hier nauwelijks nog treinen rijden.

Twee maanden na Neruda's geboorte in juli 1904 overleed zijn moeder, waarna zijn vader naar de jonge stad Temuco verhuisde. Neruda, die toen nog zoals hij gedoopt was Ricardo Eliécer Neftali Reyes Basoalto heette, zou er tot zijn het einde van zijn middelbare schooltijd wonen én er zijn eerste gedichten schrijven. Eén van de odes die hij naderhand zou dichten heet “Oda a los trenes del sur,” een ode aan de zuidelijke Chileense spoorwegen waar zijn vader werkte en die rond de vorige eeuwwisseling van groot belang waren voor de ontsluiting van het zuiden van Chili. Voor de autoriteiten voldoende aanleiding om het museum met Neruda's naam te sieren. Achteraf bedenk ik dat ze op die manier het Utrechtse Spoorwegmuseum best zouden kunnen omdopen in het “Bob den Uylmuseum” omdat die ooit een boek met de titel “de Bloedende Trein” schreef en veel per trein reisde. Bob was lange tijd mijn favoriete schrijver die, toen hij in de jaren 70 van de vorige eeuw werd hij een tijdje in de Hoeksche Waard werd verzorgd door de als verpleegskundige opgeleide dichteres Hannie Groen, een tijdje bijna mijn buurman was. Voor de Nobelprijs werd hij nooit voorgedragen, maar zijn naam wordt in ere gehouden dankzij de Bob den Uyl-prijs, die sinds 2004 jaarlijks wordt toegekend aan de schrijver van het beste reisboek. Laat ik nu gelijk ook maar bekennen dat toen ik vorig jaar een paar van Bob's boeken uit de 20ste eeuw ging herlezen, ik die behoorlijk gedateerd vond. En wat Neruda betreft: Chileense collega's gaven mij de afgelopen jaren een paar keer de “20 Poemas de amor y una cancíon desesperada – 20 Liefdesgedichten en één wanhoopslied“ cadeau. Het temperatuurverschil tussen hun Latijnse en mijn Friese bloed zorgde er echter voor dat zij die fantastisch vonden en ik het nogal overdreven.

wordt vervolgd