|
OVER QUIPUS, CHEMAMÜLLES, NERUDA, CHE EN EEN PAUS - 2 (02052018) Het is niet de eerste keer dat ik in Chili door een schemerige museumzaal loop waar goede sier wordt gemaakt met mensen die toen ze nog leefden geen flauw benul hadden dat ze in de 21ste eeuw als Chileens, laat staan Chileens cultureel erfgoed zouden worden behandeld. Die vorige keer was in 2012 in het uiterste noorden, aan de rand van de Atacamawoestijn op loopafstand van de grens met Peru. Daar, in het dorp San Miguel de Azapa, was het een zaal vol met mummies van de Chinchorro, een volk dat zijn doden eeuwenlang in onder andere modder of bandages verpakte en in het woestijnzand begroef. Een heel andere begrafeniscultuur dan die van de duizenden kilometers zuidelijker op de bosrijke hellingen van de Andes levende Mapuche. De woestijn, het droge zand, de mummies in het uiterste noorden rond de stad Arica, terwijl rond de stad Temuco de uit boomstammen gehakte Chemamülles graven markeerden. Heel toepasselijk heeft men de vaste opstelling in de schemerige museumkelder van Santiago Chile antes de Chile gedoopt, Chili voordat het Chili was. Voordat mijn niet al te beste ogen aan de licht van de vrijwel verduisterde museumkelder zijn gewend, meen ik op afstand Moai's van het Paaseiland te herkennen. Dat valt wat tegen, want die heb ik zo'n tien jaar geleden al eens in hun “natuurlijke leefomgeving” bewonderd en aan mogen raken, iets dat hier in het museum vast niet mag. En de manier waarop ze hier staan te schemeren, vind ik helemaal niets. Eenmaal dichterbij zie ik gelijk dat de veelal hoekige gezichten en de stoere hoofddeksels mij op het verkeerde been hebben gezet. Deze beelden zijn stukken slanker, minder massief dan die op het Paaseiland. En op de foto met uitleg die ernaast staat zijn bovendien nogal wat bomen te zien, terwijl ik weet dat toen de fotografie werd uitgevonden het eiland al totaal ontbost was. Hoewel het nog steeds niet duidelijk is welke rol de Moai's speelden, weet men wel dat de Chemamülles belangrijk waren bij begrafenisceremonies – ze hielpen de ziel van de overledene zich in het hiernamaals bij de voorouders te voegen – en daarna om het graf te markeren. Zoals bij ons de tombe en de grafsteen. De houten beelden van het vaste land zijn tot vier meter hoog, veel kleiner dan de Moai's, maar ze hebben meer menselijke details. Bovendien zijn er Chemamüll met mannelijke en vrouwelijke kenmerken, terwijl de Moai's behoorlijk abstract zijn en er, in mijn ogen althans, typisch mannelijk uitzien. Hoe men hier achter is gekomen weet ik niet, maar het schijnt dat de ziel van de vooraanstaande doden richting vulkanen – naar de Andes – ging en de “gewone” dode in de richting van de oceaan. Na dat te hebben gelezen, wil ik graag weten waarom dat zo was, maar dat staat er dan weer niet bij. Desondanks is het buitengewoon boeiend om die uit boomstammen gehakte beelden van dichtij te kunnen bewonderen en me af te vragen wat er in die houten hoofden omging. Welbeschouwd pleegde Sergio Larraín García-Moreno, tot wiens verzameling de beelden behoorden, natuurlijk gewoon grafschennis. Ik moet er niet aan denken dat de grafzerken van mijn voorouders zouden worden meegenomen om in de collectie van een rijke verzamelaar terecht te komen. Aan de andere kant van de museumkelder is in een vitrine een quipu te bewonderen die, hoe kan ik het beschrijven, op een of andere manier wel wat lijkt op de lang geleden uitwaaierende petticoat van mijn al jaren geleden overleden oudste zus. Hoewel het op geen enkele manier een onderrok is of daarmee mag worden vergeleken, schrijf ik dit slechts om het beeld te schetsen van iets dat op een cirkel lijkt als je het plat op de grond legt of dat op een cirkel lijkt om de draaiende heupen van een jonge vrouw. De quipu was een belangrijk instrument van de Inca's om informatie vast te leggen en door te geven, althans dat vermoedt men. Maar in de ogen van de niet ingewijden zijn het niet meer dan wat koordjes met wat onregelmatige knopen erin die aan een langgerekt horizontaal gevlochten koord hangen. Zoals een gordijn verticaal aan een gordijnrails hangt. Die quipu's horen veel meer in Peru thuis dan in Chili, net zoals er altijd woorden zijn over de herkomst van de pisco sour. De Chilenen weten zeker dat de flink alcohol houdende pisco uit Chili komt en daar veel lekkerder smaakt en omgekeerd en ik moest het in Santiago niet in mijn hoofd halen om tegen mijn gastvrije oud-collega te zeggen dat ik de Peruaanse lekkerder vond. Op zulke momenten is een leugentje om bestwil behoorlijk belangrijk. Één theorie is dat de quipu een soort telraam was, uit de Spaanse koloniale tijd bestaan echter notulen van rechtzaken waarin staat vermeld dat er een quipu was meegebracht om aan te tonen dat er bepaalde rechten bestonden. Én dat dit als bewijs werd geaccepteerd. wordt vervolgd |