|
OVER QUIPUS, CHEMAMÜLLES, NERUDA, CHE EN EEN PAUS (28042018) De lange trap van de begane grond naar het souterrain van het Museo Chileno de Arte Precolombino helpt de ogen van de bezoeker om te wennen aan het schemerduister daar beneden. Het is ook de reden dat mijn blijk gelijk naar de enige hoek wordt getrokken waar door een raam in het plafond wat daglicht binnenvalt. Daar staan beelden die me vaaglijk aan de Moai's van het Paaseiland herinneren, ze zijn echter kleiner, uit hout gehakt en niet uit steen. Het zijn Chemamülles, grafmonumenten van de Mapuches of Araucanos zoals ze door de Spanjaarden werden genoemd, naar de streek rond de zuidelijke stad Temuco waar ze woonden en wonen. De beelden maken deel uit van de museumcollectie die afkomstig is uit Chili en andere voormalige Spaanse koloniën op het Amerikaanse continent. Met de aanduiding “arte precolombino” ben ik het trouwens niet erg eens. Voor mijn gevoel suggereert het dat de artistieke uitingen in dit werelddeel op 12 oktober 1492 – de dag dat Columbus Amerika “ontdekte” – opeens zouden zijn veranderd, terwijl dat natuurlijk heel geleidelijk gebeurde. De Inca's, de Azteken, de Maya's en al die andere volken hielden op 13 oktober beslist niet op met het op dezelfde manier bouwen van hun tempels, paleizen en huizen, het smeden van gouden voorwerpen of het maken van mooi vorm gegeven en gedecoreerd keramiek voor huishoudelijk en ceremonieel gebruik. Wat in de musemzalen wordt geëxposeerd, toont vooral wat “postcolombino” zoal om zeep is geholpen. Het is nogal veelzeggend, dat vind ik tenminste, dat de Spaanse geschiedenisboeken het over “el descubrimiento de América - de ontdekking van Amerika” hebben, terwijl dat in Latijns-Amerika “la conquista” heet, “de verovering.” Het in 1981 opgerichte museum is gehuisvest in een oud koloniaal gebouw in het centrum van Santiago de Chile. Het in 1807 – drie jaar voordat Chili zich los maakte van de conquistadores - in gebruik genomen Palacio de la Real Aduana, de zetel van de Spaanse Invoerrechten en Accijnzen. Buitengewoon solide, niet zo hoog - kelder, begane grond, verdieping – wel stoer. Als tegenprestatie voor de schenking van zijn verzameling precolumbiaanse objecten kreeg de architect Sergio Larraín García-Moreno (1905 – 1999) van het stadsbestuur de toezegging dat die het door brand zwaar beschadigde gebouw op zou knappen en geschikt zou maken om de collectie een passend onderdak te bieden, zorg te zullen dragen voor de conservatie en de eventuele uitbreiding van de collectie en de salarissen van het personeel te zullen betalen. Slim onderhandeld door iemand van schatrijke komaf die op zijn 14e al op reis ging door Europa, in zijn 2e studiejaar op de Universidad Católica de Chile, halverwege de jaren 20 van de vorige eeuw, zijn eerste objecten kocht en die kort na het einde van de Tweede Wereldoorlog in Parijs voor “een prikje” schilderijen van Picasso, Dali en Giacometti verwierf. De prijs, zo verklaarde hij naderhand, was altijd ondergeschikt, hij kocht alleen maar wat hij mooi vond. Dankzij zijn oog voor schoonheid én zijn kennelijk onbeperkte financiële middelen wandel ik vanmiddag door de lange gangen van “zijn” museum en bewonder een prachtig keramieken wierookvat waarop Maya dignitarissen staan afgebeeld. De uit Midden-Amerika afkomstige vaas op drie poten in de vorm van een katachtige man waarvan de voorpoten ratels zijn, tijdens ceremonies werd de vaas geschud zodat op het ritme kon worden gedanst en gezongen. De bijna hedendaags strak gedecoreerde keramieken kruiken uit de Centrale Andes en de uit dezelfde regio, maar van een ander ethnische groep, streng gestileerde monochromen kruiken. Toen Sergio Larraín García-Moreno aan het verzamelen sloeg, werd aan de grenzen duidelijk niet al te moeilijk gedaan over het meenemen van wat cultureel erfgoed van het ene land naar het andere. Dat blijkt ook uit een bericht op de website die is gewijd aan Chileens erfgoed, waarin wordt verhaald dat zo'n honderd jaar geleden de toenmalige Prins van Wales aan het eind van zijn bezoek aan Chili een aantal Chemamülles als “exotisch” afscheidscadeau kreeg aangeboden. “Wellicht de mooiste die we hadden,” staat erbij, met vervolgens de hartekreet “Misschien kan een of andere Engelse culturele attache er eens naar op zoek gaan in de koude kelders van Buckingham Palace, want daar liggen ze vast en zeker vanwege hun geringe materiële waarde – hout – te vergaan.” Terwijl in Europa de discussie over de teruggave van cultureel erfgoed in volle gang is, is die in Latijns-Amerika nog in een vroege fase, maar dit is tenminste een begin. En dat er niet langer zomaar iets kan worden meegenomen, heb ik kortgeleden zelf ondervonden toen ik van Argentinië terug naar Europa verhuisde. De verhuizer meldde opgewekt dat er bij het Ministerie van Cultuur een exportvergunning moest worden aangevraagd voor de kunst in mijn huis, waarna we samen inventaris opmaakten. Mijn argument dat ik het nodige al bij me had toen ik in Buenos Aires kwam wonen en de paklijsten nog had om dat te bewijzen, werd weggewuifd met de opmerking dat vanaf het moment dat het binnen de grenzen was, het automatisch tot het Argentijnse “patrimonio cultural” behoorde. Zelfs het door een bevriende kunstenares geschilderde portret van mijn moeder en mij? Het antwoord laat zich raden. wordt vervolgd |