|
VOORPROEFJE (27032018) Om twee uur na middernacht pas ingecheckt in mijn hotel in de Kaapverdische hoofdstad Praia de Santa Maria da Vitória, kortweg Praia, en om half tien alweer onderweg. Naar het in het noorden van het eiland Santiago gelegen dorpje Pilão Cão om vandaar naar de Barragem de Flamengo te hiken. Een hike van een uur of vijf over de ongebaande paden van het dun bevolkte platteland. “Platteland“ is, zo wist ik uit eerdere ervaring, in deze een nogal tegenstrijdige omschrijving, maar nadat de gevoelstemperatuur rond mijn huis dagenlang tussen de 10 en 20 graden onder het vriespunt had geschommeld, was ik tot vrijwel alles bereid om de Europese winter even te kunnen ontvluchten. En toegegeven, er viel weinig in te brengen tegen het argument dat dit de beste manier is om in contact te komen met het dagelijkse leven van veel Kaapverdianen. 't Is zondag, de uitgedroogde akkertjes liggen er verlaten bij, het is echter wel heel zichtbaar “wasdag.“ Met de hand bovendien en op wasborden in een teil, iets dat ik als kind voor het laatst in de achtertuin van mijn grootouders zag. Af en toe is er een moderne versie van beton in een diepe wasbak te zien. Wasmachines zijn hier nutteloos, want er is geen leidingwater om die dingen op aan te sluiten. Met enige regelmaat komen we vrouwen en meisjes tegen die met een emmer of jerrycan op het hoofd onderweg zijn naar of net terugkomen van het “ponto de agua“ waar water kan worden getapt. Mannen en jongens hebben een ezel beladen met jerrycans bij zich om water te halen en lopen over de weg in plaats van over de moeilijk begaanbare voetpaden. Het “platteland“ is alles behalve plat land. Sayde, mijn begeleider voor vandaag en de bedenker van de hike, strooit me zand in de ogen door aan het begin een stuk over de klinkerweg te lopen. Minder dan 10 minuten later slaan we rechtsaf een klimmend bergpad op, een zandpad dat door de steile helling af en toe een glijbaan is voor de onervaren hiker die ik ben. Sayde is een geduldige gids die mij hier letterlijk op het rechte pad houdt door subtiele aanwijzingen te geven hoe de voeten het beste kunnen worden geplaatst en zo. Onderweg groeten we en worden we gegroet door iedereen die we tegenkomen. “Bom dia“ en later op de dag met “boa tarde.“ We stoppen voor een adempauze, voor mij harder nodig dan voor hem, in een gehucht met niet meer dan dertig huizen. Er worden handen geschud met de mannen die in de schaduw niets zitten te doen. Sayde kletst in het criolo, ik in mijn roestige Portugees waar nodig Svermengd met Spaanse woorden. Uit een van de huizen klinkt een kerkdienst. Ik wil weten of er hier een kerkje is. Nee, het is een televisietoestel dat keihard aanstaat en het zijn de naar de kerkdienst kijkende vrouwen die uit volle borst meezingen. Godsdienst is hier nu eenmaal een vrouwending. Zo komt het gesprek op geloof en kerken. Hoewel vrijwel iedere Kaapverdiaan katholiek is opgegroeid, winnen de nieuwe evangelische kerken snel terrein, met name de Braziliaanse die als pre hebben dezelfde taal te spreken. “Maar die willen toch dat je 10% van je verdiensten afdraagt?“ vraag ik. Het maakt de tongen los “'t Is soms veel erger, er zijn er die meer vragen!“ Die 10% is gebaseerd op de bijbelse “tienden“ waarover op de website van de Evangelische Omroep in de eerste zinnen van een artikel met de kop “7 redenen om je tienden te geven“ de volgende uitleg wordt gegeven: “In de wetten van Mozes vraagt God aan zijn volk om “de tienden“ te betalen. Dat betekent dat elke jood tien procent van zijn inkomen moet afdragen voor de priesters, de tempeldienst en de armen. Moeten christelijke gelovigen dat nu nog steeds?“ Waarna de auteur zeven redenen geeft waarom christenen daar niet zomaar onderuit kunnen. “Wist je dat er in Praia zelfs een kerk is waar geen geld op zak hebben voor de collecte geen geldig excuus is om niet te geven? Dan zeggen ze dat je met Cartão 24, met je pinpas of kredietkaart, kunt betalen!“ Ik kan mijn oren niet geloven, dat wil ik wel eens meemaken. Ik weet bijna zeker dat het over de “Igreja Universal do Reino de Deus“ gaat, de kerk die minder dan 50 jaar geleden in Rio de Janeiro werd opgericht. Hun logo, een rood hart waarin een witte duif in volle vlucht staat afgebeeld, kwam ik bij een eerder bezoek aan Kaapverdië al regelmatig tegen en ook vandaag weer in de grotere dorpen waar we doorheen reden. “Geldklopperij! De leiders van die kerk zijn allemaal miljonair dankzij die 10%.“ Daar is iedereen het over eens in deze uithoek tussen de kurkdroge terrasakkertjes hoog op de helling van een bergketen. Een plek die je alleen met veel moeite en, wat mij aangaat, enige pijn kunt bereiken. Sayde heeft er wel eens van gehoord en is er net zo nieuwsgierig naar als ik, hij belooft te zullen proberen om een “kennismakingsbezoek“ te regelen. wordt vervolgd |