RAAR? NEE, BIJZONDER! (06032018)

Vroeg op de zondagochtend wandel ik naar het Centrum voor Hedendaagse Kunst en Cultuur Witte de With. 't Is misschien wel de laatste keer, want wie weet hoe het de volgende keer dat ik in Rotterdam ben zal heten. Nadat een groep activisten, die zichzelf “Zwarte en niet-Zwarte mensen van Kleur“ noemen, tijdens de vorige zomer protest aantekende tegen de naam van de instelling – met ook nog eens twee keer WIT erin, bedenk ik - en de niet spontaan positieve reactie van Witte de With interpreteerde als “het bewijs dat het instituut faalt in het kritisch begrijpen van haar eigen historische witheid,“ besloot de Raad van Toezicht kort daarna om de naam alsnog in de loop van 2018 te zullen wijzigen. Men was na ampel overleg tot de conclusie gekomen dat de huidige naam strijdig is “met de waarden waar het instituut voor staat.“ Welke die waarden dan ook mogen zijn. Wat een gedoe om niets, het gaat toch om wat er wordt getoond? Maar ja, zo begrijp ik ook niet waarom diezelfde activisten nog niet hebben geprotesteerd tegen de geveldecoratie een straathoek verderop. Daarop staat het blote bovenlichaam van een zwarte vrouw, met er overheen de tekst: “Plotseling, als ik mijn tepel wil gaan kussen, zie ik honderden mannen me bekijken.......“ Racisme, voyeurisme en een tekst die toch eigenlijk niet kan in de openbare ruimte?

De Zuid-Afrikaanse kunstenares Dinea Seshee Bopape, daar gaat het mij vandaag om. In Kunsthal KaDE in Amersfoort, waar ik een paar weken geleden kennis maakte met haar werk, hangt er een toelichting en een kort bijschrift bij de daar getoonde installatie “Lerole: footnotes (The struggle of memory against forgetting). Op dat korte bijschrift staat “afmetingen variabel.“ Een in mijn ogen wat overdreven vermelding die aangeeft dat de installatie qua samenstelling en grootte wordt aangepast aan de ruimte waarin wordt geëxposeerd. En, hoewel het er niet bijstaat, zonder dat de boodschap die het werk wil uitdragen er onder lijdt. Overbodig, zo vond ik, omdat het me zeer onwaarschijnlijk leek de installatie ooit nog eens ergens anders te zullen zien. Terwijl ik daar vorige maand absoluut zeker van was, ontdekte ik een paar dagen geleden tot mijn niet geringe verbazing dat het werk zelfs gelijktijdig in Rotterdam wordt geëxposeerd. Raar? Nee, dat woord bestaat niet in de beeldende kunst, maar bijzonder is het zeker. Met haar installatie wil de kunstenares de in Europa bestaande indruk weerleggen dat de kolonisatie van Afrika zonder tegenstand of verzet van de lokale bevolking heeft plaatsgevonden. De focus ligt vooral op het niet vergeten van het Afrikaanse verzet dat er wel degelijk is geweest. Wat tijdens de Conferentie van Berlijn in 1884/85 gebeurde - vijftien Europese landen die onderling het Afrikaanse continent verdeelden - liegt er niet om. Maar wie kent deze geschiedenis? Om haar boodschap vorm te geven gebruikt de kunstenares een beperkt aantal materialen: heel erg veel grote bakstenen, een paar ouderwetse platenspelers, honderden in de gesloten vuist gevormde en daarna geharde klompjes klei – vuistjes - en bordjes met een korte samenvatting van een treffen tijdens de kolonisatie. De Rotterdamse ruimte is veel groter en hoger dan die in Amersfoort, met als gevolg meer, maar ook grotere en hogere stapelingen van bakstenen, veel meer vuistjes, wat meer platenspelers en een groter aantal bordjes met de beschrijving van een van de vele gewapende conflicten die er vanaf halverwege de 15e eeuw tot het begin van de 20ste tussen Afrikanen en Europeanen zijn geweest.

Al slenterend door de installatie, op zich al een unieke ervaring, langs die toch wel anonieme in omvang en hoogte variërende stapels bakstenen, pak ik hier en daar de de arm van een platenspeler en zet de naald aan het begin van de langspeelplaat. Daarop staat 33 toeren lang niets anders dan het gezang in de Midden-Amerikaanse jungle van de quetzal. Dat geluid blijkt de prikkel te zijn die ik nodig had om de ogenschijnlijk willekeurig in de ruimte geplaatste stapels stenen als een kunstwerk te kunnen zien. 't Is net alsof ik terug ben in Tikal, in het noorden van Guatemala, weer langs en door de in het regenwoud verspreid liggende ruïnes van die Maya-stad dwaal en daardoor het verband zie, de samenhang ervaar die hier in Rotterdam tussen al die steenhopen bestaat. En net zoals in Tikal met de ruïnes, spreekt de ene stapeling me meer aan dan de andere. Dat lage muurtje van een meter of vier waarop een paar scheppen grijs zand zijn gegooid en dat aan de 4e Xhosa-oorlog van 1811 herinnert of die kleine vierkante met brokken steenkool afgedekte stapeling die naar de 8ste Xhosa-oorlog van 1850 verwijst of het mooie met bladgoud en kleurige vuistjes gedecoreerde “altaar“ ter nagedachtenis aan de Slag van Keniera in 1896 tussen de Fransen en de Toucouleur. Maar het meest indrukwekkende vind ik de op een tombe lijkende stapeling, ruimhartig bestrooid met kleurige vuistjes, die ons aan de 2e Matabele-oorlog in Zimbabwe doet herinneren. Wat ik echter ietwat bizar vind, zijn de bezoekers die even om de hoek kijken en dan weer weggaan. Maar die hebben natuurlijk niet zoals ik langs de ruïnes van Tikal gestruind en daar de quetzal horen zingen.