|
ONVOLTOOID VERLEDEN TIJD (25012018) Onderweg naar het Haags Historisch Museum om de expositie “Afrikaanse bedienden aan het Haagse Hof“ te gaan bekijken, loop ik langs het Mauritshuis. Het statige door Jacob van Campen – jawel dezelfde architect als van het Paleis op de Dam – ontworpen huis dat naast het Binnenhof staat. De bouwopdracht werd in 1633 gegeven door Johan-Maurits van Nassau-Siegen, een achterneef van Willem van Oranje, die net als de Vader des Vaderlands in Dillenburg was geboren. Maurits betaalde de bouw van zijn stadspaleisje met het geld dat hij tussen 1636 en 1644 verdiende toen hij in dienst van de West-Indische Compagnie – WIC - gouverneur van Nieuw Holland was, de Nederlandse kolonie in het noord-oosten van Brazilië. Omdat suiker de belangrijkste inkomstenbron uit die kolonie was, werd het huis in de volksmond al snel het “Suikerpaleis” genoemd. Johan Maurits ging er wonen nadat hij uit Brazilië was teruggekeerd en decoreerde het onder andere met de schilderijen die Frans Post en Albert Eckhout daar in zijn opdracht hadden gemaakt. Nadat de WIC in 1637 het toentertijd in Guinea en thans in Ghana gelegen Portugese Fort Elmina had ververoverd, kwam de Trans-Atlantische driehoekshandel op gang. Schepen met vuurwapens, sterke drank, tabak en snuisterijen vertrokken uit Holland en Zeeland naar de kust van West-Afrika waar de lading, die voorheen voornamelijk tegen goud werd geruild, nu was bedoeld als betaalmiddel voor slaven. Die werden vervolgens naar Brazilië verscheept en verkocht om op de suikerplantages te werk te worden gesteld. Die transactie werd betaald met de suiker die mee terugging om tenslotte in de thuishaven te worden verkocht, waarna de balans kon worden opgemaakt en de winst uitgekeerd aan degenen die de reis hadden gefinancierd. In het Historisch Museum wordt een vrij onbekend ander aspect van de slavernij belicht aan de hand van de levensloop van de uit Guinea afkomstige Cupido en de van Curaçao afkomstige Sideron. Twee Afrikaanse pages die waarschijnlijk door de WIC in het midden van de 18e eeuw op zeer jeugdige leeftijd cadeau werden gedaan aan de toekomstige Stadhouder Willem V en vervolgens als pages werkten aan het Haagse Hof. Ze staan sierlijk gekleed op de achtergrond afgebeeld op een aantal schilderijen, maar ze zijn ook geportretteerd en zien er niet al te ongelukkig uit. In vergelijking met hun lotgenoten op bijvoorbeeld Surinaamse suikerplantages of op Curaçao werden ze dan ook – voor mijn gevoel althans – stukken humaner behandeld. Die tegenstelling wordt in een aparte zaal door de net als Sideron van Curaçao naar Nederland gekomen beeldend kunstenaar Tirzo Martha verbeeld met zijn installatie “Tronie van Sideron.” Aan de ene kant verbeeldt Martha het desolate leven van de nazaten van de slaven op het eiland, aan de andere kant de luxe omgeving waarin Sideron zich destijds aan het Haagse Hof bewoog. Na aan het eind van de vorige eeuw van Nigeria naar Rio de Janeiro te zijn verhuisd, maakte ik kennis met Mauricio de Nassau, zoals Johan Maurits in het hedendaagse Brazilië heet. Mijn vrijwillge oversteek van de zuidelijke Atlantische Oceaan was heel wat comfortabeler dan die van de miljoenen Afrikanen die dezelfde reis eeuwen eerder gedwongen hadden gemaakt. Vanuit Lagos had ik een paar jaar eerder het Fort Elmina bezocht, overnacht in het (goud-) mijnstadje Obuasi om de volgende dag door te rijden naar Kumasi. De hoofdstad van de Ashanti, die goud en slaven – vaak krijgsgevangenen – aan de WIC leverden. Nu ik in Rio toch min of meer in de buurt was, moest ik natuurlijk naar Recife, dat Mauritsstad heette toen het de hoofdstad van “onze kolonie” was. Tijdens het inlezen vooraf kreeg ik de indruk dat Johan Maurits een stukje Gouden Eeuw had meegenomen naar de andere kant van de wereld: kunst en wetenschap, godsdienstvrijheid en handel bloeiden. Zo zag ik er de resten van de oudste synagoge van het Amerikaanse continent en de toren die als sterrenwacht had dienst gedaan. Een deel van de schilderijen die in opdracht van Maurits werden gemaakt, hangen nog steeds in het Mauritshuis, het zijn de handelsactiviteiten die tot een modern beeldenstormpje hebben geleid. Maurits' borstbeeld, dat in de foyer stond, is een paar maanden geleden verwijderd vanwege de “groeiende maatschappelijke discussie over het slavernijverleden van Nederland en de rol die Maurits van Nassau hierin speelde.” Heel wat anders dan de reactie die ik vaak in Brazilie kreeg nadat met had ontdekt dat ik uit Nederland kwam “Waren de Hollanders hier maar nooit weggegaan, kijk eens wat een klerezooi de Portugezen ons hebben nagelaten!” Nee, daar wil men geen kwaad woord horen over “onze” Mauricio de Nassau. Tijdens mijn terugreis naar Frankrijk, legt de directeur van het Mauritshuis op de televisie uit dat het beeld van Maurits niet is verwijderd, maar is vervangen door een beter passend beeld in een aan hem gewijde zaal en er derhalve sprake is van een (beelden-) storm in een glas was. Ja, ja. En zonder dat ik er iets van heb gemerkt, is volgens het NOS Nieuws mijn huidskleur van “blank” in “wit” veranderd als gevolg van “het meebewegen met de samenleving.” Wat ik in de paar maanden sinds mijn terugkeer na Europa inmiddels wel heel nadrukkelijk heb gemerkt is dat wat in mijn jongere jaren zonder meer voltooid verleden tijd was, in 2018 toch heel erg onvoltooid verleden tijd blijkt te zijn. |