DAN MAAR NAAR SENEGAL EN SÃO VICENTE - 20 (20092016)

Dinsdag 21 juni 2016 – Dakar – Thiaroye – Dakar
Laatste dag in Senegal, restjesdag in Dakar en omgeving te beginnen op Cap Vert, de meest westelijke punt van Afrika. Daar, op de 100 meter hoge Collines des Mamelles, werd op 3 april 2010 onder het toeziend oog van 19 Afrikaanse staatshoofden het Monument de la Renaissance Africaine ingewijd door de toenmalige Senegalese President Abdulaye Wade. De reusachtige beeldengroep – een man met een kind op de arm en een vrouw – is al van veraf te zien. Het is dan ook het hoogste beeld van Afrika én nogal omstreden. Omdat kosten – zo'n US$25 miljoen – veel te hoog zouden zijn voor een arm ontwikkelingsland. Omdat de schaarse kleding van de vrouw tegen de Islamitische kledingvoorschriften zou indruisen, terwijl femisten juist vinden dat het anti-feministisch is omdat de vrouw ietwat achter de man is afgebeeld. Omdat er vrijmetselaarssymbolen op zouden staan. Omdat het Stalinistisch zou zijn, het zou inderdaad niet uit de toon zijn gevallen tijdens de hoogtijdagen van het socialistische realisme in de Sovjet-Unie. Omdat de President auteursrechten claimt want hij zou de bedenker zijn en nog een paar van dat soort argumenten. Ondanks dat alles beklim ik zonder tegenzin de 11 keer 18 treden van de trap die van de voet van de heuvel naar de voet van het monument is aangelegd en kijk tijdens de klim naar boven – een gecamoufleerde adempauze – een paar keer tegen het 50 meter hoge beeld op. Gelijktijdig probeer ik de vraag te beantwoorden wat dit allemaal met de wedergeboorte van Afrika heeft te maken, zonder daarvoor zo een, twee, drie een plausibele verklaring te kunnen vinden. Zomaar een prestigeproject van een ex-President? Verder kom ik niet.

Nadat de entree is betaald, krijg ik een begeleider toegewezen die mij door de in de voet van het beeld ingerichte expositieruimtes rondleidt. De stoel waarop de President tijdens de inauguratie zat is nu zowaar een museumstuk, ernaast is een zaal met portretten van matige kwaliteit van Afrikaanse staatshoofden of staatshoofden met Afrikaans bloed zoals Barack Obama, een schilderij van de fameuze poortje naar zee waardoor de slaven naar de op de rede liggende schepen werden gebracht. Een ruimte waarin de Transatlantische slavenhandel en de “driehoekshandel” worden toegelicht, waar de grote mannen van de Haïtiaanse onafhankelijkheidsstrijd – Toussaint Louverture en Jean Jacques Dessalines - worden geëerd. Net zoals er extra aandacht is voor de Tirailleurs Sénégalais, de West-Afrikaanse soldaten die tijdens de beide wereldoorlogen aan Franse kant streden. Tenslotte is er een zaal waar de “sociosculptures” van Djibril Goudiaby staan: grote van klei, houtsnippers, zand en gerecycled afvalmateriaal gemaakte mannen, die een traditioneel ambacht of een cultureel thema uitbeelden. Ik ben niet onder de indruk en zie het meer als tijdrekken voordat de klim naar de top van het monument mag worden gemaakt. Onderweg is er een paar keer een ander gezicht op het beeld: op de rug, van opzij, zo'n beetje onder de rok van de vrouw die ik uiteindelijk op het hoogste punt bijna recht in het gezicht kijk uit een van raampjes die de hoofdband van de man vormen. Voor dit alles was het luttele bedrag van US$25 miljoen beschikbaar, terwijl men met “le Mémorial de Gorée,” een idee uit 1975 van de eerste Senegalese President Léopold Sédar Senghor dat de slachtoffers van de Transatlantische slavenhandel zal herdenken, tot op heden niet verder is gekomen dan het tot winnaar verklaren van architect Ottavio Di Blasi van de competitie voor het ontwerp ervan. Dat was in 1997. En natuurlijk zijn er ondertussen wat aardige banen gecreëerd – tot en met een heuse Sécretaire Général – en is er een website die slecht wordt bijgehouden. C'est tout....

Nadat het zoeken naar “Il pleut sur Saint-Louis,” het boek van Louis Camara in de twee daarvoor in aanmerking komende boekwinkels van Dakar niets heeft opgeleverd, gaan we richting Thiaroye. We lopen vast in het verkeer in de buurt van de haven, de kortste route blijkt ook de langzaamste, maar beslist niet saai. Niet vanwege wat er langs de weg te zien is, maar door het gesprek dat op gang komt omdat we in de buurt van Frontex zijn. Frontex, de Europese organisatie waarvan schepen voor de West-Afrikaanse kust patrouilleren om te voorkomen dat migranten de Canarische Eilanden en dus Europa bereiken. Toen we aan het strand van de Langue de Barbarie langs de daar hun vis lossende stoere houten schepen met krachtige buitenboordmotoren liepen, zei Amadou dat er daarmee met enige regelmaat mensensmokkelpogingen worden gedaan. Nu vertelt hij in de file dat er uit zijn familie herhaaldelijk druk is uitgeoefend om de sprong te wagen, maar dat hij gewoon thuis in Saint-Louis blijft. Een van zijn broers woont illegaal in Griekenland en heeft het daar economisch gezien slechter dan dat hij het in Senegal heeft, dus liever niet. Bovendien ziet hij het absoluut niet zitten om via Mali en Libië door de woestijn naar de Middellandse Zeekust te trekken om vervolgens de oversteek naar Europa te maken. Iets waar ik hem geen ongelijk in kan geven gezien de daaraan verbonden gevaren. Gevaren die met enige regelmaat in de pers en op de televisie breed worden uitgemeten, maar dat is in West-Europa en niet in Senegal.

wordt vervolgd