DAN MAAR NAAR SENEGAL EN SÃO VICENTE - 19 (17092016)

Maandag 20 juni 2016 – Kaolack – Nioro du Rip – Sine Ngayène – Thiés – Dakar
We slaan links af de leegte in. Een pad op dat tussen kurkdroge landerijen loopt en soms door een onaanzienlijk dorpje, langs een akker die wordt geploegd door een man die de primitieve ploeg achter een paar stieren heeft gespannen. Het stof dwarrelt alom op, het wachten is op de regentijd want dan zou het landschap plots met een groene laag worden bedekt. Zelfs met heel veel moeite kan ik het me bijna niet voorstellen. En dan de baobabs, mysterieus mooie bomen die, alsof het zo hoort, met enige regelmaat opduiken. Sommige dorpjes hebben aan de buitenkant een waterput waar wordt gewassen, waar het vee wordt gedrenkt of waar gewoonweg water wordt gehaald voor thuisgebruik en waar uiteraard de laatste dorpsroddels worden uitgewisseld. In de dorpen staan nog traditionele huizen met rieten daken, geen auto's, geen satellietschotels. De betonrevolutie is hier nog niet doorgedrongen. De rit duurt al ruim langer dan een half uur en dan staan daar zomaar aan de linkerkant van de weg de steencirkels van Sine Ngayène. Keurig met een laag muurtje er omheen, dat zo laag is dat het niemand tegenhoudt. Het toegangshek zit op slot, de luiken van het kleine paviljoen zijn gesloten, boven de poort hangt een omgekeerd verroest voorrangsbord waarop met een viltstift is geschreven hoe El Hadji Gaye, de gardien, telefonisch kan worden bereikt. Terwijl wij wachten, wordt de bewaker van het werelderfgoed opgehaald door de kinderen van het dorp die al eens eerder een blanke bezoeker uitgebreid hebben kunnen bewonderen. We staan ergens in de buurt van de grens met Gambia, dat dankzij de Europese verdeling van Afrika – Conferentie van Berlijn 1884-85 – een onafhankelijk Engelstalig land is, terwijl het logischerwijs gewoon deel zou moeten uitmaken van Franssprekend Senegal of misschien wel van een totaal andere onafhankelijke staat.

Tja, dan gaat de poort open en dan kan ik van dichtbij de steencirkels bekijken die, volgens hen die er voor gestudeerd hebben, tussen de jaren 700 en 800 van voor onze jaartelling en de 14e eeuw erna werden opgericht. Een nogal uitzonderlijke bandbreedte en voor mijn gevoel een indicatie dat er nog veel onderzoek moet worden gedaan. Voor mij uit staan 52 steencirkels die zijn opgebouwd uit deels in de grond verzonken rechtop staande stenen met een lengte van gemiddeld 2 meter. Welbeschouwd zijn het stevige ronde en vierkante paaltjes. Op het terrein staan, hangen en liggen er meer dan duizend van, hetgeen toch tenminste duidt op een georganiseerde gemeenschap met een verdeling van arbeid. Er moeten in de omgeving steengroeven zijn waar de stenen van lateriet werden gewonnen en op maat gehakt om vervolgens te worden vervoerd naar een van de vele vindplaatsen van steencirkels die in deze regio zijn te vinden. Maar waar zijn die steengroeven? Waarom werden de steencirkels opgericht en waartoe dienden ze? Hoe werden de kant en klare stenen hier naartoe vervoerd? En waarom juist naar deze plek en waarom staan ze zo dicht bij elkaar? Wandel ik hier over een grote begraafplaats – er zijn graven gevonden – of over een offerplaats? Had dit een religieuze betekenis voordat de Islam voet aan de grond kreeg? Vragen die niemand kan beantwoorden en ook niet worden beantwoord in het minimale museumpje – ik dacht dat het een kantoortje of opslagplaats voor gereedschappen was – dat toen ik uitgekeken was zowaar als toegift werd geopend. Er is een klein aantal opgegraven voorwerpen te zien: aardewerk en wat groen uitgeslagen sieraden, meer niet. Het bezoek zit erop, we brengen El Hadji terug naar zijn dorp Nioro du Rip en rijden vervolgens terug in de richting van Kaolock met als reisdoel het voormalige spoorwegknooppunt Thiés.

Tegen de achtergrond van de grote spoorwegstaking van 1947/48 beschrijft de Senegalese schrijver Sembène Ousmane in zijn boek “De houtjes van God” de destijds heersende koloniale verhoudingen. De “cheminots” de spoorwegarbeiders van Thiés, waar het belangrijkste station van de lijn Dakar – Bamako lag, speelden tijdens die staking een belangrijke rol, ze hielden hun poot stijf, ondanks de herhaalde dreigementen van de koloniale autoriteiten en de inzet van honger en armoede als “stakingsbrekers.” Ousmane, overtuigd communist, schetst al doende het ontstaan van de Senegalese vakbeweging en een zeer realistisch beeld van de voorkeursbehandeling die de uit het moederland afkomstige spoorwegemployees ontvingen terwijl de lokale arbeiders werden uitgehongerd. De kleine driehoekige betonnen arbeidershuisjes die ik een paar dagen geleden aan de buitenkant van de stad zag, spreken in deze boekdelen. Het station, de perrons, de werkplaats en de rails liggen er verwaarloosd en onbruikbaar bij. DEFANCE DURUNER – AMANDE 3000F oftewel in correct Frans DÉFENSE D'URINER – AMENDE 3.000F oftewel VERBODEN TE PISSEN – BOETE 3.000 Francs staat er op een zijmuur van het station. Één van de weinige activiteiten die hier tegenwoordig kennelijk nog wel met enige regelmaat plaatsvinden. Al met al een omweg van vele uren die de moeite absoluut niet waard was, doodmoe arriveer ik in het hotel in Dakar, morgen staat er gelukkig een rustige dag in de omgeving van de stad op het programma.

wordt vervolgd