|
DAN MAAR NAAR SENEGAL EN SÃO VICENTE - 18 (13092016)
Zondag 19 juni 2016 – Saint Louis – Touba – Diourbel – Kaolack
Boubacar neemt me mee naar binnen, een doolhof in. Overal rieten wanden, gevels en lagere en hoge minaretten die op verschillende plaatsen met eveneens van rietbundels gemaakte symbolen zijn gedecoreerd. Woonvertrekken voor mannen, woonvertrekken voor vrouwen, een grote keuken, een moskee waarvan de deuren voor mij, als andersdenkende, gesloten blijven, de afgesloten woon- en werkvertrekken van Seringe Omar Sy, de leider van deze gemeenschap van volgelingen van Cheikh Amadou Bamba die “Yaminoullah” heet. Voor het gebruik van riet als bouwmateriaal bestaat de poëtische, maar wat mij betreft alleszins aannemelijke, verklaring dat uit riet traditioneel de pen – qalam – wordt gesneden waarmee men het woord van God schrijft. Dat laatste ken ik uit eigen waarneming, ik zag het op mijn reizen door het Islamitische noorden van Nigeria. Daar kocht ik zelf tijdens een van mijn laatste bezoeken op de markt van Kano rietjes om pennen van te snijden, een met raffia gevlochten pennenkoker, een inktpotje en de grondstoffen – gom en kooltjes – om zelf inkt te kunnen maken.
In de streek waardoor ik vandaag reis wonen voornamelijk aanhangers van “Touba geloofsrichting” van de Islam zoals die door Cheikh Amadou Bamba werd geïnterpreteerd en gepredikt, leden van de Broederschap der Mouriden derhalve. Ik reis door een soort “Bible Belt” waar de afbeelding van de Cheikh met enige regelmaat op gevels en muren staat, zo begrijp ik achteraf. Het is de spookachtige in het wit gehulde man die alleen wordt afgebeeld, maar ook af en toe over de schouder meekijkt van een geestelijke die met hem sympathiseert. Dat zijn dan de maraboets die zijn idealen uitdragen en die in de hiërarchie een trede lager staan. Het was ook de Cheikh die het initiatief nam voor de grootschalige pindateelt in de regio, iets waarvan in de droge tijd helaas weinig is te zien. Eigenlijk niets. Wat ik tussen Touba, Diourbel en Kaolack zie, zijn niets anders droge zanderige akkers, die over niet al te lange tijd – afhankelijk van de regen – hartstikke groen zullen zijn. De kades van de haven van Kaolock, vanwaar de pinda's worden geëxporteerd, zijn net zo leeg. “De hele oogst is al verkocht,” is het excuus van Amadou. Het enige dat er op de kades aan de overkant van de rivier tegenover het terras van mijn hotel ligt zijn voor de verandering hoge bergen zout.......
Maandag 20 juni 2016 – Kaolack – Nioro du Rip – Sine Ngayène – Thiés – Dakar
“Is het ver?” had ik gisteravond aan Amadou gevraagd. “Een kilometer of dertig,” was zijn antwoord. Dat het een ietwat optimistische inschatting was, wist ik toen nog niet. We rijden Kaolack uit, de Trans-Gambia Highway op in de richting van Nioro. Ergens in de buurt van dat dorp, dat niet te ver van de grens met Gambia ligt, zijn de steencirkels van Sine Ngayène te bewonderen. Dorp in, dorp uit, veel meer dan dertig kilometer. En dan is de doorgaande weg onverwacht opgebroken en rijden we door een soort niemandsland. Amadou vraagt de weg bij een benzinestation, het gesprek is in het Wolof, maar de woorden die ik versta zijn “tout droit” rechtdoor. In het volgende dorp van hetzelfde laken een pak: “tout droit.” Nog eens en nog eens, het antwoord is onveranderd: “tout droit.” Ten langen leste stoppen we in een dorp waarvan ik vermoed dat het Nioro is, maar zeker weten doe ik dat niet. Amadou begint opnieuw een lang gesprek in het Wolof, ik begrijp er geen zak maar uit de lichaamstaal maak ik op dat niemand weet waarnaar we op zoek zijn, hoewel het Werelderfgoed is. Ik heb daar meer dan begrip voor. We rijden door een heel erg droog gebied waar “welvaart” een woord is dat nog moet worden bedacht, “overleven” is hier het consigne. Dat is tenminste mijn indruk. Desalniettemin geen modern gezeur over de economische crisis of maar twee in plaats van drie buitenlandse vakanties per jaar of zelfs drie jaar met een auto te moeten doen. Er is te eten en te drinken en men heeft een dak boven het hoofd, prima toch? Na een hoop heen en weer gepraat, “tout droit” komt zowaar opeens meer niet in de discussie voor, wordt de motor van de auto uitgeschakeld. We moeten kennelijk wachten. Er is iemand geïdentificeerd die waarschijnlijk weet waar we naar op zoek zijn, hij heeft al vaker toubabs ergens mee naartoe genomen. Kinderen worden erop uitgestuurd om hem op te gaan halen. Na een poosje komt er een man van middelbare leeftijd aan die met “El Hadji” wordt aangesproken. Dat begrijp ik dan weer wel. Na een kort gesprek, waarin El Hadji bevestigt te weten waar we naar op zoek zijn, vraagt Amadou hem – of vertelt hij hem gewoon – in te stappen en ons te weg te wijzen. Amadou heeft mij, daartoe gedwongen door de omstandigheden, al eerder bekend dat dit voor hem ook de eerste keer is dat hij deze regio bezoekt.
wordt vervolgd
|