DAN MAAR NAAR SENEGAL EN SÃO VICENTE - 12 (22082016)

Vrijdag 17 juni 2016 – Saint Louis – Langue de Barbarie – Saint Louis
Terwijl ik koffie zat te drinken, heeft Amadou de auto opgehaald. We rijden door de straten van de andere helft van het eiland waar voorheen de koloniale ambtenaren woonden. Daar is het allemaal nog stukken erger afgetakeld dan op het “kantoren en handel” gedeelte, maar in mijn westerse ogen ziet het er hier door het verval stukken authentieker uit. Doodzonde, want dit is natuurlijk wel Werelderfgoed dat op het punt staat totaal naar de knoppen te gaan. In tegenstelling tot de rust die er heerst en de werkloze vissersboten die er liggen afgemeerd, ziet het er aan de overkant stukken levendiger en kleurrijker uit. Weg van dit saaie eiland, op naar de Langue de Barbarie waar tenminste iets gebeurt. Gelijk na de brug op een rotonde een opvallend monument, opvallend vanwege de twee in winterjassen geklede soldaten die er op staan. De gedenksteen, die als het ware op hun schouders rust, geeft tekst en uitleg: St. LOUIS A SES MORTS – GUERRE 1914 – 1918 . Bij mijn weten was Senegal nooit direct bij de Eerste Wereldoorlog betrokken en vallen de twee afgebeelde Tirailleurs Sénégalais hier net zo uit de toon als in de bossen rond Verdun waar ze tijdens die oorlog in Franse dienst vochten. Met het kruisen van de brug naar de Langue de Barbarie ben ik in een andere wereld terecht gekomen, veel meer in kleurige gewaden gestoken voetgangers op straat, chaotisch verkeer, kraampjes waar van alles en nog wat wordt verkocht. Het leeft hier, het bruist hier. We kruipen langzaam verder naar het strand waar de vissersboten aanleggen om hun vangst te lossen en eenmaal daar aangekomen, hebben mijn ogen, oren en neus nauwelijks voldoende capaciteit om de indrukken te verwerken. Ik ben terug in het Afrika dat ik aan het eind van de vorige eeuw met de oversteek naar Zuid-Amerika achter me heb gelaten.

Grote houten vissersschepen die in niets lijken op de trawlers en loggers en wat dies meer zij. Geen brug en geen patrijspoorten, lang en niet al te breed, beschilderd met patronen en symbolen die wat efficiënte bedrijfsvoering betreft geen enkele toegevoegde waarde hebben en uitgedost met vlaggen die niets met Senegal, Saint-Louis of de Langue de Barbarie hebben te maken. Bijvoorbeeld die van Argentinië, Frankrijk, Duitsland en Denemarken tot en met een zwarte vlag met een swastika.......... De schepen hebben een krachtige motor en zouden volgens zeggen bij tijd en wijle wat bijverdienen door mensen naar Europa te smokkelen, de Canarische Eilanden zouden er makkelijk mee te bereiken zijn. Op het strand staan vrachtwagens op hun lading te wachten en zitten groepjes vrouwen met teiltjes en emmers op de aankomst van “hun” schip te wachten om het te lossen. Bij een boot die net terug van zee komt, zie ik dat het lossen van de verse vis een waar spektakel is. De scheef hangende boot wordt belaagd door een grote groep vrouwen, waarvan sommigen tot borsthoogte in het water staan. Ze roepen, ze schreeuwen en houden hun emmer of teiltje omhoog om het door de bemanning te laten vullen, zoals in vervlogen tijden de vissersvrouwen met hun manden de vis van de schepen op het strand van Scheveningen losten. Wat mij echter het meest fascineert is de in heldere kleuren uitgevoerde “versiering” van de schepen. Op een boeg de vlag van de Duitse Kriegsmarine met die van Senegal er boven, op een andere boeg alleen een swastika, op de scheepswanden een veelvoud van fantasiepatronen, opnieuw de Argentijnse kleuren, koranteksten, bloemmotieven, een maraboet, het bouwjaar van het schip. Een vissershaven zoals je maar zelden ziet.

“Ben je misschien geïnteresseerd om de schrijver Louis Camara te ontmoeten?” werd mij gisteren kort na aankomst in Saint-Louis gevraagd. Daar moest ik over nadenken, maar dat was voorbij zodra de receptionist van het hotel mij wat achtergrondinformatie aanreikte. Een voetnoot viel nogal op: “Louis Camara, le conteur d'Ifa. Souvenirs d'un voyage au pays des Orishas.” De Ifá religie van de Nigeriaanse Yoruba's, hun traditionele goden – de orishas – die tot op de dag van vandaag bij de Braziliaanse Candomblé en op Cuba worden vereerd! Natuurlijk wilde ik hem ontmoeten. We worden allebei geboeid door de Yoruba's en hun godenwereld, door de Babalawo , de priester, die door middel van de patronen die hij met steentjes of schelpjes of gedroogde vruchtjes op een orakelbord werpt met de geestenwereld communiceert voor advies aan de gelovigen. In de jaren dat ik in Lagos woonde, heb ik nota bene een kleine collectie orakelborden met toebehoren aangelegd. Vervolgens maakte ik uitgebreid kennis met de Braziliaanse orixás die springlevend zijn, ondanks de inspanningen van de katholieke geestelijken om de godsdienst van de slaven uit te bannen. We wisselen ervaringen uit, verrast en verbaasd dat een Senegalees en een Nederlander de belangstelling voor de Nigeriaanse Yoruba godsdienst delen. Maar de gepensioneerde “professeur” , onderwijzer vind ik wat lullig klinken, heeft bijvoorbeeld ook “Il pleut sur Saint-Louis” geschreven. Hij zegt dat ie het me graag had willen geven, maar dat er in Saint-Louis geen exemplaar meer te krijgen is. Waarop ik mij voorneem om daar dan maar op de terugweg in Dakar naar op zoek te zullen gaan.

wordt vervolgd