|
DAN MAAR NAAR SENEGAL EN SÃO VICENTE - 11 (20082016)
Vrijdag 17 juni 2016 – Saint Louis – Langue de Barbarie – Saint Louis
Het Saint-Louis uit de koloniale tijd ligt op een eilandje dat 2 kilometer lang en 400 meter breed is, lekker compact. Het wordt in tweeën gedeeld door de weg die de brug vanaf het vaste land met de brug naar de Langue de Barbarie, het volgende eiland, verbindt. De ochtendwandeling over het noordelijke deel stelt niet al te veel voor. Niet dat ik het had willen missen, zo ontdek ik tot mijn verrassing dat door het grillige verloop van de grens het buurland Mauritanië aan de overkant van het water ligt. Maar de rest was gewoonweg saai. Wat ik te zien kreeg, was net een slecht onderhouden gebit met veel rotte en getrokken tanden en kiezen, met andere woorden: het is hard aan een opknapbeurt toe. Voor de zekerheid blader ik door het UNESCO archief om te kijken waarom Saint-Louis tot Werelderfgoed werd verklaard.“In de 17e eeuw gesticht als een Franse koloniale nederzetting, verstedelijkte Saint-Louis halverwege de 19e eeuw. Het was de hoofdstad van Senegal van 1872 tot 1952 en speelde een belangrijke culturele en economische rol in geheel West-Afrika. De ligging van de stad op een eiland in de monding van de Senegal rivier, de gelijkmatige planning, het systeem van kades en de karakteristieke koloniale architectuur geven Saint-Louis een geheel eigen aanzicht en identiteit.” Dat was in het jaar 2000. Begin 2016 heeft de regionale Gouverneur een decreet uitgevaardigd dat verdere sloop van oudere gebouwen verbiedt. Het lijkt nogal op het dempen van de put nadat het kalf verdronken is. Je moet over veel fantasie beschikken om je voor te kunnen stellen dat de havenkant werd omzoomd door de vele “comptoirs” die slaven en andere goederen verhandelden, dat dit het bestuurscentrum voor Frans West-Afrika was. Lui aan de kade ligt de in Nederland gebouwde “Bou el Mogdad” afgemeerd, die tussen 1950 en 1970 het transport tussen Saint-Louis en aan de Senegal rivier gelegen steden verzorgde en waarmee nu toeristische mini-cruises worden gemaakt. Van de bewaker mogen we niet aan boord “er is iets aan de hand....”maar wat dat is, weet hij alleen. Vlakbij is een bordje op de muur geschroefd dat uitleg geeft over de “signares”, welgestelde dames van gemengd bloed die een voorname rol zouden hebben gespeeld in het koloniale handelsverkeer. Vanuit de erkers op de eerste verdieping van hun huizen hielden zij de “handel” in de gaten. Na de watertorens uit de Franse tijd die het niet meer doen, houd ik het voor gezien. Dit gaat nergens over. Ik zeg last te hebben van mijn geblesseerde linkerbeen en ga koffie drinken in een van de weinige cafés die ondanks de ramadan wel open is.
In dat café zitten een stuk of vijf middelbare Fransmannen, ieder aan een eigen tafel, telefonisch zaken te doen, elkaar af en toe advies te geven en te klagen over de Senegalezen. Er is de afgelopen ruim twintig jaar weinig veranderd, het is precies zoals ik het me herinner uit andere voormalige Franse koloniën tijdens de jaren dat ik nog in West-Afrika werkte en reisde. In de vorige eeuw dus..... Vanaf mijn strategisch gekozen tafeltje observeer ik het komen en gaan op straat. Behalve de kleurig geklede mannen en vrouwen die zich opmaken voor het vrijdagmiddaggebed, zijn het de talibés die mijn aandacht trekken. Ooit zag ik een film van de door mij als schrijver bewonderde Sémbène Ousmane waarin dit maatschappelijk fenomeen – dat evenzeer in de aangrenzende landen speelt – aan de kaak werd gesteld. Dat was in de jaren dat ik in Kaapstad werkte, waar ik trouwens bijna al zijn films op de televisie zag. Films gemaakt door de eerste in Moskou opgeleide zwarte Afrikaan, uiteraard communist en maatschappelijk geëngageerd. Sommig films waren gebaseerd op zijn eigen boeken, zoals “Les bouts de bois de Dieu - De houtjes van God” over de grote spoorwegstaking van 1947–48, zoals “Le mandat – De postwissel” over de bureaucratie die het eenvoudige mensen onmogelijk maakt een postwissel te innen en zoals “Mooladé” een veroordeling van de vrouwenbesnijdenis. Volgens de informatie die op de balie van de hotelreceptie ligt, zijn de talibés een groot probleem in Saint-Louis. Het zijn jonge tot zeer jonge jongens die door hun op het platteland wonende arme ouders aan een maraboet worden toevertrouwd om religieus onderwijs te ontvangen. “Talibé” is het Arabische woord voor “leerling.” Tot zover niets aan de hand, ware het niet dat de meeste maraboets die jongetjes uit bedelen sturen om in hun levensonderhoud te voorzien en ze de hele dag – en soms ook een deel van de nacht – over straat zwerven en daardoor nauwelijks iets leren. In Saint-Louis zouden er ruim 7.000 rondzwerven, in en rond Dakar zo'n 50.000. Van achter mijn koffie zie ik een groepje, met een plastic bakje in de hand om de aalmoezen in te ontvangen, bedelend over de straat schooien en met elkaar vechten om het halve stokbrood dat iemand hun geeft.
wordt vervolgd
|