DAN MAAR NAAR SENEGAL EN SÃO VICENTE - 10 (17082016)

Donderdag 16 juni 2016 – Île de Gorée – Lac Rose – Saint Louis
We gaan noordwaarts richting Sahel, het al behoorlijk droge overgangsgebied tussen de savanne en de Sahara. Een brede strook die dwars door Noord-Afrika van de Atlantische Oceaan naar de Indische Oceaan loopt. Op de kaart tenminste. Over de begrenzing van de Sahel heb ik zo mijn twijfels. Toen ik lang geleden door het noorden van Nigeria en het aangrenzende Niger reisde, was daar minder groen te zien dan ik hier vandaag zie en dat gebied hoort volgens de “deskundigen” niet tot de Sahel. Alleen al dat daarin “hel” voorkomt doet het ergste vermoeden. Het valt mee, in Senegal staan er acacia's, veel acacia's. Het zijn geen bossen of zo, het is er zichtbaar behoorlijk droog, als ik tegen Amadou iets zeg over “savanne” word ik meteen streng terecht gewezen “nous sommes dans le Sahel.” Het zij zo. In de dorpen langs de weg worden de producten verkocht die zojuist zijn geoogst, vooral veel mango's, heel veel mango's. De marktvrouwen hebben kraampjes langs de weg, zo op het oog zitten ze gezellig met elkaar te beppen, net alsof er sprake is van een eeuwigdurende camaraderie en absoluut geen sprake van enige concurrentie. Gelatenheid is het beslist niet, wedijver is het ook niet en toch moet iedere vrouw haar mango's zien te verkopen. Ter onderbreking rijden we, wat mij betreft totaal onbewust, langs de buitenkant van Thiés, ooit het knooppunt van de Senegalese spoorwegen. Ik krijg dat pas in de gaten als we langs een rijtje vreemde gebouwtjes rijden. Driehoekig, klein, naast een spoorwegovergang. “Daar woonden de “cheminots célibataires” de vrijgezelle spoorwegarbeiders. Wonderbaarlijk en tegelijkertijd een beeld van hoe de Fransen hun Senegalese arbeiders zagen, want de Franse employees woonden in stukken ruimere luxe huizen in een aparte wijk en zouden van hun leven niet in een dergelijk type woning zijn getrokken: nauwelijks een tuin, te klein, naast de spoorlijn en nog een paar andere onaantrekkelijke kenmerken. Na de spoorwegovergang liggen er kilometers lang omgevallen lantaarnpalen langs de weg. Ik begrijp er niets van, Amadou opent mijn ogen: vlak nadat de verlichting in gebruik was genomen, kwam het dievengilde langs om de koperen kabels eruit te halen. “Maar waarom hebben ze die metalen palen dan laten liggen, schroot is toch ook geld waard?” wil ik weten. Ook daar heeft Amadou een antwoord op “die dingen zijn veel te herkenbaar, daar waagt geen heler zich aan.”

De 200 kilometer van Thiés zijn best saai. Sahel aan beide kanten van de tweebaansweg, af en toe een dorp. De tamarindes krijgen geleidelijk aan gezelschap van baobabs en palmen. In de dorpen maak ik soms een foto van de producten die er langs de weg worden verkocht: vlechtwerk, mooi verpakte tamarindeblaadjes om thee van te trekken of van de handgeschilderde uithangborden van de kappers of reclame voor de een of andere maraboet. De eerste indrukken van Saint-Louis zijn niet veel belovend, maar eenmaal op het eiland valt het mee. In het hotel maak ik kennis met de Vlaamse Joke die mijn reis door Senegal heeft georganiseerd, we drinken een biertje en kletsen wat. En nu ik toch in de bar zit, kijk ik gelijk maar naar het EK voetbal. Het beste moment van de wedstrijd Duitsland – Polen is in de 38ste minuut van de eerste helft. Het heeft niets met voetballen te maken, eerder met van Fokke&Sukke die zo'n week geleden een blaadje van de scheurkalender trokken en constateerden dat “het weer de internationale maand van de honger bij Moslims is.” Met andere woorden de Ramadan, de islamitische vastenmaand, was begonnen. Om 19.38 uur kondigt een sirene, zo eentje die in het vaderland een luchtalarm aankondigt, in Saint-Louis de “coupure” of “rupture” aan. Het einde van het vasten voor vandaag. Het tot dan toe verveeld rondhangende barpersoneel komt opeens tot leven. Ze zijn op de sirene voorbereid en hebben eten en drinken klaarstaan, ze weten niet hoe snel ze eraan moeten beginnen. Tijd om te bidden voor het eten is er in ieder geval niet. De voetbalwedstrijd kabbelt voort, pas tegen het einde van de rust is er even tijd om de door mij bestelde fles Gazelle bier te brengen. In de tussentijd heb ik gedateerde foto's van een bokser ontdekt en weet gelijk wie het is: de uit Saint-Louis afkomstige Battling Siki. Over hem heeft Albert Stol een biografie geschreven die in mijn boekenkast staat, vandaar. Louis M'Barick Fal, zoals zijn officiele naam was, was in 1922/23 een half jaar lang wereldkampioen bij de lichtzwaargewichten nadat hij de beroemde Fransman Georges Carpentier had verslagen. In 1920 bokste Siki een tweetal gevechten in het Concertgebouw (echt waar!). Hij trouwde een met Nederlandse vrouw en gaf boksles in “De Jonge Bokser” in de Wagenstraat, waarschijnlijk om aan de kost te komen. De laatste jaren van zijn leven woonde de aan de drank geraakte Siki in New York, in de toentertijd arme arbeidersbuurt Hell's Kitchen. Op 15 december 1925 werd hij daar dood aangetroffen met een paar kogels in de rug. Ik drink mijn koude bier en kijk de saaie doelpuntloze wedstrijd uit.

wordt vervolgd